Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
201808843/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2017 heeft de staatssecretaris geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart te verlenen voor wijzigen van de horecafunctie van een leegstaand bedrijfspand aan de [locatie] te Abbenes naar een woonfunctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808843/1/A3.

Datum uitspraak: 3 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 oktober 2018 in zaak nr. 18/21 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, thans: de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2017 heeft de staatssecretaris geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart te verlenen voor wijzigen van de horecafunctie van een leegstaand bedrijfspand aan de [locatie] te Abbenes naar een woonfunctie.

Bij besluit van 22 november 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2019, waar [appellant], bijgestaan door [locatie], en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.P.H. Rozenbrand, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting het college, vertegenwoordigd door mr. R. van der Keur, en ir. J.C. Tanis als informant gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft op 15 oktober 2014 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van meerdere bijgebouwen en het wijzigen van het gebruik van het horecapand naar een woonfunctie op het perceel [locatie] te Abbenes. Het perceel bevindt zich in zone 4 van het beperkingengebied als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Luchthavenindelingbesluit. In deze zone zijn in beginsel geen nieuwe woningen toegestaan.

Ingevolge artikel 8.9, derde lid, van de Wet luchtvaart kan van het Luchthavenindelingbesluit worden afgeweken als een verklaring van geen bezwaar wordt afgegeven. Hoe van de bevoegdheid tot het geven van een verklaring van geen bezwaar gebruik moet worden gemaakt is omschreven in beleidsregels in de Nota van toelichting op het Luchthavenindelingbesluit.

2. Het college heeft op 15 december 2016 aan de staatssecretaris gevraagd om afgifte van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart. De aanvraag is beperkt tot een functiewijziging van horeca naar wonen voor het bedrijfspand van [appellant] aan de [locatie]. Het gebouw aan de [locatie] omvat naast het leegstaande bedrijfspand ook een bedrijfswoning waarin [appellant] woont. [appellant] is eigenaar van het gebouw en de gronden. De bedrijfswoning is buiten de aanvraag gelaten. Het leegstaande bedrijfspand waarop de aanvraag ziet heeft een oppervlakte van 327 m2.

Besluitvorming

3. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat geen van de in het beleid genoemde ontheffingscriteria van toepassing is. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om toch een verklaring van geen bezwaar af te geven is volgens de staatssecretaris geen sprake. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Ook van vooringenomenheid is geen sprake, aldus de staatssecretaris.

Aangevallen uitspraak

4. De rechtbank is met de staatssecretaris van oordeel dat de enkele omstandigheid dat het college de wijziging van de horecabestemming van het pand van [appellant] in een woonbestemming wenselijk acht, op zichzelf bezien geen bijzondere omstandigheid vormt om van het beleid af te wijken. In het midden latend op welk moment de persoonlijke omstandigheden van [appellant] bij de staatssecretaris voor het voetlicht zijn gebracht, heeft de staatssecretaris zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] de door hem gestelde behoefte aan mantelzorg niet heeft onderbouwd. De staatssecretaris heeft hierin dan ook geen grond hoeven zien in afwijking van het beleid een verklaring van geen bezwaar te verlenen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank terecht verworpen.

Hoger beroep

5. [appellant] betoogt dat het college heeft nagelaten de aanvraag om afgifte van een verklaring van geen bezwaar juist te omschrijven. Het college heeft volgens hem onvoldoende gemotiveerd welk belang aan het verkrijgen van de verklaring van geen bezwaar ten grondslag ligt. Voorts betoogt [appellant] dat de staatssecretaris ten onrechte niet om een nadere motivering heeft gevraagd, te meer nu hij constateerde dat de door het college geleverde argumenten ter onderbouwing van bijzondere omstandigheden te algemeen zijn. Er moet volgens hem daarom gelegenheid worden geboden een nieuwe gemotiveerde aanvraag in te dienen. [appellant] stelt in zijn rechten te zijn geschaad, omdat het college ervoor heeft gekozen geen rechtsmiddelen aan te wenden. Verder is het gebouw ten onrechte niet als één geheel aangemerkt.

5.1. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat de door het college ingediende aanvraag, waarin de bedrijfswoning niet is opgenomen, in overeenstemming is met hetgeen hij wenste. Door het college is ter zitting toegelicht dat na overleg met [appellant] is voorgesteld een aanvraag te doen die erop zag van het gebouw als geheel één woning te maken. Volgens het college was de aanvraag het meest kansrijk als de bedrijfswoning erbij zou worden betrokken. Daarna heeft [appellant] echter toch zijn oorspronkelijke plan ingebracht en heeft het college de aanvraag in overeenstemming hiermee ingediend bij de staatssecretaris. Voorts is niet in geschil dat de besluitvorming van de staatssecretaris aansluit op de aanvraag zoals deze door het college is ingediend. De staatssecretaris heeft nadere vragen gesteld aan het college dat deze heeft beantwoord. Dat de staatssecretaris niet positief heeft beslist en het college hiertegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend, betekent niet dat [appellant] in zijn rechten is geschaad. Hij heeft zich in bezwaar, beroep en nu in hoger beroep kunnen verweren en het belang bij het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar kunnen benadrukken. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris om een nadere motivering had moeten vragen bij het college.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Jurgens

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2019

597.