Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:2020

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2019
Datum publicatie
26-06-2019
Zaaknummer
201804567/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:1649, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2019/8211 met annotatie van M.G.O. De lange
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804567/1/A2.

Datum uitspraak: 26 juni 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 april 2018 in zaak nr. 17/3474 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Lubben, advocaat te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door J.A. Meijerink, vergezeld door mr. P. Scharenborg, werkzaam bij Thorbecke Advies B.V., zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel, kadastraal bekend gemeente Lelystad, sectie […], nr. […]. [appellant] heeft het college bij formulier van 5 oktober 2015 onder andere verzocht hem tegemoet te komen in de planschade die hij lijdt als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "De Groene Velden partiële her-vaststelling artikel 5". Volgens dit bestemmingsplan mag genoemd perceel na splitsing niet kleiner zijn dan 5.000 m². Dat betekent volgens [appellant] dat hij wordt beperkt in zijn gebruiksmogelijkheden.

Besluitvorming

2.    Het college heeft aan zijn besluit van 18 juli 2017 ten grondslag gelegd dat de beperking die het bestemmingsplan "De Groene Velden partiële her-vaststelling artikel 5" met zich brengt voor [appellant] voorzienbaar was op het moment dat hij het perceel kocht op 25 november 2002. Deze beperking wordt namelijk al voorgesteld in een op 7 juni 2001 genomen en op 14 juni 2001 gepubliceerd voorbereidingsbesluit.

Beroep

3.    De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "De Groene Velden partiële her-vaststelling artikel 5" [appellant] in een planologisch nadeliger situatie heeft gebracht, omdat zijn perceel door de planwijziging niet langer onbegrensd, maar slechts in percelen met een minimale grootte van 5.000 m² gesplitst kan worden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door [appellant] geleden schade voor zijn rekening dient te blijven omdat de nadelige planologische wijziging voor hem voorzienbaar was op het moment dat hij zijn perceel kocht.

4.    De rechtbank heeft verder vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het voorbereidingsbesluit van 7 juni 2001 een openbaar en concreet beleidsvoornemen is op grond waarvan voorzienbaarheid van de bestemmingsplanwijziging kan worden aangenomen. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat [appellant] gedurende de periode van 28 mei 2001 tot 25 november 2002 geen juridisch eigenaar was van het perceel. Voor en na deze periode was hij dat wel. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij tijdens deze onderbreking wel economisch eigenaar is gebleven. Volgens de rechtbank heeft [appellant] dit evenwel niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat hij op 25 november 2002 eigenaar van het perceel is geworden. Op dat moment was de planologisch nadelige ontwikkeling voorzienbaar. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade mocht afwijzen.

Hoger beroep

5.    [appellant] komt in hoger beroep op tegen dit oordeel. Volgens [appellant] blijkt uit de door hem overgelegde stukken dat hij in de periode van 28 mei 2001 tot 25 november 2002 economisch eigenaar was van zijn perceel en kan hem daarom geen voorzienbaarheid van de voor hem nadelige planologische wijziging worden tegengeworpen. [appellant] heeft het perceel op 28 mei 2001 op naam van zijn toenmalige partner, [naam toenmalige partner], laten zetten om ervoor te zorgen dat hierop geen beslag kon worden gelegd. Gedurende de periode dat [toenmalige partner] juridisch eigenaar was van het perceel is [appellant] economisch eigenaar gebleven en heeft hij alle kosten, zoals te betalen belastingen, voor zijn rekening genomen. In een onderhandse akte die [appellant] en [toenmalige partner] op 2 januari 2001 hebben opgesteld is bepaald dat [toenmalige partner] het perceel weer aan [appellant] terug zou leveren. Aan deze akte wordt ook gerefereerd in de leveringsaktes die ten behoeve van de overdracht van het perceel zijn opgesteld. Dat de onderhandse akte in deze leveringsaktes ten onrechte een mondelinge overeenkomst wordt genoemd kan [appellant] niet worden aangerekend. Hij mocht ervan uitgaan dat de notaris deskundig was en zorgvuldig handelde en de juiste benaming voor de overeenkomst die hij met [toenmalige partner] had gebruikte. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus [appellant].

5.1.    Uit de notariële akte van levering van 28 mei 2001, verleden door mr. R. van Zwol, notaris te Lelystad, waarbij [appellant] zijn perceel aan [toenmalige partner] heeft geleverd, blijkt niet dat [appellant] na de overdracht van de juridische eigendom van het perceel aan [toenmalige partner] eigenaar is gebleven. In de akte is bepaald dat [toenmalige partner] ertoe is gehouden het perceel, op het moment dat zij dat wil vervreemden, eerst aan [appellant] aan te bieden. In de akte is evenwel niet bepaald dat [appellant] het onvoorwaardelijk recht heeft het perceel van [toenmalige partner] terug te kopen en dat zij verplicht is het perceel op enig door [appellant] gewenst moment aan hem te leveren of dat [toenmalige partner] ertoe gehouden is om, indien [appellant] dat wenst, tot - bijvoorbeeld - splitsing van het perceel over te gaan. Voor zover in de notariële akte niet is weergegeven wat [appellant] had bedoeld, komen de gevolgen hiervan voor risico en rekening van [appellant]. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen ligt de verantwoordelijkheid voor de aktes die hij heeft ondertekend bij hem. Daargelaten of het ertoe doet dat in de notariële akte over een mondelinge en niet over een schriftelijke overeenkomst wordt gesproken, geldt voor de schriftelijke overeenkomst van 2 januari 2001 die [appellant] heeft overgelegd hetzelfde als voor de notariële akte. [appellant] heeft gedurende de periode van 28 mei 2001 tot 25 november 2002 dan ook niet de beschikking over het perceel gehad. Er is alleen al daarom geen reden hem gelijk te behandelen als iemand die in die periode eigenaar was. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college [appellant] voorzienbaarheid kon tegenwerpen.

    Het betoog faalt.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Dijkshoorn

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2019

735.