Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2175

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
201806724/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:2770, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2017 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van een vrijstaand bijgebouw als recreatieverblijf en het veranderen van dit bijgebouw op het perceel [locatie] te Oosterend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806724/1/A1.

Datum uitspraak: 3 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oosterend, gemeente Terschelling,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 juli 2018 in zaak nr. 17/3320 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Terschelling.

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2017 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van een vrijstaand bijgebouw als recreatieverblijf en het veranderen van dit bijgebouw op het perceel [locatie] te Oosterend.

Bij uitspraak van 17 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 april 2019, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. K.M. van Leeuwen, advocaat te Deventer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De aanvraag ziet op een vrijstaand bijgebouw op het perceel. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van dit bijgebouw als recreatieverblijf in strijd is met het bestemmingsplan "Oosterend" en heeft geweigerd van dit bestemmingsplan af te wijken.

    Volgens het college is het niet bevoegd om omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚ en 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), nu het bestemmingsplan niet voorziet in een afwijkingsmogelijkheid en de afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) niet aan de orde is, omdat het bouwvolume wordt vergroot. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het verlenen van omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo evenmin aan de orde is, gelet op de bij besluit van 27 oktober 2015 vastgestelde "Herziene beleidsregels toepassen planologische afwijkingen" (hierna: de beleidsregels), waarin is opgenomen dat dit artikel niet wordt toegepast binnen 7 jaar na vaststelling van een bestemmingsplan en voorts niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder een uitzondering mogelijk is. Bij besluit van 23 mei 2017 heeft de raad, gelet hierop, geweigerd een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Het college heeft toegelicht dat de raad niet bereid is om mee te werken aan het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van recreatief verblijf in vrijstaande bijgebouwen, omdat hij verdichting van percelen wil voorkomen.

2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Oosterend" rust op het perceel de bestemming "Wonen".

    Artikel 10.1 luidt:

"De voor "Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[..]

c. vrijstaande bijgebouwen in de vorm van een recreatieverblijf, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijf’

[..]."

3.    Vast staat dat het perceel niet is voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijf’, zodat het gebruik van het vrijstaande bijgebouw op het perceel als recreatieverblijf in strijd is met de op het perceel rustende woonbestemming.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van het bijgebouw als recreatieverblijf niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat aan hem een geslaagd beroep op het overgangsrecht toekomt.

4.1.    Vast staat dat in het verleden op het perceel een boerderij met twee bergingen aanwezig was en dat een van deze bergingen in gebruik was als vakantieverblijf. Voorts staat vast dat in 1998 vergunning is verleend voor de sloop van de twee bergingen en de bouw van het onderhavige bijgebouw met als beoogd gebruik het gebruik als bergschuur.

    Vast staat dat het gebruik van de voorheen op het perceel aanwezige berging als recreatieverblijf in 1998 is geëindigd toen deze berging werd gesloopt en dat het onderhavige bijgebouw nimmer als recreatief verblijf is gebruikt. Reeds hierom komt aan [appellant] geen geslaagd beroep op het overgangsrecht toe.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank het gebrek met betrekking tot de door het college gevolgde procedure aangaande de aan de raad gevraagde verklaring van geen bedenkingen ten onrechte heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

5.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het college, in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, niet onverwijld een exemplaar van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken heeft doorgezonden aan de gemeenteraad, maar dat [appellant] hierbij niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank heeft, gelet hierop, aanleiding gezien om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat de aanvraag van [appellant] in de raadsvergadering van 25 oktober 2016 is behandeld, de raad heeft besloten een ontwerpbesluit inhoudend een weigering om een verklaring van geen bedenkingen af te geven op te stellen, dit ontwerp op 17 november 2016 ter inzage is gelegd en [appellant] hiertegen geen zienswijze heeft ingediend. De aanvraag van [appellant] is vervolgens opnieuw behandeld in de raadsvergadering van 23 mei 2017, waarin de raad heeft besloten de gevraagde verklaring van geen bedenkingen te weigeren.

    Het door [appellant] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het gebrek met betrekking tot de gevolgde procedure ten onrechte heeft gepasseerd. De enkele stelling van [appellant] dat hem voor de raadsvergadering van 25 oktober 2016 niet bekend is gemaakt dat het college een verklaring van geen bedenkingen aan de raad zou vragen is daarvoor onvoldoende.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om af te wijken van het bestemmingsplan en het college derhalve ten onrechte omgevingsvergunning heeft geweigerd. Daartoe voert hij aan dat hij, gelet op zijn persoonlijke situatie, een groot financieel belang heeft bij het gebruik van het bijgebouw als recreatieverblijf. De weigering omgevingsvergunning te verlenen is voorts in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, aldus [appellant].

6.1.    In artikel 4.1, eerste lid, van de beleidsregels is bepaald dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3˚, van de Wabo in beginsel niet wordt toegepast binnen een termijn van 7 jaar na vaststelling van een bestemmingsplan.

    In het tweede lid is bepaald dat het eerste lid niet geldt als:

a. de activiteit op het tijdstip van de vaststelling van het geldende bestemmingsplan nog niet voorzien kon zijn en/of een algemeen of maatschappelijk belang vertegenwoordigt dat afwijking van het geldend bestemmingsplan rechtvaardigt én

b. past in een door de raad of het college vastgesteld beleidsplan én

c. niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening én

d. een procedure tot herziening van het geldende bestemmingsplan op het tijdstip van indiening van de vergunningaanvraag nog niet is gestart.

    Artikel 4:84 van de Awb luidt:

"Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen."

6.2.    Er is geen grond voor het oordeel dat handelen overeenkomstig de beleidsregels, gelet op het financiële belang van [appellant], gevolgen voor hem heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dat [appellant] inkomsten misloopt en veel kosten moet maken in verband met zijn persoonlijke situatie is onvoldoende voor een dergelijk oordeel.

    Van strijd met het vertrouwensbeginsel is voorts niet gebleken. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, dient, om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. [appellant] heeft niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan. De enkele niet onderbouwde stelling dat er door de directeur van Gemeentewerken Terschelling en leidinggevende ambtenaren toezeggingen zijn gedaan is daarvoor onvoldoende.

    Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door te weigeren om af te wijken van het bestemmingsplan. Het is aan [appellant] om te onderbouwen dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld omdat in andere gelijke gevallen wel omgevingsvergunning is verleend. De enkele omstandigheid dat in andere gevallen is afgeweken van de beleidsregels, omdat in die gevallen wel is afgeweken van het bestemmingsplan, maakt niet dat het om gelijke gevallen gaat. Het college heeft voorts ter zitting toegelicht dat in de door [appellant] genoemde gevallen niet ten behoeve van recreatie in een bijgebouw is afgeweken van het bestemmingsplan, zodat het niet om gelijke gevallen gaat. Voor zover [appellant] wijst op gevallen waarbij met de kruimelregeling is afgeweken van het bestemmingsplan, miskent hij voorts dat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden die artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II van het Bor stelt, nu het bouwvolume wordt vergroot, zodat alleen al daarom geen sprake is van gelijke gevallen.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.  

8.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2019

580.