Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:220

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201804228/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2016 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804228/1/V1.

Datum uitspraak: 28 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 april 2018 in zaak nr. 18/18 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2016 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 22 december 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Peeters, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 20 juli 2018 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 16 augustus 2016 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

3.    De staatssecretaris heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 20 juli 2018 het gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en de vreemdeling met terugwerkende kracht van 26 februari 2016 tot 14 maart 2017 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, waardoor geen verblijfsgat meer bestaat. Nu hij daarmee geheel aan het bezwaar van de vreemdeling is tegemoetgekomen, mist artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, toepassing.

4.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. De Vink

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2019

154-887.