Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201603579/6/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603579/6/R1.

Datum uitspraak: 28 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen, en anderen (hierna: MOB en anderen),

en

de raad van de gemeente Aalten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer MOB en anderen beroep ingesteld.

MOB en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

MOB en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 januari 2019, waar MOB en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door G.H. Scheffer en A.H.M. Krabbenborg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door [persoon].

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    MOB en anderen verzoeken om schorsing van de planregeling voor het perceel [[locatie]. [belanghebbende] exploiteert een veehouderij op dit perceel en zij wil deze uitbreiden. MOB en anderen hebben al eerder verzocht om schorsing van de planregeling voor het perceel. Bij uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2529, heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter achtte daarbij onder meer van belang dat voor de bedrijfsuitbreiding al voor de vaststelling van het plan een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw-vergunning) was verleend die inmiddels onherroepelijk was. Op 16 december 2015 is een zogenoemde PAS-melding gedaan, omdat de situering van één van de stallen is gewijzigd en in die stal een ander type luchtwasser zal worden gebruikt. Daarna is ook een omgevingsvergunning voor de onderdelen bouwen en milieu verleend voor de uitbreiding van de veehouderij van [belanghebbende]. Deze omgevingsvergunning komt overeen met de verleende Nbw-vergunning in combinatie met de PAS-melding.

    De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft naar aanleiding van een verzoek van MOB en anderen het onderdeel milieu van de omgevingsvergunning geschorst bij uitspraak van 12 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4873. [belanghebbende] heeft op 3 december 2018 een verzoek ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank om deze voorziening op te heffen. Er is nog niet beslist op dat verzoek.

3.    MOB en anderen betogen dat er nieuwe feiten en omstandigheden van na de uitspraak van 14 september 2016 zijn die rechtvaardigen dat de planregeling voor het perceel [[locatie] alsnog wordt geschorst. In de eerste plaats wijzen ze er op dat de geuremissiefactoren in de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: Rgv) per 20 juli 2018 zijn aangepast, omdat uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het rendement van de luchtwassers minder is dan waarvan eerder werd uitgegaan. Uitgaande van de nieuwe geuremissiefactoren voldoet de veehouderij volgens hen niet aan de geurnormen in de Wet geurhinder en veehouderij. Weliswaar golden de nieuwe geuremissiefactoren nog niet ten tijde van de vaststelling van het plan, maar volgens MOB en anderen mocht de raad niet uitgaan van de geuremissiefactoren in de destijds geldende Rgv, omdat deze gebaseerd waren op gebrekkige milieutechnische inzichten, zoals uit het wetenschappelijk onderzoek blijkt.

    In de tweede plaats wijzen MOB en anderen op het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882 over de PAS. Volgens hen volgt uit dit arrest dat de PAS niet rechtmatig is. Dat betekent volgens MOB en anderen dat de PAS-melding van [belanghebbende] niet rechtsgeldig is, zodat de raad bij de vaststelling van het plan niet mocht uitgaan van die PAS-melding.

4.    De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat met het verzoek geen spoedeisend belang is gemoeid. Een schorsing van de planrenregeling voor het perceel [[locatie] heeft geen gevolgen voor het onderdeel milieu van de omgevingsvergunning, omdat een bestemmingsplan niet het toetsingskader vormt voor dat onderdeel. Het onderdeel bouwen van de omgevingsvergunning moet wel worden getoetst aan een bestemmingsplan. Een schorsing kan er echter niet aan afdoen dat dat onderdeel moet worden getoetst aan het bestemmingsplan dat op het moment van de beslissing op bezwaar in werking was. Dat was het plan. Ook zal een schorsing er niet toe leiden dat het gemeentebestuur handhavend kan optreden tegen het beoogde gebruik van de stallen vanwege eventuele strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan. De omgevingsvergunning voor bouwen betreft nadrukkelijk het gebruik van de stallen voor het houden van daarbij aangegeven aantallen dieren. Het is vaste rechtspraak dat een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen een titel oplevert het vergunde bouwwerk te gebruiken overeenkomstig het doel waarvoor deze is opgericht (zie daarvoor bijvoorbeeld onder 30.5 van de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1411).

    Nu er geen spoedeisend belang is, zal de voorzieningenrechter in het midden laten of de raad bij de vaststelling van het plan mocht uitgaan van de geuremissiefactoren in de destijds geldende Rgv en of de PAS-melding van [belanghebbende] rechtsgeldig is.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Van Driel Kluit

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2019

703.