Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
201806878/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2018 heeft het college concrete locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers (hierna: ORAC’s) in onder meer de wijk Angerenstein in Arnhem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806878/1/A1.

Datum uitspraak: 3 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen (hierna tezamen: [appellant]), wonend te Arnhem,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2018 heeft het college concrete locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers (hierna: ORAC’s) in onder meer de wijk Angerenstein in Arnhem.

Bij besluiten van 6 juli 2018 heeft het college de door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2019, waar [appellant], en het college vertegenwoordigd door mr. M.C.J. Kasteel, M. Vink en B. Verweij, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 21 februari 2018 heeft het college concrete locaties aangewezen voor de plaatsing van ORAC’s. Onder meer is voorzien in plaatsing van een ORAC in de Laan van Klarenbeek ter hoogte [locatie].

    [appellant] woont aan de [locatie]. Hij kan zich niet verenigen met de aanwijzing van de locatie Laan van Klarenbeek ter hoogte van zijn woning.

    Ter zitting heeft het college toegelicht dat de ORAC in 2018 is geplaatst.

Beoordeling

2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspaak van 9 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1579) dient het college bij de keuze van een locatie voor ondergrondse afvalcontainers een afweging te maken van alle betrokken belangen. Daarbij heeft het beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden en de naar voren gebrachte alternatieve locaties of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

3.    Bij het aanwijzen van onder meer de locatie Laan van Klarenbeek ter hoogte van [locatie] heeft het college als uitgangspunt 55 criteria opgesteld om locaties aan te toetsen. De 55 criteria betreffen zowel harde criteria, waaraan een locatie altijd moet voldoen, als zachte criteria, waaraan een locatie zo mogelijk moet voldoen. De harde en zachte locatiecriteria zien onder meer op bescherming van het milieu en veiligheid.

De zachte locatiecriteria ten aanzien van het aspect "bescherming milieu" houden onder meer in:

"(…)

10 De locatie van de container bevindt zich niet in het openbare groen, maar bij voorkeur in een verhard gebied. Als plaatsing in het groen onontkoombaar is, dan voorkomen dat "groensnippers" overblijven (voor groenvakken gelden minimale afmetingen).

11 Als op een locatie een boom moet worden gekapt om een ondergrondse container te kunnen plaatsen, dan wordt het verloren groen gecompenseerd.

(…)."

De harde locatiecriteria ten aanzien van het aspect "veiligheid" houden onder meer in:

"(…)

32 De locatie (container) is zodanig gesitueerd dat de container bij lediging niet over geparkeerde auto’s getild moet worden.

(…)

44 Een OC moet niet te dicht bij een speelplek gesitueerd zijn of voldoende afgeschermd zijn van de speellocatie.

(…)."

4.    [appellant] betoogt dat het college had moeten afzien van aanwijzing van de locatie. Daartoe stelt hij dat de plaatsing van de ORAC een gezichtsbepalend effect zal hebben, het trottoir waar de ORAC is geplaatst als speelplek wordt gebruikt en de plaatsing van de ORAC op een als speelplaats erkend trottoir in strijd is met locatiecriterium 44. Hij stelt verder dat de aanwezigheid van de ORAC op het trottoir een obstakel is en kans op letsel voor spelende kinderen met zich brengt.

4.1.    Het college heeft zich ten aanzien van het gezichtsbepalende effect in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dat effect niet zodanig is dat het van aanwijzing van de bestreden locatie had moeten afzien. Het college heeft daarbij, zoals het ter zitting ook heeft toegelicht, van belang kunnen achten dat de hoogte en afmeting van het bovengrondse gedeelte gering is en het trottoir een in- en uitweg betreft dat door omwonenden gebruikt wordt voor het plaatsen van onder meer kliko’s.

    De Afdeling stelt vast dat het trottoir geen officiële kinderspeelplaats als bedoeld in locatiecriterium 44 is en ook niet als zodanig is ingericht. Hoewel het trottoir waar de ORAC op wordt geplaatst een openbare ruimte betreft waarop kinderen kunnen spelen, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het trottoir geen officieel ingerichte speelplek is. Van strijd met locatiecriterium 44 is dan ook geen sprake. Bovendien blijkt uit het besluit op bezwaar dat in de nabijheid van de Laan van Klarenbeek officiële kinderspeelplaatsen zijn gelegen, zodat kinderen voldoende plek hebben om te spelen. Dat het trottoir, op de plaats waar de ORAC is geplaatst, als speelplek werd gebruikt door kinderen, hoefde voor het college derhalve evenmin reden te zijn om af te zien van de aanwijzing van de onderhavige locatie voor het plaatsen van een ORAC.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat er een geschikte alternatieve locatie aan de rand van het groenvak naast het trottoir waarop thans de ORAC is geplaatst is en het college dit alternatief ten onrechte heeft afgekeurd. Daartoe stelt hij dat, gelet op navraag bij een chauffeur die de containers ledigt, plaatsing van de container in het groenvak geen probleem oplevert bij het legen ervan. Door plaatsing van de container in het groenvak treedt er ook geen versnippering van het groen op omdat de container aan de rand van het groenvak ter hoogte van nummer 27 wordt geplaatst, aldus [appellant].

5.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de door [appellant] genoemde alternatieve locatie niet geschikt is voor de plaatsing van de ORAC. Het college heeft toegelicht dat de voorgestelde locatie in strijd is met locatiecriterium 10 omdat de container dan in het openbare groen geplaatst wordt, terwijl het de voorkeur heeft om een container in een verhard gebied te plaatsen. De genoemde alternatieve locatie levert daarom volgens het college geen geschikter alternatief op. Daarnaast is het plaatsen van de ORAC aan de rand van het groenvak volgens het college in strijd met locatiecriterium 32, omdat ter hoogte van het groenvak auto’s geparkeerd kunnen worden en de ledigingswagen, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, dan niet goed naast de container opgesteld kan worden om deze op te tillen en te ledigen.

5.2.    Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorgestelde alternatieve locatie zodanig geschikter is, dat het college deze in redelijkheid had moeten verkiezen boven de aangewezen locatie.

    Het betoog faalt.

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Schueler    w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2019

374-919.