Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:200

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
201800311/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 15 juni 2016 heeft de raad de voor drie toevoegingen vastgestelde vergoedingen ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800311/1/A2.

Datum uitspraak: 30 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    [appellant sub 1], kantoorhoudend te [plaats],

2.    [appellant sub 2], kantoorhoudend te [plaats],

3.    [de maatschap], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2017 in zaak nr. 17/1888 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2],

de maatschap

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 15 juni 2016 heeft de raad de voor drie toevoegingen vastgestelde vergoedingen ingetrokken.

Bij besluit van 30 januari 2017 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar, voor zover het is gemaakt door [appellant sub 2] en de maatschap, niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover bezwaar is gemaakt door [appellant sub 1], ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de maatschap hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en de maatschap hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2018, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], maten van de maatschap, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. M. Doets, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant sub 1] is rechtsbijstandverlener en neemt deel aan het High Trust-programma, variant steekproefcontrole, van de raad. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door de raad naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden vervolgens achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd.

    [appellant sub 1] vormt samen met [appellant sub 2] [de maatschap]. [appellant sub 1] draagt op basis van een verdeelsleutel die afhankelijk is van zijn omzet bij aan de kosten van de maatschap. De afspraken in het kader van het High Trust-programma zijn gemaakt tussen de raad en [de maatschap].

2.    Op 2 januari 2015 heeft [appellant sub 1] namens [persoon A] een toevoeging aangevraagd in verband met een geschil in bezwaar over verrekening door de Belastingdienst/Toeslagen. De raad heeft de toevoeging met kenmerk 3IM7321 verleend. Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de raad de vergoeding voor [appellant sub 1] naar aanleiding van de op basis van de toevoeging verrichte werkzaamheden op € 856,97 vastgesteld.

    Op 16 februari 2015 heeft [appellant sub 1] namens [persoon B] een toevoeging aangevraagd voor het maken van bezwaar tegen een besluit van de Belastingdienst/Toeslagen over een aanspraak op huurtoeslag. De raad heeft de toevoeging met kenmerk 3IO2636 verleend. Bij besluit van 13 juli 2015 heeft de raad de vergoeding voor door [appellant sub 1] naar aanleiding van de op basis van de toevoeging verrichte werkzaamheden op € 360,00 vastgesteld.

    Op 16 februari 2015 heeft [appellant sub 1] namens [persoon C] een toevoeging aangevraagd voor het maken van bezwaar tegen een besluit van de inspecteur van de Belastingdienst over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting. De raad heeft de toevoeging met kenmerk 3IO2610 verleend. Bij besluit van 10 augustus 2015 heeft de raad de vergoeding voor door [appellant sub 1] naar aanleiding van de op basis van de toevoeging verrichte werkzaamheden op € 376,22 vastgesteld.

3.    Bij afzonderlijke besluiten van 15 juni 2016 heeft de raad na een steekproefcontrole van 9 maart 2016 de voor die drie toevoegingen vastgestelde vergoedingen ingetrokken.

    De raad heeft zich in het besluit van 30 januari 2017, waarbij de besluiten van 15 juni 2016 zijn gehandhaafd, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaar van de raad, op het standpunt gesteld dat het bezwaar, voor zover het door [appellant sub 2] en de maatschap is gemaakt, niet-ontvankelijk is. Zij hebben geen direct belang bij het besluit tot intrekking van de voor een toevoeging vastgestelde vergoeding. De toevoeging wordt aan de rechtsbijstandverlener verstrekt en niet aan de maatschap of de vennootschap waarvoor de rechtsbijstandverlener werkzaam is. Het is ook de rechtsbijstandverlener die de eerder toegekende vergoeding dient terug te betalen. Een eventueel financieel belang van het kantoor waarvoor de rechtsbijstandverlener werkzaam is geeft enkel een afgeleid belang.

    Met betrekking tot de toevoegingen met kenmerken 3IM7321 en 3IO2636 heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de zaak juridisch of feitelijk complex is. De raad heeft zich met betrekking tot toevoeging met kenmerk 3IO2610 op het standpunt gesteld dat het een geschil van feitelijke of rekenkundige aard betreft.    

Toepasselijke regelgeving

4.    De toepasselijke regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroep

Ontvankelijkheid

5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad het bezwaar, voor zover het door [appellant sub 2] en de maatschap is gemaakt, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat zij niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. De belangen van [appellant sub 2] en de maatschap zijn niet rechtstreeks betrokken bij de besluiten tot intrekking van de vergoedingen. De rechtbank heeft in dat verband, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1970), overwogen dat het besluit op een aanvraag tot vaststelling van de vergoeding uitsluitend het belang van de rechtsbijstandverlener betreft en alleen de rechtsbijstandverlener hierbij belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De omstandigheid dat de vergoeding is ingetrokken na een steekproef in het kader van het High Trust-programma van de raad maakt volgens de rechtbank niet dat anderen dan de rechtsbijstandverlener als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. De besluiten tot intrekking van de vergoedingen leiden weliswaar tot aanvullende controle in het kader van de High Trust en kunnen daarmee gevolgen hebben voor [appellant sub 2] en de maatschap, maar dit levert geen rechtstreeks, rechtens relevant, belang op. De mogelijke financiële gevolgen van die besluiten leveren evenmin een rechtstreeks belang op, aldus de rechtbank.

5.1.    [appellant sub 2] en de maatschap betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad het bezwaar, voor zover door hen gemaakt, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Door het sluiten van het "Convenant High Trust" (hierna: het convenant) is de bestuursrechtelijke verhouding gewijzigd, waardoor de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2017, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, niet van toepassing is op deze situatie. Indien tijdens een steekproefcontrole in het kader van het High Trust-programma een toevoeging of vergoeding wordt ingetrokken en als gevolg daarvan een foutmarge van meer dan 5% wordt geconstateerd, worden alle dossiers van het hele kantoor uit de betreffende periode aan een steekproef onderworpen. Het kantoor en al zijn advocaten worden daarmee gebonden aan een volledige controle en de financiële gevolgen daarvan en zij behoren daarmee tot de kring van belanghebbenden van het besluit tot intrekking van de vergoeding. Als een advocaat weigert mee te werken aan een controle zegt de raad het convenant op. Ook hieruit volgt dat [appellant sub 2] en de maatschap belanghebbende zijn bij het besluit tot intrekking van de aan [appellant sub 1] verleende vergoeding. Indien zij niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt, zijn zij in ieder geval derde-belanghebbende.

5.2.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

5.3.    Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat het besluit op een aanvraag tot vaststelling van de vergoeding uitsluitend het belang betreft van de rechtsbijstandverlener (bijvoorbeeld de eerdergenoemde uitspraak van 19 juli 2017). Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2048) volgt dat dit zo moet worden uitgelegd dat een rechtsbijstandverlener steeds belanghebbende is bij een besluit over de vergoeding van door hem verrichte werkzaamheden, maar dat niet is uitgesloten dat ook anderen belanghebbende kunnen zijn bij dat besluit.

    De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of door de invoering van het High Trust-programma van de raad het kantoor van de toegevoegde advocaat en zijn kantoorgenoten tot de kring van belanghebbenden bij een besluit tot intrekking van de aan de toegevoegde advocaat verleende vergoeding behoren.

5.4.    Voor het kantoor waar de toegevoegde advocaat werkzaam is beantwoordt de Afdeling deze vraag bevestigend. Door de afspraken die in het kader van het High Trust-programma tussen de raad en het advocatenkantoor zijn gemaakt ondervindt het kantoor gevolgen van de intrekking van de aan de toegevoegde advocaat verleende vergoeding. Wanneer het foutpercentage van de uitgevoerde steekproef boven de 5% ligt voert de raad een volledige controle uit op alle dossiers uit de betreffende periode. Door het foutief aanvragen van vergoedingen door één van de bij het kantoor aangesloten advocaten kunnen dus alle bij het kantoor aangesloten advocaten aan een steekproef worden onderworpen en worden geconfronteerd met de daarbij behorende financiële gevolgen. Voorts kan de raad de High Trust-samenwerking met het kantoor beëindigen indien deze samenwerking als gevolg van het foutief aanvragen van vergoedingen door één van de bij het kantoor aangesloten advocaten verstoord is geraakt of een in dat verband afgesproken verbetertraject niet het door de raad beoogde resultaat oplevert. Het kantoor wordt aldus rechtstreeks in zijn belangen geraakt door het besluit tot intrekking van de aan de toegevoegde advocaat verleende vergoeding, waardoor het als belanghebbende bij dat besluit kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft gelet hierop ten onrechte geoordeeld dat de raad het bezwaar, voor zover het door de maatschap is gemaakt, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Het betoog slaagt in zoverre.

5.5.    De kantoorgenoten van de toegevoegde advocaat kunnen evenwel niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. De (financiële) gevolgen die de kantoorgenoten van het besluit tot intrekking van de aan de toegevoegde advocaat verleende vergoeding ondervinden vloeien voort uit de contractuele relatie die de kantoorgenoten met het kantoor dan wel de toegevoegde advocaat hebben. Zij worden door het besluit tot intrekking van de vergoeding dus niet rechtstreeks in hun belangen geraakt. Nu de kantoorgenoten geen belanghebbenden zijn, zijn zij evenmin derde-belanghebbenden. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geoordeeld dat de raad het bezwaar, voor zover het door [appellant sub 2] is gemaakt, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Het betoog faalt in zoverre.

6.    Gelet op het voorgaande is het hoger beroep van de maatschap gegrond. De Afdeling zal hierna de overige gronden van het hoger beroep, voor zover het door [appellant sub 1] en de maatschap is ingesteld, beoordelen.

Toevoegbeleid

7.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het beleid van de raad zoals neergelegd in de werkinstructies C030 en F010 niet in strijd is met de Wrb en niet kennelijk onredelijk is. Het beleid leidt niet tot een categoriale afwijzing van toevoegingen in bezwaarzaken met de Belastingdienst en de Belastingdienst/Toeslagen. Per toevoeging wordt beoordeeld of een beroep kan worden gedaan op de uitzonderingsmogelijkheid.

7.1.    [appellant sub 1] en de maatschap betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat werkinstructies C030 en F010 niet in strijd zijn met de Wrb. De Wrb staat het categorisch afwijzen van toevoegingen in fiscale- en toeslagzaken niet toe. [appellant sub 1] en de maatschap betogen voorts dat de uitzonderingsmogelijkheden die in werkinstructies C030 en F010 zijn neergelegd in de praktijk niets voorstellen. Zij voeren daartoe aan dat de steekproefcontroleurs op basis van de werkinstructies op voorhand alle bezwaarzaken met de Belastingdienst en de Belastingdienst/Toeslagen uitsluiten van een toevoeging, als er met de helpdesk wordt gebeld deze zaken nimmer als toevoegingswaardig worden aangemerkt, een aanvraag om een vergoeding via het computersysteem van de raad maar met een beperkt aantal tekens kan worden onderbouwd en het computersysteem niet op basis van deze onderbouwing beoordeelt of de uitzonderingssituatie van toepassing is. Dit betekent dat de rechtsbijstandverlener voor iedere bezwaarprocedure bij de Belastingdienst of de Belastingdienst/Toeslagen op voorhand met de raad in overleg moet gaan over de toevoegingswaardigheid van de zaak. Dit is onwerkbaar en in strijd met de bedoeling van het High Trust-programma.

7.2.    Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet. Bij de beoordeling van de vraag, of een aanvraag een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijs aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, komt de raad beoordelingsruimte toe. In dat kader heeft de raad beleid ontwikkeld, dat is neergelegd in Werkinstructie C030. In die werkinstructie is voor huurtoeslag, zorgtoeslag en kinderopvangtoeslag bepaald dat voor bezwaarzaken met de Belastingdienst/Toeslagen geen toevoeging wordt verstrekt, tenzij de zaak feitelijk en/of juridisch complex is. In het derde lid van artikel 12 van de Wrb is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria. De in artikel 12, derde lid, van de Wrb bedoelde algemene maatregel van bestuur betreft het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt). Op grond van artikel 8 van het Brt wordt geen toevoeging verleend indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor het indienen van een bezwaarschrift in een belastingzaak, indien het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard, tenzij de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist. Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van het Brt heeft de raad werkinstructie F010 opgesteld. In die werkinstructie is voor het indienen van een bezwaarschrift in een belastingzaak, indien het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard, bepaald dat geen toevoeging wordt verleend, tenzij sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid.

7.3.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beleid van de raad, zoals neergelegd in de werkinstructies C030 en F010, niet in strijd is met de Wrb nu dit beleid een uitzonderingsmogelijkheid bevat voor gevallen die feitelijk en/of juridisch complex zijn. Op grond van dit beleid worden, anders dan [appellant sub 1] en de maatschap betogen, toevoegingen dan ook niet categorisch afgewezen in fiscale- en toeslagzaken.

    Voorts is niet gebleken dat de raad zijn beleid in de onderhavige gevallen onjuist heeft toegepast. Nu [appellant sub 1] een beroep doet op de uitzonderingsgrond in de werkinstructies van de raad, is het aan hem om aannemelijk te maken dat de daarin beschreven uitzondering zich voordoet. [appellant sub 1] heeft bij zijn aanvragen om een toevoeging kunnen onderbouwen waarom deze zaken feitelijk en/of juridisch complex zijn. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht is de rechtsbijstandverlener daarbij niet gebonden aan het maximaal aantal tekens dat in de aanvraag kan worden gebruikt, omdat onbeperkt bijlagen bij de aanvraag kunnen worden gevoegd. Die aanvraag wordt in het kader van het High Trust-programma vervolgens zonder inhoudelijke beoordeling ingewilligd. Verder heeft [appellant sub 1] kunnen reageren op het verslag van de steekproefcontroleur en is hij in bezwaar meermalen in de gelegenheid gesteld om stukken te overleggen waaruit de feitelijke en/of juridische complexiteit van de zaken blijkt.     Uitgangspunt van het High Trust-programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Indien een rechtsbijstandverlener twijfelt, bijvoorbeeld over de toevoegingswaardigheid van een zaak, dient hij daarover de daartoe door de raad ingestelde helpdesk om duidelijkheid vragen. Als de helpdesk negatief adviseert is het mogelijk om vooraf een beslissing op de aanvraag te krijgen. Niet gesteld of gebleken is dat [appellant sub 1] in onderhavige zaken de helpdesk heeft geraadpleegd.

7.4.    Het betoog faalt.

Stukken

8.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant sub 1] op grond van het convenant gehouden was om in de bezwaarfase zonder voorbehoud de stukken te verstrekken die de raad voor de beoordeling van de toevoegwaardigheid noodzakelijk acht. Nu hij deze stukken zowel in bezwaar als in beroep niet heeft overgelegd kunnen deze stukken niet in de beoordeling worden betrokken. Dit komt voor zijn rekening en risico.

8.1.    [appellant sub 1] en de maatschap betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad in bezwaar ten onrechte heeft nagelaten ex tunc te toetsen of hij op basis van de tijdens de steekproefcontrole geziene stukken de toevoegingen heeft kunnen intrekken. Uit de afspraken die in het kader van het High Trust-programma zijn gemaakt volgt dat alleen de door de raad verzochte stukken tijdens de steekproef ter beschikking moeten worden gesteld en alleen als dit onvoldoende is de controleur om aanvullende stukken kan vragen. Op basis van de door de steekproefcontroleur van belang geachte stukken kon geen oordeel worden gegeven over de complexiteit van de zaken.

8.2.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7441) vindt ingevolge artikel 7:11 van de Awb op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat het besluit op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar. Er bestaat geen aanleiding om bij de beoordeling van de intrekking van een voor een toevoeging verleende vergoeding op dit uitgangspunt een uitzondering te maken. Hieruit volgt dat de raad bevoegd was om in het kader van de door hem te maken heroverweging stukken op te vragen die het standpunt dat [appellant sub 1] en de maatschap in bezwaar hebben ingenomen ondersteunen. De weigering stukken over te leggen komt voor hun rekening en risico. Verder is het in het kader van het High Trust-programma aan het kantoor om te bepalen of het hele dossier voor de steekproefcontroleur wordt klaargelegd of alleen de stukken die door de steekproefcontroleur van belang worden geacht voor de beoordeling van de toevoegwaardigheid van de zaken.

8.3.    Het betoog faalt.

Toevoeging 3IM7321

9.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zaak waarvoor de toevoeging met kenmerk 3IM7321 is verleend feitelijk of juridisch complex is. De raad heeft volgens de rechtbank in dit kader terecht aangenomen dat de voorlopige voorzieningenprocedure waar [appellant sub 1] op heeft gewezen niet valt onder het bereik van deze toevoeging.

9.1.    [appellant sub 1] en de maatschap betogen tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit het in deze zaak ingediende verzoek om voorlopige voorziening blijkt dat de zaak feitelijk en/of juridisch complex is. [appellant sub 1] en de maatschap hebben het verzoek om voorlopige voorziening waarnaar zij verwijzen niet overgelegd waardoor zij dit betoog onvoldoende hebben onderbouwd.

Toevoeging 3IO2636

10.    De rechtbank heeft overwogen dat het betoog van [appellant sub 1] dat de raad de voor de toevoeging met kenmerk 3IO2636 verleende vergoeding niet in redelijkheid kon intrekken met toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb en artikel 3 van het Brt niet relevant is, omdat de raad de intrekking van de vergoeding heeft gebaseerd op artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de raad deze vergoeding terecht heeft ingetrokken. Ingevolge werkinstructie C030 wordt voor bezwaarprocedures over toeslagen in beginsel geen toevoeging verleend. De rechtsbijstandverlener dient derhalve aannemelijk te maken dat de zaak zodanig complex is dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is. [appellant sub 1] is daar niet in geslaagd, aldus de rechtbank.

10.1.    [appellant sub 1] en de maatschap betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb in dit geval van toepassing is. Zij betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat de zaak zodanig complex is dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is. Zij voeren daartoe aan dat de Belastingdienst/Toeslagen weigerde om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtzoekende toe te sturen, de Belastingdienst/Toeslagen bij de invordering geen rekening hield met de beslagvrije voet en is overgegaan tot verrekening en omdat iemand in de basisregistratie personen op hetzelfde adres stond ingeschreven als de rechtzoekende.

10.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad aan de intrekking van de voor de toevoeging met kenmerk 3IO2636 verleende vergoeding artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb ten grondslag heeft gelegd. De raad heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gebleken van een zodanige feitelijke en/of  juridische complexiteit dat bij uitzondering een toevoeging verstrekt kan worden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat wel sprake is van feitelijke en/of juridische complexiteit, nu [appellant sub 1] en de maatschap ook in hoger beroep geen stukken hebben overgelegd waaruit de complexiteit van de zaak blijkt.

10.3.    Het betoog faalt.

Toevoeging 3IO2610

11.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de zaak een geschil van feitelijke en rekenkundige aard betreft en dat onvoldoende gebleken is van een zodanige feitelijke en/of juridische complexiteit dat een toevoeging verstrekt had moeten worden. Dat een belastingkundige de zaak naar een advocaat heeft doorverwezen leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel.

11.1.    [appellant sub 1] en de maatschap hebben het tegen dit oordeel van de rechtbank gerichte betoog niet onderbouwd zodat het reeds daarom niet kan slagen.

Motiveringsbeginsel

12.    [appellant sub 1] en de maatschap betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad de besluiten die de raad in het kader van de drie ingetrokken vergoedingen heeft genomen onvoldoende heeft gemotiveerd.

12.1.    Vaststaat dat de raad [appellant sub 1] in de bezwaarfase bij herhaling in de gelegenheid heeft gesteld om stukken over te leggen waaruit de feitelijke en/of juridische complexiteit van de zaken blijkt. Nog daargelaten of de raad de besluiten van 15 juni 2016 voldoende heeft gemotiveerd, heeft hij, gelet op de weigering van [appellant sub 1] stukken over te leggen, in ieder geval in het besluit van 30 januari 2017 voldoende gemotiveerd waarom de zaken niet feitelijk en/of juridisch complex zijn.

    Het betoog faalt.

Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel en beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid

13.    [appellant sub 1] en de maatschap betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 30 januari 2017 in strijd is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en de artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Verder hebben [appellant sub 1] en de maatschap een beroep gedaan op de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Het van een toevoeging uitsluiten van alle bezwaarprocedures tegen besluiten van de inspecteur van de Belastingdienst is volgens [appellant sub 1] en de maatschap in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voorts komt door het gesloten stelsel van rechtsbescherming in de fiscaliteit het afdwingen van een toevoeging voor een rechtelijke instantie in gevaar. Dat voor een toevoeging voor bezwaarprocedures tegen besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen eerst moet worden aangetoond dat sprake is van juridische en/of feitelijke complexiteit is in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Dit maakt het voor de burger onmogelijk of uiterst moeilijk om de door het Unierecht verleende rechten in bezwaarprocedures tegen de Belastingdienst/Toeslagen doeltreffend de kunnen afdwingen, aldus [appellant sub 1] en de maatschap.

13.1.    [appellant sub 1] en de maatschap hebben dit betoog en de daaraan ten grondslag liggende feiten voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant sub 1] en de maatschap dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

Conclusie

14.    Het hoger beroep van de maatschap is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de maatschap. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 30 januari 2017 van de raad alsnog in zoverre gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover het bezwaar, voor zover het door de maatschap is gemaakt, niet-ontvankelijk is verklaard. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

15.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [de maatschap] gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2017 in zaak nr. 17/1888, voor zover daarbij het beroep van [de maatschap] ongegrond is verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [de maatschap] gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 30 januari 2017, kenmerk CdJ, voor zover de raad het bezwaar, voor zover het door [de maatschap] is gemaakt, niet-ontvankelijk heeft verklaard;

V.    verklaart het bezwaar, voor zover het door [de maatschap] is gemaakt, ongegrond;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 30 januari 2017;

VII.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VIII.    gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [de maatschap] het griffierecht ten bedrage van € 676,00 (zegge: zeshonderdzesenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Komduur

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019

809. BIJLAGE

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 12

1. (…)

2.  Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

(…)

g. het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria.

Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria

Artikel 8

1. Geen toevoeging wordt verleend indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor:

(…)

e. het indienen van een bezwaarschrift in een belastingzaak, indien het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard;

(…)

2. In afwijking van het eerste lid kan een toevoeging worden verleend, indien de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist.

Werkinstructie F010 Belastingrecht

Je verstrekt geen toevoeging indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor ( artikel 8 lid 1 sub d, e en f Brt ):

•het doen van belastingaangifte;

•het indienen van een bezwaarschrift in een belastingzaak, indien het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard ( artikel 28 Wrb aantekening 19 HT);

•voor het vragen van kwijtschelding van een belastingschuld.

Tenzij er sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid ( artikel 8 lid 2 Brt ).

Werkinstructie 030 Sociale voorzieningen - overige geschillen

Huurtoeslag, zorgtoeslag en kinderopvangtoeslag

Voor het aanvragen van een toeslag of bezwaar tegen een beslissing op het verzoek verstrek je geen toevoeging, rechtzoekende kan dit zelf ( artikel 8 lid 1 sub b Brt , artikel 12 lid 2 sub g Wrb). Dit geldt ook voor bezwaar tegen een beslissing van een bestuursorgaan waar rechtzoekende niet om heeft verzocht (ambtshalve beslissing). De toevoegingsaanvraag wijs je af met tekstcode 130.

Als de advocaat bij de aanvraag gemotiveerd aangeeft dat de zaak zodanig feitelijk en/of juridisch complex is dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is kun je bij hoge uitzondering een toevoeging verstrekken. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een geschil over kinderopvangtoeslag waarbij het gastouderbureau/ bemiddelingsbureau een wanordelijke boekhouding heeft gevoerd.