Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1957

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2019
Datum publicatie
26-06-2019
Zaaknummer
201902845/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2017, [locatie 2]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902845/2/R1.

Datum uitspraak: 20 juni 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], beiden wonend te Hedel, gemeente Maasdriel,

2.    [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B], beiden wonend te Hedel, gemeente Maasdriel,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Maasdriel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2017, [locatie 2]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] beroep ingesteld. [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 11 juni 2019, waar [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], vertegenwoordigd door mr. R.E. Izeboud, advocaat te Breda, [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. G.C. de Vries en ing. S. Bosch, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. H.M.F.F. Verbeet, rechtsbijstandverlener te Vianen, [gemachtigde C] en [gemachtigde D].

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    [belanghebbende] exploiteert een groothandel in aardappelen en uien en een fabriek waarin aardappelen worden verwerkt tot producten die onder meer aan supermarkten worden geleverd. Het bedrijf van [belanghebbende] is thans gevestigd in de gemeente Hedel op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3].

    [verzoeker sub 1B], [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] wonen in de woonwijk de Grutakker in de nabije omgeving van het bedrijf van [belanghebbende]. Ook [verzoeker sub 1A] woont in de nabije omgeving van het bedrijf van [belanghebbende]. Zij vrezen voor een ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat en een verkeersonveilige situatie. De reden daarvoor is dat het plan de uitbreiding van het bedrijf van [belanghebbende] mogelijk maakt met een productiehal met een oppervlakte van 4.550 m2 op het perceel [locatie 4], dat ongeveer 10.500 m2 groot is. Voorheen was op dit perceel een bedrijf gevestigd waarvan de activiteiten bestonden uit een grondbank annex bouwstoffenhandel, verhuur van materieel en aannemingswerkzaamheden.

    [belanghebbende] wil op korte termijn beginnen met de bouw van de nieuwe productiehal, omdat volgens haar een reëel risico bestaat dat zij anders klanten verliest. Zij moet desgevraagd voldoen aan vraagpieken in situaties waarin supermarkten om extra producten vragen. [belanghebbende] heeft op dit moment niet de benodigde productiecapaciteit om snel te kunnen voldoen aan die vraagpieken, terwijl de inkoopmacht van de inkopers voor de supermarkten zo groot is dat zij zich kunnen permitteren over te schakelen op een andere leverancier als de gevraagde producten niet snel genoeg worden geleverd. Ook is volgens [belanghebbende] de nieuwe productiehal nodig om te kunnen voldoen aan strengere normen op het gebied van de voedselveiligheid.

    [belanghebbende] heeft in het verleden beroepsprocedures gevoerd tegen  bestemmingsplannen voor de woonwijk de Grutakker. De Afdeling heeft die bestemmingsplannen gedeeltelijk vernietigd bij uitspraken van 23 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8304 en 8 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9749. Uiteindelijk is in het in het bestemmingsplan "Hedel herziening 2014" alsnog woningbouw mogelijk gemaakt op de percelen waarop de vernietigingen zagen.

Locatiekeuze

3.    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] betogen dat de keuze om het bedrijf van [belanghebbende] uit te laten breiden op het perceel [locatie 4] in strijd is met gemeentelijk en provinciaal beleid, omdat dat beleid erop is gericht dat uitbreiding van grootschalige bedrijven plaatsvindt op bedrijventerreinen. De raad heeft volgens hen niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij van dit beleid is afgeweken. Zij wijzen er op dat onderzoeken naar alternatieve locaties ontbreken. Volgens hen is bedrijventerrein Kampen-Noord in Hedel een geschikte alternatieve locatie voor het bedrijf van [belanghebbende]. Weliswaar is de kavelgrootte op dat bedrijventerrein in beginsel maximaal 5.000 m2, terwijl [belanghebbende] beduidend meer nodig heeft, maar een grotere kavelgrootte dan 5.000 m2 kan worden toegestaan als de noodzaak daarvoor is aangetoond. Volgens [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] is het plan ook in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

3.1.    Het is niet in geschil dat de keuze om het bedrijf van [belanghebbende] uit te laten breiden op het [locatie 4] in strijd is met het gemeentelijk beleid. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afwijken van het gemeentelijk beleid, gelet op de toelichting van de raad dat andere geschikte locaties ontbreken. De raad heeft toegelicht dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat verplaatsing van het gehele bedrijf van [belanghebbende] in één keer waarbij het bedrijf tegelijkertijd zou worden uitgebreid praktisch en financieel niet haalbaar is. Ook is onderzocht of het mogelijk is om de huidige bedrijfsvoering gefaseerd te verplaatsen naar een nieuwe locatie. De regionale bedrijventerreinen in Tiel en Zaltbommel zijn afgevallen, omdat de potentiële nieuwe locatie of locaties op korte afstand gelegen moeten zijn van de huidige locatie vanwege de onderlinge verbondenheid en bijbehorende transportbewegingen. Vervolgens is gekeken naar verschillende locaties in de directe omgeving, waaronder het bedrijventerrein Kampen-Noord. Dit bedrijventerrein valt volgens de raad af, omdat op basis van regionale afspraken de maximale grootte van een bedrijfsperceel op dat bedrijventerrein 5.000 m2 is. Weliswaar kan een grotere perceelsgrootte dan 5.000 m2 op dat bedrijventerrein worden toegestaan als de noodzaak daarvoor is aangetoond, maar de raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de verplaatsing van het gehele bedrijf van [belanghebbende] naar dat bedrijventerrein niet reëel is. De huidige oppervlakte van het bedrijf van [belanghebbende] is namelijk aanzienlijk groter dan 5.000 m2. De huidige oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van [belanghebbende] bedraagt 13.000 m2 op een terrein van ongeveer 50.000 m2 nog zonder de door [belanghebbende] gewenste uitbreiding. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de realisering van alleen de uitbreiding op het bedrijventerrein Kampen-Noord, voor zover mogelijk, onwenselijk is, omdat dat zou leiden tot meer vrachtwagenbewegingen in Hedel tussen de verschillende locaties van [belanghebbende]. Bovendien heeft [belanghebbende] toegelicht dat het bij twee productielocaties noodzakelijk is om onder meer twee technische diensten en twee kwaliteitsdiensten aan te houden, wat bedrijfseconomisch niet haalbaar is.

    Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de raad de locatiekeuze voor de uitbreiding van [belanghebbende] en de afwijking van het gemeentelijk beleid voldoende heeft gemotiveerd. Dat het plan in strijd zou zijn met het provinciale beleid of artikel 3.16, tweede lid, van het Bro is niet aannemelijk gemaakt.

Geluid

4.    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] betogen dat het plan zal leiden tot ernstige geluidoverlast. Zij stellen dat in het akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai ten onrechte er geen rekening mee is gehouden dat vrachtverkeer van en naar [belanghebbende] twee keer langs hun woningen rijdt. De vrachtwagens komen en gaan langs de Akkerseweg en de Grutakker, terwijl de vrachtwagens voorheen wegreden via het centrum van Hedel. Volgens hen is het ook niet geloofwaardig dat het aantal vrachtwagenbewegingen niet zal verdubbelen. Verder betwijfelen zij of de verkeerstellingen die de raad in november en december 2018 heeft laten verrichten een representatief beeld geven van het huidige aantal vrachtwagenbewegingen op de Akkerseweg. Volgens [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] is het akoestisch onderzoek naar het industrielawaai ook niet met de vereiste zorgvuldigheid verricht. Zij verwijzen daarbij naar een aantal kritische kanttekeningen die Kraag Akoestisch Bureau Adviesbureau bij dit onderzoek heeft geplaatst.

4.1.    In het akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai staat dat het aantal vrachtwagenbewegingen over de Akkerseweg als gevolg van het plan per saldo zal toenemen met 2 bewegingen in de dagperiode, 12 bewegingen in de avondperiode en 8 bewegingen in de nachtperiode.

4.2.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een relevante verslechtering van het wegverkeerslawaai op de Akkerseweg ten opzichte van de bestaande situatie. In het akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai wordt geconcludeerd dat het wegverkeerslawaai op enkele relevante meetpunten met 0,3 tot 0,4 dB(A) toeneemt. Dit kan niet worden aangemerkt als een ernstige verslechtering van het woon- en leefklimaat. De voorzieningenrechter laat in het midden of de verkeerstellingen die de raad heeft laten verrichten een representatief beeld geven, aangezien het akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai niet is gebaseerd op het aantal verkeersbewegingen dat uit deze tellingen naar voren komt, maar op een verkeersmodel van de gemeente voor het jaar 2025. In dat model is er rekening mee gehouden dat vrachtverkeer van en naar [belanghebbende] twee keer langs woningen aan de Akkerseweg rijdt.

    De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat het aantal vrachtwagenbewegingen op de Akkerseweg per saldo zal toenemen, maar dat het om een beperkte toename gaat. Verder wordt de toename van het aantal vrachtwagenbewegingen van en naar [belanghebbende] gedeeltelijk gecompenseerd door het wegvallen van de vrachtwagenbewegingen van en naar het bedrijf dat voorheen op het perceel [locatie 4] was gevestigd.

    Over het akoestisch onderzoek naar het industrielawaai overweegt de voorzieningenrechter dat voor de beoordeling of dit onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid is verricht, nadere bestudering nodig is waarvoor deze procedure zich niet leent. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding om een voorlopige voorzieningen te treffen. De voorzieningenrechter acht namelijk aannemelijk dat [belanghebbende] - indien dat nodig mocht blijken - haar bedrijfsvoering kan wijzigen of extra maatregelen tegen geluidoverlast kan nemen om te voldoen aan de geluidnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Geur

5.    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] vrezen dat het plan zal leiden tot ernstige geuroverlast. Volgens hen zijn in het geuronderzoek ten onrechte niet al hun woningen betrokken. Ook is volgens hen in het plan onvoldoende verzekerd dat [belanghebbende] maatregelen zal nemen tegen geuroverlast. [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] stellen verder dat in het geuronderzoek niet met alle relevante geurbronnen rekening is gehouden. Volgens hen is ten onrechte geen rekening gehouden met de niet afgedekte buitenopslag van slib en aardappelloof, zogeheten tarragrond, terwijl deze opslag wel tot geuroverlast kan leiden.

5.1.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot ernstige geuroverlast. In het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat de bestaande geurhinder van 1,25 ou E /m3 bij het 98-percentiel als gevolg van het bedrijf van [belanghebbende] niet zal toenemen als een geurreductietechniek met een rendement van 98% wordt toegepast of als gebruik wordt gemaakt van een schoorsteen van 35 m hoog. Anders dan [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] stellen, zijn hun woningen in het geuronderzoek betrokken, aangezien in het geuronderzoek geurcontouren zijn berekend waaruit kan worden opgemaakt welke woningen binnen die contouren liggen. In het geuronderzoek is geen rekening gehouden met de opslag van tarragrond. [belanghebbende] heeft op de zitting gesteld dat deze opslag niet tot geuroverlast leidt. De voorzieningenrechter laat in het midden of de opslag van tarragrond door [belanghebbende] tot geuroverlast leidt. Ook als dat het geval is, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de opslag van tarragrond een significante bijdrage levert aan de geuroverlast als gevolg van [belanghebbende], omdat de tarragrond wordt opgeslagen op het achterste gedeelte van het terrein van [belanghebbende] achter de bebouwing op een afstand van ten minste ongeveer 215 m tot de woningen van [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B]. Het is verder niet van belang of in het plan voldoende is verzekerd dat [belanghebbende] maatregelen zal nemen tegen geuroverlast, omdat [belanghebbende] op grond van artikel 3.140 van het Activiteitenbesluit milieubeheer al verplicht is om maatregelen te nemen om nieuwe geurhinder te voorkomen. Daarin is bepaald dat een inrichting voor het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken, zoals [belanghebbende], uitsluitend wordt opgericht of uitgebreid in capaciteit indien nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige objecten door die oprichting of uitbreiding wordt voorkomen. Overigens is namens [belanghebbende] ter zitting aangegeven dat in de nieuw op te richten productiehal afdoende maatregelen voor geurreductie kunnen en zullen worden getroffen.

Verkeersveiligheid

6.    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] vrezen dat het plan zal leiden tot een ernstige verslechtering van de verkeersveiligheid op de wegen Akkerseweg en de Grutakker. Zij stellen dat het wegprofiel van deze twee wegen te smal is voor twee vrachtwagens om elkaar goed te kunnen passeren waardoor dit voor overige verkeersdeelnemers, met name fietsers en voetgangers, tot onveilige situaties leidt. Ter ondersteuning hiervan hebben [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] een brief van Veilig Verkeer Nederland van 16 mei 2019 overgelegd waarin wordt geconcludeerd dat het verhoudingsgewijs drukke vrachtverkeer op de Akkerseweg voor onveiligheid zorgt voor het fietsverkeer. Aangeraden wordt van de weg een 30 km-zone te maken.

6.1.    De raad heeft toegelicht dat de Akkerseweg en de Grutakker een breedte hebben van ongeveer 6 m. Dat is net voldoende voor twee vrachtwagens om elkaar te passeren. Weliswaar is deze breedte niet ideaal uit een oogpunt van verkeersveiligheid, maar het is geen nieuwe situatie. Ook in de bestaande situatie rijden er al vrachtwagens over de Akkerseweg en de Grutakker. De verkeerssituatie verandert niet wezenlijk door de beperkte toename van het aantal vrachtwagens als gevolg van de realisering van de nieuwe productiehal van [belanghebbende]. Daarbij komt dat de toename vooral zal plaatsvinden in de avond- en nachtperiode, in welke periode het fietsverkeer ter plaatse beperkt zal zijn. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de raad in redelijkheid ervan uit heeft kunnen gaan dat het plan niet zal leiden tot een verslechtering van de verkeersveiligheid ten opzichte van de bestaande situatie. Overigens is namens de raad ter zitting gesteld dat het gemeentebestuur van plan is om aan de noordkant van de woonwijk de Grutakker een ontsluiting te realiseren voor het langzame verkeer, zodat het langzame verkeer van en naar deze woonwijk niet meer gebruik hoeft te maken van de Akkerseweg en de Grutakker.

Parkeren

7.    [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] vrezen dat het plan zal leiden tot ernstige parkeeroverlast, omdat volgens hen op het terrein van [belanghebbende] nauwelijks ruimte zal overblijven om te parkeren.

8.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot parkeeroverlast. In artikel 9, lid 9.3, van de planregels is, kort samengevat, bepaald dat in overeenstemming met de gemeentelijke parkeernormen voldoende ruimte voor parkeerplaatsen moet worden gerealiseerd. In artikel 3, lid 3.2.2, onder b, is bepaald dat het bebouwde oppervlakte van de bedrijfsgebouwen op de percelen [locatie 4], [locatie 1] en [locatie 2] in totaal niet meer mag bedragen dan 15.000 m2. De oppervlakte van deze percelen is ongeveer 32.000 m2. Hieruit volgt dat slechts een gedeelte van deze percelen mag worden bebouwd. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat op het terrein van [belanghebbende], inclusief het perceel [locatie 3], niet voldoende ruimte aanwezig is om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren.

Conclusie

9.    De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de bedrijfsuitbreiding van [belanghebbende] aan de [locatie 4]. De voorzieningenrechter wijst daarom hun verzoeken af.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Van Driel Kluit

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2019

703.