Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2145

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
201806562/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2018 heeft het college zijn beslissing om op 15 februari 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem (hierna: de APV) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, € 140,00, voor rekening van [appellant] komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2019/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806562/1/A1.

Datum uitspraak: 3 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Arnhem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2018 heeft het college zijn beslissing om op 15 februari 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem (hierna: de APV) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, € 140,00, voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 30 juli 2018 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2019, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door P.T.F.A. de Boer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een hoeveelheid huishoudelijke afvalstoffen en grofvuil die op 15 februari 2018 aan de openbare weg in de Crauwbeekstraat in Arnhem is aangetroffen. Omdat tussen het huisvuil een document is aangetroffen met de adresgegevens van [appellant], en hij de enige is die op dat adres woont, stelt het college zich op het standpunt dat het huisvuil van hem afkomstig is en dat hij als overtreder van artikel 4.2.2.8 van de APV, in verbinding met artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit artikel 4.2.3.5, derde lid, APV (hierna: het Uitvoeringsbesluit), dient te worden aangemerkt.

2.    [appellant] betwist dat het huis- en grofvuil van hem afkomstig is. Hij wijst erop dat op het document niet zijn naam staat, maar die van een zekere [persoon]. Deze persoon is niet de vorige bewoner van zijn woning en is hem ook verder onbekend. Aangezien het document er niet uitziet als een poststuk, maar als een paklijst van verhuurbedrijf Boels, meent [appellant] dat het college er niet van uit kon gaan dat dit stuk afkomstig is van een postzending aan zijn adres.

[appellant] wijst er bovendien op dat de locatie aan de Crauwbeekstraat, waar het huisvuil is aangetroffen, ruim 10 km van zijn woning ligt. Hij stelt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat hij een grote hoeveelheid huishoudelijk afval naar een plaats 10 km verderop zou brengen, zeker nu vlakbij zijn woning een inzamelvoorziening staat. Het college kon daarom volgens hem niet in redelijkheid aannemen dat het huisvuil van hem afkomstig is.

2.1.    Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

Artikel 5:1, tweede lid, luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

Artikel 4.2.2.8, eerste lid, van de APV luidt: "Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouder te stellen regels over het gebruik van:

a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;

b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel."

Artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit luidt: "Afvalstoffen dienen in een goed gesloten zak in een verzamelcontainer te worden gedeponeerd."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspaak van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2899) zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

2.3.    Het standpunt van het college berust erop dat de aangetroffen afvalstoffen tot [appellant] kunnen worden herleid, omdat het aangetroffen document per post op het adres van [appellant] is bezorgd. Het college betwist niet dat het document een paklijst van verhuurbedrijf Boels is. Uit die paklijst kan echter niet worden opgemaakt of zij per post is verzonden naar het adres van [appellant] of bijvoorbeeld op enig moment is overhandigd aan [persoon], wiens naam op de paklijst staat, bijvoorbeeld bij het afhalen van de goederen.

Dit betekent dat het college de paklijst en daarmee de afvalstoffen niet zonder meer kon herleiden tot [appellant] en dus niet mocht aannemen dat hij de overtreder is. Gelet hierop heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2018 ten onrechte ongegrond verklaard.

Gezien het voorgaande behoeft het betoog van [appellant] met betrekking tot de afstand tussen de locatie aan de Crauwbeekstraat en zijn woning, geen bespreking meer.

Het betoog slaagt.

3.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 30 juli 2018 dient wegens strijd met artikel 5:25, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling zal zelf voorziend het besluit van 7 maart 2018 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem van 30 juli 2018, kenmerk 241560;

III.    herroept het besluit van 7 maart 2018, kenmerk 226446;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Arnhem aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 46,00 (zegge: zesenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Drop    w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2019

270-860.