Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2166

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
201801995/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Rucphen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801995/1/R2.

Datum uitspraak: 3 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant A]), beiden wonend te Rucphen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Rucphen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Rucphen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant A] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2019, waar [appellant A], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door drs. D.F.J. Melsen, zijn verschenen.

Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. R.H.U. Keizer, advocaat te Roosendaal, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in een aanpassing van de planologische regeling voor het bestaande hoveniersbedrijf en bedrijfswoning van [belanghebbende] aan de [locatie 1] in Rucphen. Het plan strekt tot herstel van de gebreken die de Afdeling bij uitspraak van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2001, heeft geconstateerd in het gelijknamige bestemmingsplan "[locatie 1] te Rucphen", dat door de raad is vastgesteld bij besluit van 28 september 2016. Bij het bestreden besluit is het plan opnieuw geheel vastgesteld, zonder toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. [appellant A] is eigenaar van het aangrenzende perceel [locatie 2] in Rucphen, waar [appellant A] een woning wil gaan realiseren. Hij vreest dat het plan zijn toekomstige woon- en leefklimaat zal aantasten.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beoordeling van de beroepsgronden

3.    [appellant A] betoogt dat de omvang van het bouwvlak binnen de bedrijfsbestemming ruimer is dan noodzakelijk. Volgens [appellant A] zou het bouwvlak beperkt moeten zijn tot de reeds bestaande en vergunde bebouwing. Doordat het bouwvlak ruimer is dan noodzakelijk, kan er volgens [appellant A] ten onrechte bebouwing worden opgericht tot aan zijn perceelsgrens. Daarnaast betoogt [appellant A] dat het voorliggende plan ten onrechte opslag tot een hoogte van maximaal 4 meter toestaat binnen het bouwvlak. De aanduiding die is toegekend aan een deel van de gronden achter zijn perceel buiten het bouwvlak, die het oprichten van bouwwerken en de opslag van goederen en materialen tot een hoogte van maximaal 2 meter toestaat, zou ook moeten gelden voor het gedeelte van het bouwvlak dat achter zijn perceel ligt. Ook betoogt [appellant A] dat artikel 3, lid 3.4.2, sub b, van de planregels ten onrechte voorziet in een uitzondering op het verbod om goederen en materialen op te slaan op onbebouwde gronden binnen een straal van 3 meter van de bouwperceelsgrens.

3.1.    Het woonperceel van [appellant A] heeft een breedte van ongeveer 15 meter. De gronden die grenzen aan het perceel van [appellant A] hebben volgens de verbeelding de bestemming "Bedrijf". Over een breedte van ongeveer 5 meter grenst het bouwvlak binnen de bedrijfsbestemming aan het perceel van [appellant A]. Volgens de planregels bedraagt de bouwhoogte binnen dit bouwvlak 8 meter voor bedrijfsgebouwen, 5 meter voor overkappingen en 4 meter voor andere bouwwerken. Op onbebouwde gronden binnen de bedrijfsbestemming is tevens opslag toegestaan tot een maximale hoogte van 4 meter. Blijkens de verbeelding geldt voor de overige aangrenzende gronden buiten het bouwvlak, over een breedte van ongeveer 10 meter, de aanduiding "maximaal hoogte opslag: 2,0". Deze aanduiding is toegevoegd ten opzichte van het eerdere plan uit 2016 en daarbinnen geldt een beperking van de opslag- en bouwmogelijkheden tot een hoogte van maximaal 2 meter.

3.2.    In eerdergenoemde uitspraak van 26 juli 2017 over het eerdere plan uit 2016 is - kort samengevat - overwogen dat de raad een iets groter bouwvlak heeft toegekend dan nodig is gelet op de aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van een overkapping, maar dat dit niet onredelijk is. Ook is geoordeeld dat de maximale bouwhoogte van overkappingen binnen het bouwvlak niet onredelijk is. De omvang van het bouwvlak en de bouwmogelijkheden daarbinnen zijn met het voorliggende plan ongewijzigd gebleven.

    Niet kan worden aanvaard dat, behoudens het geval dat een wijziging in het besluit of een verandering van omstandigheden daartoe aanleiding geeft, in een beroep tegen een nieuw besluit dat is genomen na de vernietiging van een eerder besluit, een appellant een nieuw argument kan aanvoeren ten einde te bewerkstelligen dat de rechter terugkomt op een in de eerdere uitspraak als definitief bedoelde verwerping van een beroepsgrond. Een andere opvatting zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de rechtszekerheid van andere partijen in een procedure als deze. In dat verband wijst de Afdeling erop dat, gelet op hetgeen is overwogen in de uitspraak van 26 juli 2017, de nieuw te nemen beslissing omtrent het bestemmingsplan mocht worden genomen zonder deze overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor te bereiden. Verder is van belang dat binnen het bouwvlak een beperking voor opslagmogelijkheden tot een hoogte van maximaal 2 meter in redelijkheid niet kan worden gevergd, omdat, zoals de Afdeling reeds had geoordeeld, de bouwhoogte voor overkappingen tot maximaal 5 meter niet onredelijk is.

    Nu het besluit op dit punt niet is gewijzigd en evenmin sprake is van een verandering van omstandigheden, slaagt het betoog niet.

3.3.    Uit overweging 4 van eerdergenoemde uitspraak van 26 juli 2017 blijkt dat [appellant A] de planregel die opslag van goederen en materialen tot een hoogte van 4 meter toestaat, alleen heeft bestreden voor zover het opslag buiten het bouwvlak betreft. [appellant A] heeft opslag tot een hoogte van 4 meter binnen het bouwvlak in de vorige procedure niet bestreden. Ook bevatte het eerdere plan uit 2016 een gelijkluidende uitzondering als in artikel 3, lid 3.4.2, sub b, van het onderhavige plan is opgenomen voor opslag van goederen en materialen binnen 3 meter van de perceelsgrens. [appellant A] heeft die planregel evenmin bestreden in de vorige procedure. Gelet hierop heeft [appellant A] zijn beroepsgronden dan ook uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Niet gebleken is dat [appellant A] deze beroepsgronden niet reeds tegen het besluit van 28 september 2016, waarmee de raad het eerdere plan heeft vastgesteld, naar voren had kunnen brengen. Dit betekent dat hetgeen [appellant A] op deze punten aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

4.    Verder betoogt [appellant A] dat een goede ruimtelijke ordening en een correcte weging van zijn belangen ertoe zou moeten leiden dat het plan, gelet op zijn belang bij een vrij uitzicht, moet voorzien in een groenbestemming tussen zijn perceel en het perceel van [belanghebbende], zodat bouwen en opslag daar niet is toegestaan. Een groenbestemming ligt volgens hem voor de hand, omdat de gronden die aan zijn perceel grenzen momenteel zijn ingericht als moestuin. Hij verwijst in dat verband ook naar de westzijde van het plangebied, waar een groenbestemming is toegekend.

4.1.    De raad heeft toegelicht dat bij het beperken van de opslag- en bouwhoogte tot 2 meter rekening is gehouden met de belangen van [appellant A] bij een vrij uitzicht en de bedrijfsbelangen van [belanghebbende]. Omwille van de flexibiliteit en bedrijfsvoering van [belanghebbende], acht de raad het niet onredelijk om opslag en bebouwing tot een hoogte van 2 meter toe te staan. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat met de gekozen hoogte is aangesloten bij het Besluit omgevingsrecht, waarin het oprichten van erfafscheidingen tot 2 meter hoog vergunningvrij is.

4.2.    De Afdeling overweegt dat enige aantasting van het uitzicht van [appellant A] als gevolg van het plan, gelet op het feit dat de gronden die aan zijn perceel grenzen thans grotendeels onbebouwd zijn, niet valt uit te sluiten. Aan een geldend bestemmingsplan kunnen echter in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellant A] geen aanspraak kan maken op een blijvend vrij uitzicht. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een opslag- en bouwhoogte van 2 meter - mede gezien de afstand van ongeveer 40 meter tussen de nog te bouwen woning van [appellant A] en het plangebied - niet tot een onaanvaardbare aantasting van het toekomstige uitzicht van [appellant A] zal leiden.

    De omstandigheid dat de gronden worden gebruikt als moestuin, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de maximaal toegestane bouwhoogte, aangezien de gronden waarop de moestuin ligt ook de bestemming "Bedrijf" hebben en daar dus ook ander gebruik zoals opslag is toegestaan. Dat aan de westelijke rand van het plangebied de bestemming "Groen - Landschapselement" is toegekend, houdt verband met de landschappelijke inpassing van het plan, waartoe aan de zijde van [appellant A] geen ruimtelijke noodzaak bestaat. De Afdeling acht het daarom niet onredelijk dat de raad geen groenbestemming aan de zijde van [appellant A] heeft toegekend. Het betoog slaagt dan ook niet.

Conclusie

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Vreugdenhil

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2019

571-911.