Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1947

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
201708737/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Oude Maas" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2019/97 met annotatie van H.J. de Vries
NJB 2019/1675
Milieurecht Totaal 2019/6992
JBO 2019/236 met annotatie van Meijden, D. van der
JOM 2019/711
ABkort 2019/352
OGR-Updates.nl 2019-0120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708737/1/R3.

Datum uitspraak: 19 juni 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Heinenoord, gemeente Hoeksche Waard,

2.    de gemeente Barendrecht, het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht en de raad van de gemeente Barendrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: de gemeente Barendrecht),

3.    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te Barendrecht,

4.    [appellant sub 4], wonend te Barendrecht,

5.    [appellant sub 5], wonend te Heinenoord, gemeente Hoeksche Waard,

6.    [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Barendrecht,

7.    Stichting Wind van Voren, gevestigd te Barendrecht, en anderen,

8.    Vereniging van Chaleteigenaren Rivierpark de Oude Maas (hierna: Rivierpark de Oude Maas), gevestigd te Barendrecht,

9.    Verenigingen van Eigenaren van appartementencomplex "Duykerzight" en Belangenvereniging Duykerzight (hierna tezamen en in enkelvoud: Duykerzight), beide gevestigd te Barendrecht,

10.    [appellant sub 10], wonend te Barendrecht,

appellanten,

en

1.    de raad van de gemeente Binnenmaas, thans: Hoeksche Waard,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas, thans: Hoeksche Waard (hierna: het college),

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Oude Maas" (hierna: het plan) vastgesteld.

Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft het college aan Eneco Wind B.V. (hierna: Eneco Wind) een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend voor twee windturbines met bijbehorende kraanopstelplaatsen en bekabeling in het windpark Oude Maas.

Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft het college aan POG-REF Windparken B.V. (hierna: POG-REF) een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van de Wabo verleend voor drie windturbines met bijbehorende kraanopstelplaatsen en bekabeling in het windpark Oude Maas.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid.

Tegen één of meer van deze besluiten hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad en het college hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Een aantal partijen heeft een zienswijze daarop naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft op 15 november 2018 - gevoegd met de zaken 201709167/1/R3, 201807375/1/R3 en 201703385/1/R3 - ter zitting uitsluitend de beroepsgronden behandeld die betrekking hebben op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., ECLI:EU:C:2016:816. Ter zitting van 15 november 2018 is een aantal partijen verschenen of heeft zich laten vertegenwoordigen. Ook verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen. Voorts zijn Eneco Wind en POG-REF en de minister van Infrastructuur en Waterstaat ter zitting als partij gehoord.

De overige beroepsgronden heeft de Afdeling ter zitting behandeld op 4 december 2018. Ter zitting is een aantal partijen verschenen of heeft zich laten vertegenwoordigen. Ook verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen. Voorts zijn Eneco Wind en POG-REF ter zitting als partij gehoord.

Overwegingen

INLEIDING

1.    De bestreden besluiten maken de oprichting van het windpark Oude Maas met bijbehorende voorzieningen mogelijk. Het windpark bestaat uit vijf windturbines met een maximale ashoogte van 128,5 m, een maximale rotordiameter van 140 m en een maximale tiphoogte van 187 m. De windturbines hebben een beoogd gezamenlijk vermogen van 15 tot 20 MW, afhankelijk van het gekozen windturbinetype. Het windpark ligt langs de rivier de Oude Maas ten westen van Heinenoord. De twee windturbines ten westen van de Heinenoordtunnel worden geëxploiteerd door Eneco Wind. De drie windturbines ten oosten van de Heinenoordtunnel worden geëxploiteerd door POG-REF.

Met het windpark wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de doelstelling voor de opwekking van duurzame energie uit het Nationaal Energieakkoord. De Structuurvisie Windenergie op land bevat als uitwerking daarvan de doelstelling om voor 2020 in de daarvoor aangewezen gebieden grootschalige windprojecten te realiseren met een vermogen van in totaal 6.000 MW. Daarvan moet 735,5 MW in de provincie Zuid-Holland worden gerealiseerd. In de Structuurvisie zijn binnen Zuid-Holland het Havengebied Rotterdam en de randzone van Goeree-Overflakkee aangewezen als gebieden voor grootschalige windenergie. Om aan de provinciale taakstelling voor Zuid-Holland te voldoen, zijn daarnaast in de Visie Ruimte en Mobiliteit (hierna: VRM) bij de actualisatie die op 14 december 2016 door provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld locaties voor kleinere windparken aangewezen. De locatie Oude Maas in de Hoeksche Waard is een van deze locaties.

2.    Het windpark is planologisch mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan. Ter uitvoering van het bestemmingsplan zijn omgevingsvergunningen verleend voor bouwen en voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling uit artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

3.    Appellanten verzetten zich tegen de aanleg van het windpark. Het merendeel van de appellanten woont in Heinenoord of aan de zuidkant van Barendrecht of komt op voor de belangen van deze bewoners. Enkele appellanten hebben een recreatiewoning op het chaletpark Rivierpark de Oude Maas, dat ten zuiden van Barendrecht langs de Oude Maas ligt. Rivierpark de Oude Maas komt op voor de belangen van de eigenaren van recreatiewoningen op het chaletpark.

Alle appellanten voeren beroepsgronden aan over het bestemmingsplan. Een aantal appellanten voert daarnaast beroepsgronden aan over de omgevingsvergunningen.

OPZET UITSPRAAK

4.    De Afdeling zal hierna als eerste vermelden welke beroepsgronden te laat zijn ingediend en welke beroepsgronden ter zitting zijn ingetrokken. Vervolgens zal zij ingaan op de ontvankelijkheid van de beroepen (overwegingen 8-15) en het toetsingskader voor de beoordeling van de bestreden besluiten (overwegingen 16-18). Vervolgens worden de beroepsgronden behandeld die zijn gericht tegen het plan en de omgevingsvergunningen. Hierbij zullen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde komen:

- bevoegdheid tot vaststelling van het bestemmingsplan en verlening van de omgevingsvergunningen (overwegingen 19-20)

- toepassing coördinatieregeling (overweging 21)

- procedurele beroepsgronden (overwegingen 23-25)

- objectiviteit en uitgangspunten onderzoeken (overweging 26)

- milieueffectrapportage (overwegingen 27-28)

- draagvlak (overweging 29)

- nut en noodzaak (overwegingen 30-32)

- locatiekeuze (overwegingen 33-36)

- type en omvang van de windturbines (overwegingen 37-39)

- D’Oultremont (overwegingen 40-41)

- geluid (overwegingen 42-62)

- slagschaduw en lichtschittering (overwegingen 63-65)

- overige beroepsgronden over gezondheidseffecten (overwegingen 66-69)

- trilling (overweging 70)

- veiligheid en radarverstoring (overwegingen 71-76)

- verkeer (overweging 77)

- bodem en grondwater (overweging 78)

- natuur (overwegingen 79-95)

- aantasting bos- en recreatiegebied (overweging 96)

- aantasting landschappelijke en cultuurhistorische waarden (overwegingen 97-103)

- overige beroepsgronden over gevolgen voor het woon- en leefklimaat, waardedaling en belangenafweging (overwegingen 104-108)

- schaarse rechten (overweging 109)

- financiële uitvoerbaarheid van het plan (overwegingen 110-113)

- herhaling zienswijzen (overweging 114)

Aan het einde van de uitspraak staat de conclusie (overwegingen 116-117).

5.    De relevante regelgeving is opgenomen in de uitspraak dan wel in de bijlage bij deze uitspraak. De in de bijlage opgenomen regelgeving is de regelgeving zoals die gold ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

OMVANG VAN HET GEDING

Te laat ingediende beroepsgronden

6.    De windturbines in het windpark hebben een beoogd gezamenlijk vermogen van 15 tot 20 MW. Uit artikel 1.1, eerste lid, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), in samenhang met onderdeel 1.2 van bijlage I en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, volgt dat afdeling 2 van de Chw van toepassing is op de bestreden besluiten.

Uit artikel 1.6a van de Chw volgt dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd.

6.1.    [appellant sub 6] heeft in zijn nadere stuk van 23 november 2018 betoogd dat de schijn van partijdigheid is gewekt doordat de raad zich bij de besluitvorming heeft gebaseerd op adviezen en onderzoeken van Bosch & Van Rijn, terwijl dat bureau in deze zaak ook in opdracht van de initiatiefnemers heeft gewerkt. [appellant sub 6] heeft hierover in het beroepschrift geen gronden aangevoerd. Het betoog over de schijn van partijdigheid is daarom een nieuwe beroepsgrond ten opzichte van het beroepschrift. Deze beroepsgrond moet, gelet op artikel 1.6a van de Chw, buiten inhoudelijke bespreking blijven.

Ingetrokken beroepsgronden

7.    De gemeente Barendrecht heeft ter zitting een aantal beroepsgronden ingetrokken. Dit zijn in de eerste plaats de betogen dat de ontheffing op grond van de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening) niet met het ontwerpplan ter inzage is gelegd en dat de ontheffing en de bijbehorende stukken niet zijn opgenomen in de plantoelichting. Daarnaast heeft de gemeente Barendrecht de beroepsgronden over slagschaduw en obstakelverlichting ingetrokken.

[appellant sub 6] heeft ter zitting de beroepsgrond over alternatieve vormen van duurzame energieopwekking ingetrokken.

[appellant sub 1] heeft de beroepsgrond over de onderbouwing van de noodzaak van de verhoging van de tiphoogte naar 187 m ter zitting ingetrokken.

ONTVANKELIJKHEID

Wind van Voren en anderen

8.    De raad en het college betogen dat het beroep van Wind van Voren en anderen niet-ontvankelijk is, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 7A], [appellant sub 7B] en de stichting Wind van Voren. Deze appellanten zijn volgens hen geen belanghebbenden bij de bestreden besluiten. De raad en het college stellen in dit verband dat de stichting Wind van Voren geen feitelijke werkzaamheden verricht ter behartiging van haar statutaire doelstellingen.

9.    Uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat uitsluitend belanghebbenden beroep kunnen instellen tegen de bestreden besluiten. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

9.1.    Bij de beantwoording van de vraag of omwonenden belanghebbenden zijn, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer (hierna: uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer), hanteert de Afdeling voor windparken op land als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Daarnaast gaat de Afdeling ervan uit dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel geen andere gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten, zoals geluid- of slagschaduwhinder van enige betekenis.

9.2.    Ter zitting hebben Wind van Voren en anderen betoogd dat toepassing van het criterium van tien keer de tiphoogte als afstand waarbuiten in beginsel geen gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten de toegang tot de rechter voor omwonenden te zeer beperkt. Die beperking is volgens hen in strijd met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: het Verdrag van Aarhus) en richtlijn 2003/35/EG die strekt tot uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag. Uit het Verdrag van Aarhus volgt volgens Wind van Voren en anderen namelijk dat het "betrokken publiek" dat gevolgen ondervindt van het bestreden besluit geacht wordt belanghebbende te zijn bij dat besluit en dat het betrokken publiek een ruime toegang tot de rechter moet worden verleend. Volgens hen moet daarom bij de beantwoording van de vraag of een omwonende belanghebbende is bij de besluitvorming over een windpark niet zonder meer worden aangesloten bij het criterium van tien keer de tiphoogte.

9.3.    Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1546, onder 3.1, heeft overwogen, heeft de wetgever bij het instellen van beroep de eis gesteld dat sprake dient te zijn van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang, teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief bepaalbaar, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

De Afdeling wijst daarnaast op haar uitspraak van 21 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO7407. Daaruit volgt, voor zover hier van belang, dat het stellen van de eis dat een particulier die toegang tot de bestuursrechter wil verkrijgen een rechtstreeks betrokken belang moet hebben, in overeenstemming is met (de implementatie van) het Verdrag van Aarhus. De Afdeling ziet in hetgeen Wind van Voren en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding op dit punt thans tot een ander oordeel te komen.

9.4.    Ter beoordeling staat daarom of [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] een rechtstreeks betrokken belang hebben bij de bestreden besluiten. De bestreden besluiten maken windturbines met een tiphoogte van maximaal 187 m mogelijk. Dit betekent dat de Afdeling ervan uitgaat dat op een afstand van meer dan 1.870 m geen gevolgen van enige betekenis van de windturbines zullen worden ondervonden. [appellant sub 7A] woont op een afstand van meer dan 3.000 m van de dichtstbijzijnde windturbine. [appellant sub 7B] woont op een afstand van meer dan 5.000 m van de dichtstbijzijnde windturbine. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan op deze afstand gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht. Dat deze appellanten gebruik maken van het recreatiegebied nabij het voorziene windpark, zoals ter zitting is gesteld, is hiervoor niet voldoende. Gelet hierop hebben [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] hebben geen rechtstreeks betrokken belang bij de bestreden besluiten, zodat zij geen belanghebbenden daarbij zijn.

10.    De stichting Wind van Voren heeft als statutaire doelstelling het verzorgen van de informatievoorziening betreffende de gevolgen en risico’s van de plaatsing van windturbines in een dicht bewoond gebied en in natuur- en recreatiegebied, alsmede het ondernemen van (juridische) acties om het plaatsen van windturbines te voorkomen en voorts al hetgeen in de ruimste zin met een en ander verband houdt, daartoe behoort en/of daartoe bevorderlijk kan zijn. De stichting beschermt volgens de statuten de leefomgeving van Barendrecht en directe omgeving; onder de doelstelling valt het behouden en het verbeteren van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de flora en fauna, de kwaliteit van het milieu waaronder de lucht, de bodem en het water, de verkeersveiligheid, veiligheid in het algemeen en de gezondheid van mensen. Ook streeft de stichting er volgens de statuten naar een waarheidsgetrouwe en op de laatste wetenschappelijke inzichten gebaseerde bron van informatie te zijn voor omwonenden en gebruikers van het betreffende gebied. De Afdeling stelt vast dat de algemene belangen die de stichting volgens de statutaire doelstellingen behartigt, worden geraakt door de bestreden besluiten.

Ter zitting is toegelicht dat de feitelijke werkzaamheden van de stichting voornamelijk bestaan uit het geven van voorlichting over windturbines en de gevolgen daarvan. Hiervoor maakt de stichting gebruik van een website, voorlichtingsavonden en het publiceren van artikelen. Naar het oordeel van de Afdeling omvatten de feitelijke werkzaamheden daarmee - anders dan de raad en het college hebben betoogd - meer dan alleen het in rechte opkomen tegen besluiten. De stichting kan daarom worden aangemerkt als belanghebbende bij de bestreden besluiten.

11.    Gelet op het voorgaande is het beroep van Wind van Voren en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B].

Rivierpark de Oude Maas

12.    De raad en het college betogen dat het beroep van Rivierpark de Oude Maas niet-ontvankelijk is.

13.    De raad en het college betogen dat Rivierpark de Oude Maas geen belanghebbende is, omdat de belangen die deze vereniging volgens haar statuten behartigt niet rechtstreeks zijn betrokken bij de bestreden besluiten. De statutaire doelstellingen van Rivierpark de Oude Maas zijn volgens de raad en het college niet gericht op de bescherming van het leefklimaat.

13.1.    Rivierpark de Oude Maas heeft als statutaire doelstelling het behartigen van de financiële, economische en maatschappelijke belangen van de gezamenlijke chaleteigenaren van het "Rivierpark de Oude Maas" in Barendrecht, onder meer in de verhouding met de beheerder en/of het recreatiepark en de eigenaar en/of de grondeigenaar van de grond waarop de chalets zich bevinden, en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Uit deze doelstelling blijkt dat Rivierpark de Oude Maas opkomt voor de belangen van de chaleteigenaren op het recreatiepark.

Rivierpark de Oude Maas brengt door het optreden in rechte in dit geval een bundeling van rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken individuele belangen tot stand waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijk optreden van een groot aantal individuele natuurlijke personen die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 24 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI9672, kunnen de in artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht in de aldus tot stand gebrachte bundeling van individuele belangen. Rivierpark de Oude Maas kan daarom als belanghebbende bij de bestreden besluiten worden aangemerkt.

14.    Daarnaast betogen de raad en het college dat de personen die namens Rivierpark de Oude Maas beroep hebben ingesteld daartoe niet bevoegd waren. Zij stellen dat het bestuur van de vereniging alleen met goedkeuring van de algemene ledenvergadering in rechte kan optreden.

14.1.    De raad en het college hebben op dit punt verwezen naar artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de statuten van Rivierpark de Oude Maas. Daarin is bepaald dat de vereniging haar statutaire doel onder meer tracht te bereiken door in naam van de leden verplichtingen aan te gaan en tevens voor en namens een of meer leden in rechte op te treden, zowel eisend als verwerend, na goedkeuring van de algemene ledenvergadering.

14.2.    Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de statuten van Rivierpark de Oude Maas gaat over het optreden in rechte voor en namens een of meer leden van de vereniging. Het beroep van Rivierpark de Oude Maas is echter niet voor of namens een of meer leden ingesteld, maar namens de vereniging als zodanig, die als vereniging een bundeling van individuele belangen bewerkstelligt. Daarop is artikel 10, eerste lid, van de statuten van toepassing. Daarin is bepaald dat het bestuur de vereniging vertegenwoordigt en dat deze vertegenwoordigingsbevoegdheid mede toekomt aan twee gezamenlijk handelende bestuursleden. Het beroepschrift van Rivierpark de Oude Maas is ondertekend door voorzitter [appellant sub 4] en [secretaris]. Zij waren samen bevoegd om namens de vereniging beroep in te stellen.

15.    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om het beroep van Rivierpark de Oude Maas niet-ontvankelijk te verklaren.

TOETSINGSKADER

16.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

17.    Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo dient het college uitsluitend te beoordelen of zich voor de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, een van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend en als dat wel zo is, moet deze, als de strijdigheid met artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo niet wordt weggenomen, worden geweigerd.

18.    Het eerste lid van artikel 2.14 van de Wabo bevat de toetsingsgronden voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet. Het bevat gronden die in ieder geval bij de beslissing moeten worden betrokken, gronden waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden en gronden die in ieder geval in acht moeten worden genomen. Ingevolge het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Dit betekent dat het college een zekere beoordelingsruimte heeft of een omgevingsvergunning al dan niet, in het belang van de bescherming van het milieu, moet worden geweigerd.

BEVOEGDHEID TOT VASTSTELLING VAN HET BESTEMMINGSPLAN EN VERLENING VAN DE OMGEVINGSVERGUNNINGEN

Bestemmingsplan

19.    Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht betogen dat de raad niet bevoegd was een bestemmingsplan vast te stellen. Volgens hen volgt uit artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 dat alleen provinciale staten bevoegd zijn om een plan vast te stellen voor een windpark met een capaciteit tussen de 5 en 100 MW. Wind van Voren en anderen betogen dat de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015,  ECLI:NL:RVS:2015:1702, over het windpark Autena op dit punt niet juist is. Volgens hen volgt uit artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 en de memorie van toelichting bij die bepaling dat provinciale staten exclusief bevoegd zijn. Ook uit artikel 9f, eerste en tweede lid, leiden zij af dat de bestuursorganen van de gemeente geen bevoegd gezag kunnen zijn.

Voor zover de bevoegdheid van provinciale staten om een plan vast te stellen wel overdraagbaar zou zijn, kan deze bevoegdheid volgens Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht niet bij overeenkomst aan het gemeentebestuur worden overgedragen, maar alleen door middel van een delegatiebesluit. Volgens Wind van Voren en anderen volgt dit ook uit artikel 107, eerste lid, van de Provinciewet. Zij wijzen er daarnaast op dat de Provinciewet procedurele eisen stelt aan het nemen van een delegatiebesluit en dat instemming van provinciale staten is vereist. De gemeente Barendrecht stelt bovendien dat de bevoegdheid in de overeenkomst niet aan de raad is overgedragen, maar aan het college van burgemeester en wethouders. Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht betogen daarnaast dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 stelt aan de overdracht van de bevoegdheid, omdat redelijkerwijs niet valt te verwachten dat delegatie aan de raad de besluitvorming in dit geval in betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden.

19.1.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 mei 2015 over het windpark Autena onder 4.2 geoordeeld dat uit artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 niet volgt dat provinciale staten exclusief bevoegd zijn tot het vaststellen van een plan ten behoeve van een windpark met een capaciteit van 5 tot 100 MW. De raad blijft eveneens bevoegd tot het vaststellen van een plan dat voorziet in een dergelijk windpark op het grondgebied van zijn gemeente, zo heeft de Afdeling geoordeeld. Daarbij heeft de Afdeling vermeld dat dit eveneens volgt uit artikel 9e, tweede lid, waarin staat dat provinciale staten in ieder geval van hun bevoegdheid gebruik moeten maken indien de raad een verzoek tot vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan ten behoeve van een dergelijk windpark heeft afgewezen.

19.2.     In de verwijzing van Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht naar artikel 9f van de Elektriciteitswet 1998 ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Artikel 9f van de Elektriciteitswet 1998 heeft betrekking op het voorbereiden, nemen en bekendmaken van de besluiten die zijn aangewezen op grond van artikel 9d, eerste lid, van die wet. Dit zijn de besluiten die zijn vermeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten. In artikel 1 zijn de zogenoemde uitvoeringsbesluiten vermeld die benodigd zijn om een windpark te realiseren. Het besluit van de raad tot het vaststellen van een bestemmingsplan is niet een dergelijk uitvoeringsbesluit. Artikel 9f van de Elektriciteitswet 1998 is daarom niet van toepassing bij de beantwoording van de vraag of de raad bevoegd was om voor het windpark Oude Maas een bestemmingsplan vast te stellen.

19.3.    Nu zowel provinciale staten als de raad bevoegd zijn tot vaststelling van een ruimtelijk plan voor een windpark zoals hier aan de orde, is geen sprake van een overdracht van deze bevoegdheid aan de raad. De vraag of die bevoegdheid in dit geval op de juiste manier aan de raad is overgedragen hoeft daarom niet te worden beantwoord.

19.4.    De betogen falen.

Omgevingsvergunningen

20.    Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht voeren aan dat het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas niet het bevoegd gezag was voor de verlening van de omgevingsvergunningen voor het windpark. Volgens hen komt deze bevoegdheid toe aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland en is die bevoegdheid niet op geldige wijze overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders.

Wind van Voren en anderen betogen dat de bevoegdheid van het college van gedeputeerde staten niet bij overeenkomst aan het gemeentebestuur kan worden overgedragen, maar alleen door middel van een delegatiebesluit. Wind van Voren en anderen wijzen in dat verband ook op artikel 107, eerste lid, van de Provinciewet. Die bepaling stelt volgens hen bovendien procedurele eisen aan het nemen van een delegatiebesluit en vereist instemming van provinciale staten. Verder betogen Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 stelt aan de overdracht van de bevoegdheid, omdat redelijkerwijs niet valt te verwachten dat delegatie aan het college van burgemeester en wethouders de besluitvorming in dit geval in betekenende mate zal versnellen.

20.1.    Voor windparken waarop artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 van toepassing is, is het uitgangspunt dat het college van gedeputeerde staten de voorbereiding en bekendmaking van de uitvoeringsbesluiten coördineert en bevoegd is om deze besluiten te nemen. Dit volgt uit artikel 9f, eerste en tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998.

De bevoegdheidsregeling uit artikel 9f, tweede lid, vormt een uitzondering op de algemene wettelijke bevoegdheidsregeling die voor het verlenen van omgevingsvergunningen is neergelegd in onder meer artikel 2.4 van de Wabo. Artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 biedt voor het college van gedeputeerde staten de mogelijkheid om te bepalen dat het eerste of tweede lid niet van toepassing is. Als het college van gedeputeerde staten bepaalt dat artikel 9f, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 niet van toepassing is, ziet het college af van het overnemen van de bevoegdheid tot vergunningverlening van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan en is de algemene bevoegdheidsregeling zoals die onder meer is neergelegd in de Wabo weer van toepassing.

20.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1064, onder 20.1, over windlocatie Battenoord (hierna: de uitspraak over windlocatie Battenoord), is het afzien van het overnemen van een bevoegdheid van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan geen delegatie en overdracht van bevoegdheid als bedoeld in artikel 107 van de Provinciewet. Als het college van gedeputeerde staten toepassing geeft aan artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998, zijn de vereisten die in artikel 107 van de Provinciewet zijn gesteld aan een overdracht van de bevoegdheid door het provinciebestuur aan het gemeentebestuur daarom niet van toepassing.

20.3.    In dit geval heeft het college van gedeputeerde staten artikel 9f, eerste en tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 buiten toepassing verklaard in zijn brief van 27 maart 2014.

Vóór 1 april 2016 werd in artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 alleen het eerste lid genoemd. Artikel 9f, zesde lid, zoals dat vóór 1 april 2016 luidde, moet echter zo worden gelezen, dat het college van gedeputeerde staten bevoegd was de coördinatie over te dragen aan het college van burgemeester en wethouders én daarmee ook de bevoegdheid tot het nemen van de daarbij benodigde besluiten over te laten aan het college van burgemeester en wethouders, waarmee ook het tweede lid buiten toepassing blijft. De Afdeling verwijst op dit punt naar haar uitspraak van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803, over het windpark Westerse Polder, onder 5.1.

20.4.    Artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 kan alleen worden toegepast als, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid - dat wil zeggen coördinatie door het college van gedeputeerde staten - de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden.

De Afdeling stelt voorop dat dit moet worden beoordeeld op basis van de situatie zoals die was op het moment dat tot toepassing van artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 werd besloten. Eventuele latere vertraging in de besluitvorming is daarom niet van betekenis. Naar het oordeel van de Afdeling is in dit geval voldaan aan de voorwaarde dat redelijkerwijs niet was te verwachten dat coördinatie door het college van gedeputeerde staten de besluitvorming in betekenende mate zou versnellen. Daarbij is van belang dat het windpark op het grondgebied van slechts één gemeente - namelijk de toenmalige gemeente Binnenmaas - zou komen te liggen, dat de raad en het college van die gemeente wilden meewerken aan de realisatie van het windpark, dat op gemeentelijk niveau ook gecoördineerde besluitvorming mogelijk was en dat kan worden aangenomen dat het gemeentebestuur meer specifieke kennis heeft over de lokale situatie.

20.5.    Gelet op het voorgaande was het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag voor de verlening van de omgevingsvergunningen. De betogen falen.

TOEPASSING COÖRDINATIEREGELING

21.    Bij de voorbereiding van de bestreden besluiten is toepassing gegeven aan de coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro. De raad heeft hiertoe besloten bij besluit van 20 februari 2017.

21.1.    De gemeente Barendrecht betoogt dat de raad niet had mogen besluiten om de coördinatieregeling uit de Wro toe te passen. Volgens haar is de raad er ten onrechte van uitgegaan dat de Elektriciteitswet 1998 hiervoor een grondslag biedt. De gemeente Barendrecht betoogt dat uit artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 volgt dat alleen provinciale staten bevoegd zijn om een plan voor het aanleggen en uitbreiden van een windpark met een vermogen van 5 tot 100 MW voor te bereiden en vast te stellen. Bovendien maakt de Coördinatieverordening Wro gemeente Binnenmaas 2013 (hierna: de coördinatieverordening) gecoördineerde voorbereiding volgens de gemeente Barendrecht niet mogelijk als er een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Volgens de gemeente Barendrecht geldt dit laatste ook voor de omgevingsvergunningen.

21.2.    Uit hetgeen onder 19 en 20 is overwogen, volgt dat de raad bevoegd was om een bestemmingsplan vast te stellen en dat er in dit geval geen verplichting tot coördinatie op provinciaal niveau bestond. Daarom staat alleen nog ter beoordeling of de raad mocht besluiten om op gemeentelijk niveau de coördinatieregeling uit artikel 3.30 van de Wro toe te passen.

21.3.    Op grond van artikel 3.30, eerste lid, van de Wro kan de raad zowel gevallen als categorieën van gevallen aanwijzen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van andere besluiten. In de gemeentelijke coördinatieverordening zijn categorieën van gevallen aangewezen waarin de coördinatieregeling wordt toegepast. Dat betekent echter niet dat de raad daarnaast geen specifieke gevallen voor coördinatie meer mocht aanwijzen. De raad heeft met zijn coördinatiebesluit van 20 februari 2017 het windpark Oude Maas aangewezen als geval als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, van de Wro. Daarom is niet van belang of het windpark ook valt onder een van de categorieën van gevallen die zijn aangewezen in de coördinatieverordening.

Het betoog faalt.

PROCEDURELE BEROEPSGRONDEN

22.    Duykerzight voert aan dat zij geen reactie op haar inspraakreactie over het voorontwerp van het bestemmingsplan heeft ontvangen, terwijl in de ontvangstbevestiging was vermeld dat zij zo snel mogelijk nader bericht zou ontvangen. Zij stelt ook dat zij in afwachting van die reactie aanvankelijk geen zienswijze over het ontwerpplan heeft ingediend en daardoor slechts weinig tijd heeft gehad voor het indienen van een zienswijze.

22.1.    De Awb en de Wro bevatten procedureregels voor de totstandkoming van een bestemmingsplan. Die regels gaan over de fase vanaf het moment waarop een ontwerpplan ter inzage wordt gelegd. In dit geval is eerst een voorontwerpplan ter inzage gelegd. De Awb en de Wro bevatten geen regels over de inspraak over voorontwerpplannen. De raad heeft dan ook niet in strijd gehandeld met de wettelijke regels over de bestemmingsplanprocedure. Onder omstandigheden kan de manier waarop met een inspraakreactie over het voorontwerp wordt omgegaan echter wel in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Naar het oordeel van de Afdeling is dat hier niet het geval. De Afdeling overweegt daartoe het volgende.

De inspraakreactie van Duykerzight over het voorontwerpplan is niet afzonderlijk beantwoord, maar is vanwege het grote aantal inspraakreacties gebundeld behandeld in de "Nota inspraak en vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro voorontwerpbestemmingsplan en M.E.R. ‘Windpark Oude Maas’". De raad stelt dat de nota digitaal aan Duykerzight is toegestuurd, maar Duykerzight stelt dat zij deze niet heeft ontvangen. Wat daarvan ook zij, uit de stukken blijkt dat de nota in ieder geval als bijlage met het ontwerpplan ter inzage is gelegd. Duykerzight kon dus al aan het begin van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen over het ontwerpplan kennis nemen van de beantwoording van de inspraakreacties over het voorontwerp.

Het betoog faalt.

23.    Bij besluit van 30 mei 2017 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland met toepassing van artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening, zoals dat voor 1 april 2019 luidde, ontheffing verleend van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Verordening, zoals dat voor 1 april 2019 luidde. Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] voeren aan dat de verleende ontheffing ten onrechte niet tijdig met het ontwerpplan ter inzage is gelegd. Volgens hen heeft dit stuk niet vanaf het begin van de termijn ter inzage gelegen.

23.1.    In artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is het volgende bepaald: "Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage."

23.2.    Het besluit tot verlening van een ontheffing van de Verordening is een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling van het ontwerpplan. Dit besluit moest daarom met het ontwerpplan ter inzage worden gelegd.

De ontheffing is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl, gepubliceerd als een van de bijlagen bij het ontwerpplan. Niet gebleken is dat dit stuk pas later op de landelijke voorziening is geplaatst. Daarnaast is niet gebleken dat de ontheffing niet vanaf het begin van de termijn met het ontwerpplan en de overige stukken op het gemeentehuis van de toenmalige gemeente Binnenmaas ter inzage heeft gelegen. Het betoog mist feitelijke grondslag.

24.    [appellant sub 5] voert aan dat de raad de zienswijze die hij over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht slechts algemeen heeft beantwoord en onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken.

Duykerzight voert eveneens aan dat de raad onvoldoende is ingegaan op de ingediende zienswijzen over het ontwerpplan. Daarnaast is volgens haar tijdens de mondelinge behandeling van de zienswijzen in de vergadering van de raadscommissie niet serieus ingegaan op de zienswijzen.

24.1.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. In hetgeen Duykerzight heeft aangevoerd over de mondelinge behandeling van de zienswijzen ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan op dit punt onzorgvuldig is voorbereid.

De betogen falen.

25.    Wind van Voren en anderen betogen dat de besluiten zijn voorbereid in strijd met het Verdrag van Aarhus.

Ter zitting hebben Wind van Voren en anderen in het bijzonder naar voren gebracht dat het plan en de omgevingsvergunningen gedeeltelijk zijn gebaseerd op beslissingen over de locatiekeuze die al bij de vaststelling van de Verordening zijn genomen. Volgens hen is daardoor geen reële inspraak geboden op een moment dat alle opties nog open waren.

Wind van Voren en anderen stellen in verband met het Verdrag van Aarhus verder dat het Compensatieplan Natuurnetwerk Nederland (hierna: het compensatieplan) ten onrechte niet met de ontwerpbesluiten ter inzage is gelegd. Daarnaast stellen zij dat actuele gegevens en concrete metingen ontbreken en dat daarom geen doeltreffende toegang tot volledige en actuele informatie over het milieu is geboden. Dit geldt volgens hen in het bijzonder voor informatie over geluidhinder en de hinderlijkheid van windturbinegeluid.

25.1.    De Afdeling begrijpt het betoog over reële inspraak op een moment dat alle opties nog open waren zo, dat Wind van Voren en anderen zich beroepen op artikel 6, vierde, lid van het Verdrag van Aarhus.

Artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus stemt inhoudelijk overeen met artikel 6, vierde lid, van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26; hierna: de mer-richtlijn). Omdat deze richtlijn in dit geval van toepassing is, zal verder in het midden worden gelaten of aan het Verdrag van Aarhus in zoverre rechtstreekse werking toekomt. De Afdeling verwijst op dit punt naar haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 27.

De Afdeling heeft in overweging 28 van die uitspraak geoordeeld dat artikel 6, vierde lid, van de mer-richtlijn correct is geïmplementeerd in het nationale recht, omdat uit de nationale regelgeving neergelegd in de Wet milieubeheer, de Wro en de Awb volgt dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan of ontwerpbesluit met inbegrip van het milieueffectrapport. De Afdeling heeft verder overwogen dat op het moment dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan of ontwerpbesluit met inbegrip van het milieueffectrapport, nog geen beslissing over het ontwerpplan of ontwerpbesluit is genomen. Inspraak over het ontwerpplan of ontwerpbesluit is naar het oordeel van de Afdeling vroegtijdige inspraak op een moment dat alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Dit betekent dat Wind van Voren en anderen zich niet rechtstreeks kunnen beroepen op artikel 6, vierde lid, van de mer-richtlijn.

Vervolgens toetst de Afdeling of aan de nationaalrechtelijke bepalingen over inspraak is voldaan. Het ontwerpplan en de ontwerpbesluiten hebben met ingang van 26 juni 2017 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De kennisgeving van de terinzagelegging is gepubliceerd in de Staatscourant en in een lokaal huis-aan-huisblad. De ontwerpbesluiten en de daarop betrekking hebbende stukken konden in het gemeentehuis van Binnenmaas en op internet worden geraadpleegd. Zoals hiervoor is overwogen, treffen de beroepsgronden over gebreken in de terinzagelegging geen doel. Dit geldt ook voor het betoog dat het compensatieplan niet met het ontwerpplan en de ontwerpbesluiten ter inzage is gelegd. Uit de stukken blijkt namelijk dat versie 1.0 van het compensatieplan van 14 juni 2017 met de ontwerpen ter inzage is gelegd. Niet gebleken is dat de raad en het college op het moment van de terinzagelegging beschikten over een recentere versie van het compensatieplan. Voor het overige is niet in geschil dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan, zodat een ieder de mogelijkheid heeft gehad om door het indienen van een mondelinge of schriftelijke zienswijze zijn reactie op de ontwerpbesluiten te geven.

25.2.    Voor zover Wind van Voren en anderen betogen dat in strijd met het Verdrag van Aarhus geen doeltreffende toegang tot volledige en actuele informatie over het milieu is geboden, omdat actuele gegevens en metingen ontbreken, overweegt de Afdeling het volgende.

De Afdeling ziet in hetgeen Wind van Voren en anderen hebben aangevoerd in zijn algemeenheid geen aanleiding voor het oordeel dat de milieuinformatie die bij de voorbereiding van de bestreden besluiten is gebruikt en ter inzage is gelegd onvoldoende actueel is. Daarbij is mede van belang dat het milieueffectrapport en alle daarbij behorende onderzoeken in 2017 zijn opgesteld. Voor zover het informatie betreft over geluid, laagfrequent geluid en de gevolgen daarvan voor de gezondheid, verwijst de Afdeling naar hetgeen hierna bij de bespreking van de beroepsgronden over die onderwerpen wordt overwogen.

De artikelen 4 en 5 van het Verdrag van Aarhus zijn door de Europese Unie als verdragspartij omgezet in Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (PB 2003, L 041). Wind van Voren en anderen hebben hun betoog niet verder geconcretiseerd, maar de Afdeling begrijpt het betoog zo dat Wind van Voren en anderen zich in het bijzonder beroepen op artikel 8 van Richtlijn 2003/4/EG. In het eerste lid van die bepaling is - in aanvulling op het Verdrag van Aarhus - bepaald dat de lidstaten er, voor zover mogelijk, voor zorgen dat door hen of op hun verzoek samengestelde informatie actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

De artikelen 4 en 5 van het Verdrag van Aarhus en artikel 8 van Richtlijn 2003/4/EG zijn in het Nederlandse recht niet zo geïmplementeerd dat hieruit volgt dat de desbetreffende milieuinformatie ter inzage gelegd moet worden bij de voorbereiding van besluiten, maar zijn geïmplementeerd in de  Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 5 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2931, kan de vraag naar de rechtstreekse werking van bepalingen van een richtlijn alleen rijzen in gevallen van incorrecte implementatie of indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd. Artikel 8 van Richtlijn 2003/4/EG is geïmplementeerd in artikel 2 van de Wob. Niet is gebleken dat deze bepaling, voor zover hier van belang, op incorrecte wijze is geïmplementeerd. Hetgeen Wind van Voren en anderen hebben aangevoerd geeft ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze implementatie niet correct is. De Afdeling zal daarom toetsen of aan deze nationaalrechtelijke bepaling is voldaan.

In artikel 2, eerste lid, van de Wob is bepaald dat een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie verstrekt overeenkomstig deze wet en daarbij uitgaat van het algemeen belang van openbaarheid van informatie. In het tweede lid is bepaald dat het bestuursorgaan er zo veel mogelijk zorg voor draagt dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

De Afdeling overweegt dat artikel 2 van de Wob betrekking heeft op het verstrekken van informatie aan het publiek. Artikel 2 van de Wob bepaalt echter niets over de manier waarop het bevoegd gezag de desbetreffende milieuinformatie moet gebruiken bij zijn besluitvorming. Het betoog kan daarom niet slagen.

25.3.    De  betogen falen.

OBJECTIVITEIT EN UITGANGSPUNTEN ONDERZOEKEN

26.    [appellant sub 10] betoogt dat de onderzoeken van Bosch & Van Rijn die aan het plan ten grondslag zijn gelegd niet objectief zijn, omdat ze in opdracht van de initiatiefnemers zijn uitgevoerd.

Wind van Voren en anderen betogen dat de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid is gewekt en dat de raad en het college hiermee in strijd met artikel 2:4 van de Awb hebben gehandeld. In de eerste plaats voeren zij aan dat de raad en het college zich bij de besluitvorming hebben gebaseerd op adviezen en onderzoeken van Bosch & Van Rijn, terwijl dat bureau in deze zaak ook in opdracht van de initiatiefnemers heeft gewerkt. Daarnaast stellen zij dat Bosch & Van Rijn te veel invloed heeft gehad op de inhoud van de besluiten. In dit verband hebben Wind van Voren en anderen onder meer gesteld dat Bosch & Van Rijn het milieueffectrapport en de plantoelichting heeft opgesteld en dat door de initiatiefnemers en de gemeente, met begeleiding van Bosch & Van Rijn, gezamenlijk naar een doel is toegewerkt zonder dat van kritische toetsing sprake is geweest. Materieel zijn de besluiten volgens hen vrijwel volledig tot stand gekomen onder invloed van de initiatiefnemers en Bosch & Van Rijn als hun adviseur. Ter ondersteuning van hun betoog hebben Wind van Voren en anderen correspondentie overgelegd tussen medewerkers van de gemeente, Bosch & Van Rijn en de initiatiefnemers.

26.1.    Ten behoeve van het plan en het milieueffectrapport zijn verschillende onderzoeken gedaan door Bosch & Van Rijn. Het milieueffectrapport en de plantoelichting zijn eveneens door dit bureau opgesteld.

26.2.    Volgens de raad en het college is Bosch & Van Rijn een gespecialiseerd adviesbureau dat veel ervaring heeft met de ontwikkeling van windparken. Bosch & Van Rijn heeft in samenwerking met de initiatiefnemers en verweerders het plan en het milieueffectrapport opgesteld. Dit maakt volgens de raad en het college echter niet dat dit bureau partijdig is. Zij stellen dat het milieueffectrapport is getoetst door de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage. Het plan en de omgevingsvergunningen zijn tevens beoordeeld door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en de stukken zijn voorgelegd aan verschillende bestuursorganen zoals Rijkswaterstaat, het waterschap en de Veiligheidsregio Zuid-Holland. Daarnaast hebben verweerders twee externe bureaus om onafhankelijk advies gevraagd; een van die bureaus heeft ook het milieueffectrapport beoordeeld. De raad en het college zijn van mening dat de onderzoeken en adviezen deugdelijk zijn en dat deze stukken daarom aan het plan en de omgevingsvergunningen ten grondslag konden worden gelegd. Verweerders bestrijden verder dat Bosch & Van Rijn de inhoud van de besluiten heeft bepaald. Volgens de raad en het college hebben zij hierover zelfstandig beslist.

26.3.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 44.2, is het enkele feit dat onderzoeken zijn uitgevoerd in opdracht van het bevoegd gezag of de initiatiefnemer van een project geen reden om op voorhand te twijfelen aan de juistheid en de objectiviteit van de inhoud van die onderzoeken. Dat Bosch & Van Rijn zowel in opdracht van de initiatiefnemers als van verweerders onderzoek heeft uitgevoerd, is naar het oordeel van de Afdeling evenmin een reden om de juistheid en de objectiviteit van de inhoud van de onderzoeken op voorhand te betwijfelen. Dat geldt te meer nu verweerders de onderzoeksrapporten van Bosch & Van Rijn ook door andere instanties en bureaus hebben laten beoordelen. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen Wind van Voren en anderen en [appellant sub 10] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad en het college de door Bosch & Van Rijn opgestelde onderzoeksrapporten niet aan het plan en de omgevingsvergunningen ten grondslag hadden mogen leggen. Voor zover Wind van Voren en anderen concrete bezwaren naar voren hebben gebracht over de juistheid van de inhoud van de onderzoeksrapporten van Bosch & Van Rijn, zal de Afdeling daarop ingaan bij de behandeling van de beroepsgronden over de desbetreffende onderwerpen, zoals geluid.

26.4.    Uit de uitspraak van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141 over het windpark Spui (hierna: uitspraak over het windpark Spui), onder 9.1, volgt dat de enkele omstandigheid dat het bevoegd gezag zich bij het nemen van het bestreden besluit heeft laten adviseren door een adviesbureau dat ook werkzaamheden verricht voor de initiatiefnemer op zichzelf onvoldoende is om aan de onpartijdigheid van het bevoegd gezag te twijfelen of om vooringenomenheid van het bevoegd gezag aan te nemen. De omstandigheid dat de raad en het college bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het windpark Oude Maas gebruik hebben gemaakt van de onderzoeken van Bosch & Van Rijn, dat ook werkzaamheden verricht voor de initiatiefnemers, is op zichzelf dan ook onvoldoende om aan te nemen dat in dit geval de schijn van partijdigheid is gewekt.

Ter beoordeling staat of in dit geval niettemin de schijn van partijdigheid is gewekt, gelet op de rol die Bosch & Van Rijn en de initiatiefnemers volgens Wind van Voren en anderen in het besluitvormingsproces hebben gehad. De Afdeling stelt hierbij, onder verwijzing naar overweging 9.1 van de uitspraak over het windpark Spui, voorop dat er bij een samenwerking tussen het bestuursorgaan en de initiatiefnemer dan wel de adviseur van de initiatiefnemer die dezelfde ontwikkeling voorstaan, in beginsel van moet worden uitgegaan dat ieder van hen zijn eigen verantwoordelijkheid behoudt.

Uit de correspondentie die Wind van Voren en anderen bij hun nadere stuk van 23 november 2018 hebben overgelegd blijkt dat tussen de initiatiefnemers, Bosch & Van Rijn en de gemeente sprake is geweest van een nauwe samenwerking waarbij veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden. Uit de overgelegde correspondentie kan naar het oordeel van de Afdeling echter niet worden afgeleid dat de raad en het college bij de besluitvorming hun eigen verantwoordelijkheid hebben miskend. Zo kan uit de overgelegde correspondentie bijvoorbeeld niet worden afgeleid dat onderzoeksresultaten bewust onjuist zijn weergegeven, dat sprake is geweest van een samenspanning of dat bepaalde gegevens bewust niet zijn verstrekt. Ook overigens hebben Wind van Voren en anderen naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat Bosch & Van Rijn feitelijk de inhoud van de besluiten hebben bepaald. Dat de raad en het college gebruik hebben gemaakt van adviezen en onderzoeken van Bosch & Van Rijn en dit bureau teksten hebben laten opstellen, betekent niet dat verweerders niet zelfstandig een besluit hebben genomen over de inhoud van het plan en de omgevingsvergunningen.

26.5.    De betogen falen.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

27.    Volgens de gemeente Barendrecht is in het milieueffectrapport en de onderzoeken die in dat kader zijn opgesteld ten onrechte niet uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Zij stelt dat bij het bepalen van de milieueffecten is uitgegaan van een ashoogte van 117 m, terwijl het plan een ashoogte van 128,5 m mogelijk maakt. De gemeente Barendrecht betoogt dat de raad bij de voorbereiding van het plan op dit punt ten onrechte geen aanvullend onderzoek heeft gedaan.

27.1.    De raad stelt dat in de onderzoeken per milieuaspect rekening is gehouden met het worstcasescenario. Dat is niet in alle gevallen een windturbine met de grootst mogelijke ashoogte. Volgens de raad is, waar relevant, ook rekening gehouden met een ashoogte tot 130 m.

27.2.    Uit de stukken blijkt dat onder meer voor de aspecten geluid, slagschaduw en externe veiligheid rekening is gehouden met een ashoogte van maximaal 130 m. De gemeente Barendrecht heeft niet nader aangeduid voor welke milieuaspecten in de onderzoeken een type windturbine met een ashoogte van minder dan 128,5 m is gehanteerd en waarom dat volgens haar voor die milieuaspecten niet is te beschouwen als worstcasescenario. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat in het milieueffectrapport en de bijbehorende onderzoeken niet is uitgegaan van een invulling van de mogelijkheden van het plan die voor de onderzochte milieuaspecten het meest ongunstig is. Wat de gemeente Barendrecht heeft aangevoerd geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat de milieugevolgen van het plan in deze onderzoeken zijn onderschat.

Het betoog faalt.

28.    [appellant sub 10], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas stellen dat de feitelijke situatie onjuist en misleidend is weergegeven in de stukken. Dit geldt met name voor de visualisaties van de windturbines. De windturbines zijn hierop volgens hen te klein weergegeven.

28.1.    Volgens de raad zijn de visualisaties op de gebruikelijke wijze uitgevoerd en zijn de windturbines daarbij op de juiste schaal ingetekend. De raad stelt dat niet is uitgegaan van het blikveld van een mens, omdat dat zo breed is dat er nauwelijks nog informatie op de visualisaties zichtbaar zou zijn. De visualisaties geven volgens de raad daardoor niet een te beperkte voorstelling, maar geven de windturbines juist eerder nadrukkelijker weer dan ze in werkelijkheid worden waargenomen.

28.2.    De Afdeling gaat ervan uit dat appellanten doelen op de visualisaties die als bijlage 4 bij het MER zijn gevoegd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de visualisaties een beeld geven van wat er te verwachten is en wat de verschillen tussen de alternatieven zijn. Niet gebleken is dat de raad zich bij de beoordeling van de effecten van het windpark op bijvoorbeeld het landschap alleen heeft laten leiden door de visualisaties. De Afdeling gaat er daarom van uit dat de visualisaties niet doorslaggevend zijn geweest voor de besluitvorming. Gelet hierop hoeft de vraag of de visualisaties in alle opzichten een juiste weergave geven niet te worden beantwoord.

Het betoog faalt.

DRAAGVLAK

29.    Wind van Voren en anderen en Duykerzight betogen dat er onvoldoende draagvlak voor het windpark bestaat. Wind van Voren en anderen stellen dat uit onderdeel 4.2.1 van het Energieakkoord volgt dat onder meer overheden actief moeten bijdragen aan de versterking van het maatschappelijk draagvlak. Bij de besluitvorming is volgens hen echter ten onrechte geen aandacht geschonken aan het draagvlak.

29.1.    De raad stelt dat bij de besluitvorming rekening is gehouden met de ingebrachte zienswijzen. Daarnaast is een afstand van ten minste 900 m tot woonkernen aangehouden en is bij de positionering van de windturbines rekening gehouden met onder meer natuurwaarden en nabijgelegen woningen. Om het draagvlak voor het windpark te vergroten heeft de raad de Verordening Regiofonds Hoeksche Waard vastgesteld. Windenergieprojecten storten eenmalig € 15.000 per MW in dit fonds. Verder is de Nota Fondsen Ruimtelijke Ontwikkelingen vastgesteld, waarin is opgenomen dat de exploitanten van de windturbines een eenmalige bijdrage van € 10.000 per MW leveren aan het Fonds Vitaal Binnenmaas.

De raad stelt dat 331 zienswijzen zijn ingebracht. Gelet op het aantal huishoudens in Binnenmaas en Barendrecht kan daaruit volgens de raad niet worden afgeleid dat het draagvlak geheel ontbreekt. Bovendien is draagvlak bij de vaststelling van een bestemmingsplan volgens hem niet doorslaggevend. De raad stelt verder dat het Energieakkoord geen harde voorwaarden bevat waaraan de raad bij de besluitvorming is gebonden.

29.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 47.1, is er geen wettelijke regel die bepaalt dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen mogelijk mag worden gemaakt als daarvoor voldoende draagvlak bestaat bij de bewoners, ondernemers en belangenorganisaties in het gebied. Het bestaan van draagvlak is dan ook niet beslissend voor de rechtmatigheid van de besluiten die voor het windpark zijn genomen. De verwijzing van Wind van Voren en anderen naar het Energieakkoord leidt niet tot een andere conclusie. Paragraaf 4.2.1 van het Energieakkoord benadrukt het belang van versterking van het draagvlak en noemt onder meer participatie in het windpark als manier om meer draagvlak te creëren. Uit het Energieakkoord volgt echter niet dat een windpark planologisch alleen mag worden toegestaan als er genoeg draagvlak bij de omwonenden is.

Dit betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak vormt, zoals ook blijkt uit het Energieakkoord, een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het nieuwe windpark dient te maken. Dit betreft een afweging tussen de nationale, provinciale en gemeentelijke belangen bij een duurzame energievoorziening en onder meer de belangen van omwonenden. Zoals de Afdeling in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer heeft overwogen, is het ontbreken van draagvlak op lokaal niveau in de belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. De vraag of de belangen van omwonenden bij de besluitvorming over het windpark Oude Maas goed in beeld zijn gebracht en afgewogen, zal hierna aan de hand van de beroepsgronden over onder meer de locatiekeuze, de hinder door geluid en slagschaduw en de aantasting van de landschappelijke waarden worden beoordeeld.

Op zichzelf beschouwd kan de omstandigheid dat een aanzienlijk aantal omwonenden bezwaren heeft tegen de realisatie van het windpark dan ook niet tot vernietiging van de bestreden besluiten leiden.

De betogen falen.

NUT EN NOODZAAK

30.     [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas betogen dat het rendement van de windturbines onzeker is. Zij stellen in de eerste plaats dat het feitelijke rendement van windturbines in zijn algemeenheid vaak veel lager is dan geraamd. Daarnaast stellen zij dat het windpark Oude Maas in een relatief windarm gebied komt te liggen. In dat licht had de raad na afweging van alle belangen en gelet op de gevolgen van het windpark voor de omwonenden niet voor een windpark op deze plaats mogen kiezen, aldus [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas.

30.1.    De raad bestrijdt dat het rendement van het windpark veel lager zal zijn dan is berekend. Hij stelt dat het windpark dat in het plan mogelijk is gemaakt naar de huidige inzichten rendabel kan worden geëxploiteerd. Daarnaast stelt de raad dat ook minder windrijke gebieden geschikt zijn voor windparken.

30.2.    In het milieueffectrapport is berekend dat het voorkeursalternatief een energieopbrengst zal hebben van ongeveer 61 GWh per jaar. Bij die berekening is rekening gehouden met de meteorologische gegevens van de gekozen locatie, waaronder de gemiddelde windsnelheden. Dat er in het plangebied minder wind is dan in sommige andere delen van Nederland, betekent niet dat de energieopbrengst en het vermogen van het windpark lager zullen zijn dan waarvan de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan.

[appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas hebben hun stelling dat het rendement van windturbines in zijn algemeenheid vaak veel lager is dan geraamd niet met concrete gegevens onderbouwd. De Afdeling ziet daarin dan ook geen reden om aan te nemen dat de berekende energieopbrengst van ongeveer 61 GWh per jaar niet kan worden gehaald.

Nu hetgeen is aangevoerd geen aanleiding geeft om aan de berekende energieopbrengst van het windpark te twijfelen, kan ook het betoog over de belangenafweging niet slagen.

31.    Het plan maakt windturbines mogelijk met een tiphoogte van maximaal 187 m. In een eerder stadium bestond het voornemen om windturbines met een tiphoogte van maximaal 160 m te plaatsen. [appellant sub 6] voert aan dat de noodzaak van de verhoogde tiphoogte niet vaststaat. Ter zitting heeft hij hierover gesteld dat er bomen worden gekapt voor het windpark en dat er geen berekeningen zijn waaruit blijkt welk effect de bomenkap heeft voor de windvang. Volgens [appellant sub 6] maakt de bomenkap de verhoging van de tiphoogte mogelijk onnodig. De raad had volgens [appellant sub 6] daarom niet voor een verhoging van de tiphoogte mogen kiezen, ook gelet op de gevolgen voor omwonenden.

31.1.    De raad heeft aan zijn keuze om de maximale tiphoogte te verhogen naar 187 m in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat lagere windturbines niet rendabel zijn. Volgens de raad zijn de hogere windturbines noodzakelijk om het plan financieel uitvoerbaar te laten zijn. Daarnaast is een hogere tiphoogte nodig voor het goed en veilig functioneren van de windturbines. De raad verwijst op dat punt ook naar een brief van de initiatiefnemers van 4 november 2016 aan het college van burgemeester en wethouders. Daarin hebben de initiatiefnemers uiteengezet dat de kans van slagen van het project met windturbines met een tiphoogte van 160 m in het geding komt, omdat zes fabrikanten hebben laten weten dat de turbulentie door de beperkte hoogte in combinatie met de aanwezige bomen te groot is. De initiatiefnemers hebben het college daarom verzocht een hogere tiphoogte toe te staan.

31.2.    De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat de energieopbrengst van de windturbines voor de raad niet de enige reden is geweest om de maximale tiphoogte te verhogen. Zoals de raad heeft toegelicht, heeft de keuze voor een hogere tiphoogte ook te maken met het goed en veilig functioneren van de windturbines vanwege turbulentie op lagere hoogte. De door [appellant sub 6] bedoelde bomenkap brengt daar geen verandering in, nu niet is gebleken dat de bomen die de turbulentie veroorzaken zullen worden gekapt.

Daarnaast worden er bomen gekapt om de plaatsing en het draaien van de windturbines fysiek mogelijk te maken. De Afdeling gaat ervan uit dat dit ook zou gebeuren bij een tiphoogte van maximaal 160 m. Naar het oordeel van de Afdeling kan daarom worden aangenomen dat de raad bij het vergelijken van de energieopbrengsten er voor beide situaties van is uitgegaan dat er bomen worden gekapt. Een eventueel verschil in windvang is daardoor niet aan de orde. [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad het nut en de noodzaak van een verhoging van de tiphoogte naar maximaal 187 m voldoende heeft onderbouwd.

Het betoog faalt.

32.    [appellant sub 6] voert aan dat er niet vijf windturbines nodig zijn om de taakstelling van 15 MW te halen. Omdat de windturbines ten opzichte van eerdere voornemens zijn verhoogd en in de vergunningaanvraag rekening is gehouden met een vermogen tot 5 MW per windturbine, kan volgens [appellant sub 6] zeker één windturbine minder worden geplaatst.

32.1.    De omgevingsvergunningen staan een vermogen van maximaal 5 MW per windturbine toe. Met vier windturbines met een vermogen van 3,75 MW kan een totaal vermogen van 15 MW worden gehaald. De raad vindt het echter vanwege de landschappelijke effecten en de economische haalbaarheid niet wenselijk om slechts vier windturbines met een bepaald minimumvermogen toe te staan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat één ononderbroken lijnopstelling van vijf windturbines het landschap minder verstoort dan twee losse clusters van twee windturbines. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen, mede gelet op het provinciale beleid, dat uitgaat van plaatsing van windturbines in aaneengesloten opstellingen. Daarnaast heeft de raad erop gewezen dat de provincie Zuid-Holland voor de locatie Oude Maas een taakstelling van ten minste 15 MW heeft bepaald. Ook om die reden kon de raad naar het oordeel van de Afdeling een aantal van vijf windturbines met een vergund gezamenlijk vermogen van meer dan 15 MW in redelijkheid noodzakelijk achten. De raad hoefde het vermogen van het windpark niet op voorhand te beperken tot 15 MW, verdeeld over vier windturbines.

Het betoog faalt.

LOCATIEKEUZE

33.    [appellant sub 3], [appellant sub 1], Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht voeren beroepsgronden aan over de locatiekeuze.

34.    [appellant sub 3] betoogt dat de raad zich ten onrechte gebonden heeft geacht aan de door de provincie vastgestelde zoekgebieden. De raad had volgens hem een eigen afweging over de locatiekeuze moeten maken.

[appellant sub 1] voert aan dat de zuidoever van de Oude Maas niet geschikt is voor een windpark. Volgens hem is het eiland Tiengemeten een betere locatie voor de windturbines, omdat het eiland niet bewoond is en de afstanden tot woningen groter zijn.

34.1.    De raad heeft voor de locatie langs de Oude Maas gekozen, omdat die locatie door provinciale staten in de Verordening en de VRM is aangewezen als locatie voor windenergie. Vervolgens heeft de raad onderzocht en afgewogen of hij een windpark op die plaats ruimtelijk aanvaardbaar acht. Uit de onderzoeken die zijn verricht, blijkt de geschiktheid van deze locatie. De raad stelt zich op het standpunt dat alle geschikte windenergielocaties nodig zijn om de doelstellingen op provinciaal en landelijk niveau te bereiken. Nu de locatie Oude Maas geschikt is voor windenergie, is dat volgens de raad doorslaggevend en is niet van belang of een andere locatie ook goed of beter is.

34.2.    De locatie Oude Maas is in de VRM aangewezen als locatie voor een windpark met een vermogen van ten minste 15 MW. In artikel 2.4.1, eerste lid, van de Verordening, zoals dit voor 1 april 2019 luidde, is bepaald dat een bestemmingsplan nieuwe windturbines alleen toelaat op gronden binnen de locaties voor windenergie die op kaart 10 bij de Verordening zijn weergegeven. Een van die locaties is de locatie Oude Maas. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan gebonden aan de Verordening. Dit betekent dat de raad alleen een windpark mogelijk kan maken op een locatie die op kaart 10 bij de Verordening (oud) is aangewezen. Reeds daarom kan het betoog dat de raad ook andere gebieden dan de provinciale zoekgebieden als alternatieve locatie had moeten onderzoeken niet slagen. Dit geldt ook voor het eiland Tiengemeten - dat overigens niet tot het grondgebied van de voormalige gemeente Binnenmaas behoort -, aangezien dit op kaart 10 bij de Verordening (oud) niet is aangewezen als locatie voor windenergie.

Voor zover is betoogd dat de raad zonder meer voor de locatie uit de Verordening en de VRM heeft gekozen, overweegt de Afdeling dat bij de voorbereiding van het plan een groot aantal onderzoeken is uitgevoerd naar de gevolgen van de windturbines voor de omgeving. Op grond van de uitkomsten van die onderzoeken is de raad tot de conclusie gekomen dat een windpark op deze locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. Of de raad die conclusie mocht trekken, komt nader aan de orde bij de bespreking van de beroepsgronden over onder meer geluidhinder, slagschaduw, veiligheid en landschap.

De betogen falen.

35.    De gemeente Barendrecht stelt dat het windpark bewust zo ver mogelijk van de woonwijken van de gemeente Binnenmaas en vlakbij de grens van de gemeente Barendrecht wordt geplaatst. Volgens haar heeft de raad te weinig rekening gehouden met de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van de inwoners van Barendrecht en worden de inwoners van Barendrecht onevenredig benadeeld door het windpark op deze locatie. De gemeente Barendrecht wijst erop dat er in de gemeente al veel gezondheids- en veiligheidsrisico’s zijn en weinig natuur en recreatiemogelijkheden. Daarnaast zijn er volgens haar ook andere zoekgebieden voor windturbines in de Hoeksche Waard. De raad kon de locatiekeuze daarom niet uitsluitend baseren op het feit dat de locatie door de provincie is aangewezen, aldus de gemeente Barendrecht.

[appellant sub 3] betoogt eveneens dat de omgeving van Barendrecht al zwaar belast is door een zeer hoge bevolkingsdichtheid, rijkswegen, spoorwegen en een drukke vaarweg over de Oude Maas. Het is volgens hem onwenselijk om de omgeving verder te belasten met windturbines.

35.1.    De locatie voor het windpark Oude Maas is op provinciaal niveau vastgelegd in de VRM en op kaart 10 bij de Verordening (oud). De afstand tot de gemeente Barendrecht ligt daarmee grotendeels vast. Zoals hiervoor is overwogen, biedt de Verordening geen ruimte om windturbines te plaatsen op andere, niet aangewezen locaties. Binnen het aangewezen gebied is het maar zeer beperkt mogelijk om de windturbines - waarmee minimaal 15 MW aan vermogen moet worden gehaald - dichter bij of verder weg van de woonwijken van Barendrecht te situeren.

De raad heeft naar voren gebracht dat alle in de VRM en de Verordening aangewezen windenergielocaties nodig zijn om te voldoen aan de nationale en provinciale taakstellingen voor windenergie op land. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Dit betekent dat de raad andere aangewezen locaties aan de randen van de Hoeksche Waard niet als mogelijke alternatieve locaties voor het windpark Oude Maas hoefde te beschouwen, maar kon beschouwen als locaties waar eveneens windturbines kunnen worden geplaatst.

Voor zover is aangevoerd dat Barendrecht al zwaar belast is, overweegt de Afdeling het volgende. De raad mocht bij de vaststelling van het plan uitgaan van de door provinciale staten aangewezen locatie voor het windpark. Zoals onder 34.2 is overwogen, is bij de voorbereiding van het plan een groot aantal onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen van de windturbines voor de omgeving - ook buiten het grondgebied van Binnenmaas - en heeft de raad op basis van die onderzoeken geconcludeerd dat een windpark op deze locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. Bij de bespreking van de beroepsgronden over onder meer geluidhinder, slagschaduw en veiligheid zal worden beoordeeld of de raad die conclusie heeft kunnen trekken. Daarbij zal, waar relevant, ook de huidige belasting van het woon- en leefklimaat in Barendrecht worden betrokken.

De betogen falen.

36.    Wind van Voren en anderen voeren aan dat de locatiekeuze voor het windpark in strijd is met de plaatsingscriteria uit de Nota Wervelender, die op 26 januari 2011 door provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld, en de Verordening. Volgens hen volgt uit de Nota Wervelender en de Verordening dat windturbines langs technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water moeten worden geplaatst. Volgens Wind van Voren en anderen is bij de gekozen locatie geen grootschalige bedrijvigheid en technische infrastructuur aanwezig.

36.1.    De Nota Wervelender bevat een actualisatie van de plaatsingsvisie voor windturbines in Zuid-Holland. In paragraaf 3.3 van de Nota Wervelender worden de vrijwaringsgebieden genoemd waar windturbines ongewenst zijn, zoals nationale landschappen. Volgens de Nota Wervelender is de plaatsing van windturbines aan de randen van de vrijwaringsgebieden onder voorwaarden mogelijk; daarbij gaat de voorkeur uit naar de combinatie met open wateren, dammen, dijken, hoofdinfrastructuur en grootschalige bedrijventerreinen.

De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid, zoals de Nota Wervelender. De raad moet echter wel rekening houden met dit beleid en het in zijn belangenafweging betrekken.

Uit figuur 3 in paragraaf 3.3 van de Nota Wervelender blijkt dat het plangebied binnen het nationaal landschap Hoeksche Waard ligt, zodat het om die reden deel uitmaakt van een vrijwaringsgebied als bedoeld in de Nota Wervelender. Toch komt de Afdeling niet toe aan een beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden uit de Nota Wervelender voor het plaatsen van windturbines aan de randen van een vrijwaringsgebied. Op het moment dat het plan werd vastgesteld, was het plangebied namelijk in de Verordening en de VRM al specifiek aangewezen als locatie voor windenergie. Naar het oordeel van de Afdeling betekent dit dat de Nota Wervelender ten tijde van de vaststelling van het plan, in ieder geval voor zover het de locatie Oude Maas betreft, niet meer het geldende provinciale beleid was voor de plaatsing van windturbines in landschappelijk of cultuurhistorisch waardevolle gebieden.

36.2.    De door Wind van Voren en anderen genoemde vereisten voor het plaatsen van windturbines staan niet in artikel 2.4.1 van de Verordening, zoals dat vóór 1 april 2019 luidde. Op grond van die bepaling is alleen vereist dat de windturbines worden gerealiseerd binnen de gebieden die daartoe zijn aangewezen op kaart 10 bij de Verordening (oud). De regels van de Verordening bevatten geen nadere eisen over de situering van de windturbines binnen het plaatsingsgebied. Het plan is op dit punt dan ook niet in strijd met de Verordening, zoals die voor 1 april 2019 luidde.

36.3.    De door Wind van Voren en anderen bedoelde plaatsingsvisie is wel opgenomen in de VRM. Zoals hiervoor is overwogen, is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid, zoals de VRM, maar moet hij wel rekening houden met dit beleid.

In paragraaf 4.4.2 van de VRM, zoals die ten tijde van de vaststelling van het plan luidde, staat dat de aangewezen locaties het resultaat zijn van een afweging tussen eisen vanuit windenergie en voorwaarden vanuit landschap en ruimtelijke kwaliteit. De locaties combineren windenergie met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water. Daarnaast is vermeld dat in gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn, plaatsing van windturbines is uitgesloten.

In de uitspraak over het windpark Spui, onder 20.3, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in de VRM genoemde criteria, inhoudende dat windenergie wordt gecombineerd met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water, niet cumulatief zijn. Niet in geschil is dat het windpark Oude Maas op een grootschalige scheidslijn tussen land en water komt te staan. Dat op die plaats niet ook grootschalige bedrijvigheid of technische infrastructuur aanwezig zijn, betekent niet dat het plan in strijd is met de plaatsingscriteria uit de VRM.

Het betoog faalt.

TYPE EN OMVANG VAN DE WINDTURBINES

Bestemmingsplan

37.    De gemeente Barendrecht betoogt dat het type en de omvang van de windturbines niet precies genoeg in het plan zijn vastgelegd. Het plan is daarmee volgens haar rechtsonzeker.

37.1.    Artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder c, van de planregels bevat regels voor de omvang van de windturbines. De ashoogte moet ten minste 117 m en ten hoogste 128,5 m bedragen en de rotordiameter moet ten minste 117 m en ten hoogste 140 m bedragen. De tiphoogte van de windturbines bedraagt ten hoogste 187 m. De raad heeft dus een bandbreedte voor de ashoogte en de rotordiameter in de planregels opgenomen. Daarmee wordt het de initiatiefnemers ook mogelijk gemaakt pas in een later stadium een keuze voor het type windturbine te maken. Uit de planregels volgt wat de minimale en maximale omvang van de windturbines is. Bij de beoordeling van de gevolgen van het windpark is rekening gehouden met een worstcasescenario, doordat per milieuaspect de meest ongunstige invulling van de bandbreedte is onderzocht. Naar het oordeel van de Afdeling is de regeling in het plan niet in strijd met de rechtszekerheid.

38.    De gemeente Barendrecht voert verder aan dat het plan niet waarborgt dat vijf identieke windturbines geplaatst worden. Artikel 4, lid 4.2, van de planregels verplicht daar volgens haar niet toe. De gemeente Barendrecht vindt het voor de landschappelijke inpassing en het beperken van visuele hinder noodzakelijk dat de vijf windturbines identiek zijn.

38.1.    De verbeelding bevat vijf bestemmingsvlakken met de bestemming "Bedrijf - Windturbine". Onderdeel d van artikel 4, lid 4.2, van de planregels bepaalt dat binnen de bestemmingsvlakken "Bedrijf - Windturbine" de ashoogte, rotordiameter en vormgeving van de windturbines hetzelfde moeten zijn. Omdat op grond van onderdeel a van deze bepaling per bestemmingsvlak slechts één windturbine mag worden gebouwd, kan onderdeel d niet betekenen dat binnen één bestemmingsvlak de windturbines identiek moeten zijn. Naar het oordeel van de Afdeling kan onderdeel d van artikel 4, lid 4.2, van de planregels daarom alleen zo worden begrepen dat de vijf windturbines die het plan binnen de bestemmingsvlakken met de bestemming "Bedrijf - Windturbine" mogelijk maakt identiek moeten zijn.

Het betoog faalt.

Omgevingsvergunning

39.    De gemeente Barendrecht voert aan dat de omgevingsvergunning en de daarbij behorende aanvragen onvoldoende concreet en objectief begrensd zijn, omdat de marges voor de afmetingen van de windturbines te ruim zijn. De omgevingsvergunningen bevatten een bandbreedte van 117 tot 140 m voor de rotordiameter en 117 tot 128,5 m voor de ashoogte.

39.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvragen ondanks de bandbreedte voor de ashoogte en de rotordiameter voldoende concreet zijn. De aanvragen konden daarom worden getoetst aan de wettelijke eisen.

39.2.    In de aanvragen zijn voor de ashoogte en de rotordiameter bandbreedtes vermeld. De omgevingsvergunningen zijn op dit punt conform de aanvragen verleend. Bij de beoordeling van de aanvragen heeft het college binnen de bandbreedtes per milieuaspect een bestcasescenario en een worstcasescenario in beeld gebracht. Voor de verlening van de vergunning heeft het college de worstcasesituatie bepalend geacht. Anders dan de gemeente Barendrecht betoogt, is niet vereist dat in de vergunningaanvraag en bij de vergunningverlening al een keuze wordt gemaakt voor het type windturbine of voor een precieze ashoogte en rotordiameter. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak over het windpark Spui en naar haar uitspraken van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2225, en 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3331. Het college heeft daarom in dit geval kunnen volstaan met het verbinden van een voorschrift aan de vergunning dat uiterlijk drie weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden alle constructietekeningen en berekeningen ter controle moeten worden ingediend en dat deze gegevens voor aanvang van de werkzaamheden door bouw- en woningtoezicht moeten zijn goedgekeurd.

Het betoog faalt.

D’OULTREMONT

40.    In paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en paragraaf 3.2.3 van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: de Activiteitenregeling) zijn bepalingen opgenomen die zijn gericht op het voorkomen en/of beperken van onder meer geluidhinder, hinder door slagschaduw en lichtschittering en externe veiligheidsrisico’s van windturbines. Wind van Voren en anderen betogen dat deze bepalingen moeten worden beschouwd als een plan of programma zoals bedoeld in artikel 2 van richtlijn 2001/42 (hierna: de SMB-richtlijn). Volgens hen hebben de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor windturbines aanzienlijke milieugevolgen, zodat op grond van artikel 3 van de SMB-richtlijn een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dat is volgens hen ten onrechte achterwege gebleven. Wind van Voren en anderen verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., ECLI:EU:C:2016:816, (hierna: het arrest D’Oultremont), waarin het Hof onder meer heeft bepaald dat algemene regels ook een plan of programma kunnen zijn als bedoeld in artikel 2 van de SMB-richtlijn.

40.1.    De raad heeft bij de beoordeling of het bestemmingsplan "Windpark Oude Maas" strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening aansluiting gezocht bij de bepalingen die in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn opgenomen voor het in werking hebben van een windturbine. Uit de planstukken blijkt dat de raad het plan onder meer niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht als de geluid- en slagschaduwnormen die voor windturbines zijn neergelegd in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling bij woningen van derden worden overschreden. Het windpark Oude Maas kan, afhankelijk van de keuze voor het type windturbine, bij woningen van derden leiden tot een overschrijding van deze geluid- en slagschaduwnormen. In de plantoelichting staat dat deze overschrijdingen met geluidbeperkende maatregelen en met een stilstandvoorziening kunnen worden voorkomen. Voor slagschaduw is in de planregels een voorschrift opgenomen dat meer bescherming biedt dan het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. De geluidbeperkende maatregelen zijn niet neergelegd in de planregels. Hieraan ligt ten grondslag dat de normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling rechtstreeks werkend en handhaafbaar zijn, waardoor de naleving van deze normen volgens de raad niet nader hoeft te worden geborgd in de planregels. Dit is echter anders indien gelet op het betoog van Wind van Voren en anderen moet worden geconcludeerd dat de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling wegens strijd met hoger recht buiten toepassing moeten worden gelaten en dus niet langer rechtstreeks werkend en handhaafbaar zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om in verband met het bestemmingsplan het betoog van Wind van Voren en anderen over het arrest D’Oultremont inhoudelijk te beoordelen.

40.2.    Het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn algemeen verbindende voorschriften. Ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep worden ingesteld. Deze bepaling staat evenwel niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing. Deze toetsing houdt in dit geval in dat de rechter een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift buiten toepassing dient te laten, indien dit voorschrift in strijd is met een hogere regeling.

40.3.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak over windlocatie Battenoord, onder 29.5 en volgende, vormen de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling geen plan of programma als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn, zodat reeds om deze reden uit het bepaalde in artikel 2 van de SMB-richtlijn geen plicht om een plan-MER te maken kan voortvloeien. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor het in werking hebben van een windturbine wegens strijd met hoger recht buiten toepassing te laten.

Het betoog faalt.

41.    Wind van Voren en anderen hebben ook in verband met de omgevingsvergunningen betoogd dat ten onrechte geen plan-MER is gemaakt voor de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor het in werking hebben van een windturbine. Gelet op hiervoor is overwogen, slaagt deze beroepsgrond niet.

GELUID

42.    Verschillende appellanten vrezen geluidhinder vanwege de windturbines in het windpark Oude Maas.

43.    De Afdeling bespreekt hierna eerst de beroepsgronden die betrekking hebben op de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Vervolgens komen de beroepsgronden over het akoestisch onderzoek aan de orde. Daarna zal de Afdeling achtereenvolgens ingaan op de geluidbelasting op recreatiewoningen en cumulatie van geluidhinder.

Geluidnormen

44.    In artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder moet voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. Deze geluidnormen gelden per windturbine of combinatie van windturbines. Het oostelijke en het westelijke deel van het windpark Oude Maas vormen elk een combinatie van windturbines als bedoeld in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit.

45.    De raad heeft bij de vaststelling van het plan aansluiting gezocht bij de geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. De raad is er daarbij van uitgegaan dat de rechtstreeks werkende geluidnormen uit artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit toereikend zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen.

Het college is bij de verlening van de omgevingsvergunningen eveneens uitgegaan van de rechtstreeks werkende geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Omdat het windpark Oude Maas uit twee afzonderlijke inrichtingen bestaat, is in de omgevingsvergunning bepaald dat de geluidbelasting vanwege het oostelijke deelpark op de gevel van de woning Boonsweg 44 niet hoger mag zijn dan 46 dB Lden. Hiermee wordt volgens het college gewaarborgd dat het geluidniveau vanwege de twee inrichtingen samen niet hoger is dan 47 dB Lden.

- Hoogte van de in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen in het algemeen

46.    Wind van Voren en anderen betogen dat de gehanteerde geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet toereikend zijn om onaanvaardbare geluidhinder te voorkomen.

Bij de vaststelling van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is volgens hen op basis van een vergelijking van de normwaarde van 47 dB Lden met de dosis-effectrelatie aangenomen dat 9% van de omwonenden ernstige hinder ondervindt bij een geluidniveau van 47 dB Lden. Volgens Wind van Voren en anderen is dit percentage in werkelijkheid hoger. Ter onderbouwing stellen zij dat het percentage is gebaseerd op slechts een beperkt aantal onderzoeken in Nederland en Zweden. Ter zitting hebben Wind van Voren en anderen gesteld dat een van deze onderzoeken bovendien is uitgevoerd in een heuvelachtig landschap, wat een drukkend effect heeft op de hinderbeleving. Het percentage gehinderden kent daardoor een grote onzekerheidsmarge.

Daarnaast stellen Wind van Voren en anderen dat de normen zijn gebaseerd op kleinere windturbines van ongeveer 80 tot 100 m hoog. Bij grote windturbines zoals die in het windpark Oude Maas worden gerealiseerd, treedt volgens hen meer hinder op en garanderen de normen niet dat het percentage ernstig gehinderden beperkt blijft tot 9%. In dat verband wijzen zij erop dat bij een nachtelijk stabiele atmosfeer hogere windsnelheden kunnen ontstaan in de hogere luchtlagen. Dit zijn de zogeheten geostrofe windeffecten. Hierdoor kan in de avond- en nachtperiode een hogere geluidemissie optreden. Juist bij grote windturbines zoals het plan en de omgevingsvergunningen mogelijk maken, is dit volgens Wind van Voren en anderen het geval. Bij de keuze voor de grenswaarde van 47 dB Lden is hiermee volgens hen onvoldoende rekening gehouden.

Wind van Voren en anderen stellen verder dat de inzichten over de hinderlijkheid van windturbinegeluid in de afgelopen jaren zijn gewijzigd. De veranderde inzichten zijn echter niet verdisconteerd in de geluidnormen in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Die normen zijn volgens hen namelijk een beleidsneutrale vertaling van de voorheen geldende normen en zijn gebaseerd op verouderde onderzoeken. Wind van Voren en anderen hebben in hun nadere stuk van 23 november 2018 in het bijzonder verwezen naar de gewijzigde aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 10 oktober 2018, waarin voor windturbinegeluid een geluidniveau wordt aanbevolen van ten hoogste 45 dB Lden. Daarnaast stellen Wind van Voren en anderen in dit verband dat windturbines impulsachtig geluid veroorzaken, waardoor extra hinder optreedt. Hiervoor moet volgens hen een straffactor van 5 dB worden gehanteerd. Als die factor wordt toegepast, moeten de berekende geluidcontouren worden herzien en komen er woningen binnen de contour van 47 dB Lden te liggen. Het windpark kan dan niet zonder nadere maatregelen worden toegestaan.

[appellant sub 10] betoogt eveneens dat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit onvoldoende bescherming bieden tegen geluidhinder. In dat verband betoogt hij dat bij de windturbines sprake is van extra hinder door impulsachtig geluid.

46.1.    De raad en het college stellen zich op het standpunt dat van de geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit kon worden uitgegaan. Zij stellen dat de normstelling is gebaseerd op een dosis-effectrelatie waarbij de praktijk is verwerkt in de hoogte van de normen. Bij het opstellen van de geluidnormen is onderkend dat op de geluidcontour sprake kan zijn van 9% ernstig gehinderden. Op grotere afstand nemen de geluidbelasting en het percentage ernstig gehinderden snel af. De raad en het college stellen dat de normen in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit niet afhankelijk zijn van de hoogte van de windturbines. Er is volgens hen geen objectieve aanwijzing dat bij hogere windturbines op de geluidcontour sprake zal zijn van meer dan 9% ernstig gehinderden.

Volgens de raad en het college geven nieuwe inzichten geen aanleiding om niet meer aan te sluiten bij de geluidnormen uit artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit. Zij zien, onder verwijzing naar overweging 21.1 van de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504, over het windpark De Veenwieken (hierna: de uitspraak over het windpark De Veenwieken), geen aanleiding om een straffactor voor impulsachtig geluid toe te passen, omdat de norm al is gebaseerd op het specifieke windturbinegeluid.

46.2.    De Afdeling stelt voorop dat zij in verschillende uitspraken over de ruimtelijke besluitvorming voor nieuwe windparken al een oordeel heeft gegeven over de vraag of het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan heeft kunnen aansluiten bij de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnorm van 47 dB Lden. De Afdeling verwijst hierbij onder meer naar haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. In deze uitspraak zijn in overweging 98 en verder betogen beoordeeld die vergelijkbaar zijn met hetgeen Wind van Voren en anderen en [appellant sub 10] in deze procedure naar voren hebben gebracht. Zo is onder meer ingegaan op de betogen over het hinderlijke karakter van windturbinegeluid dat als pulserend en fluctuerend wordt aangeduid, het verschijnsel amplitudemodulatie, de omstandigheid dat de norm is gebaseerd op beperkt onderzoek uit Zweden en Nederland, het percentage ernstig gehinderden, de geostrofe windeffecten en de gestelde nieuwe wetenschappelijke inzichten in verband waarmee een toeslag van 5 dB op het Lden zou moeten worden toegepast. Ten aanzien van het betoog dat de geluidnormen in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit zijn gebaseerd op veel kleinere windturbines verwijst de Afdeling ook naar de uitspraak over windlocatie Battenoord, onder 33.5. De Afdeling ziet in deze betogen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een windpark niet kan worden aangesloten bij de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnorm van 47 dB Lden.

46.3.    Wind van Voren en anderen hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat er nieuwe inzichten zijn over de hinderlijkheid van windturbinegeluid verwezen naar de gewijzigde aanbevelingen van de WHO van 10 oktober 2018.

De Afdeling stelt voorop dat de bestreden besluiten worden getoetst aan de hand van de feiten en het recht dat gold ten tijde van het nemen van die besluiten. De gewijzigde aanbevelingen van de WHO dateren van na de besluitvorming over het windpark Oude Maas. De Afdeling kan deze gewijzigde aanbevelingen daarom in beginsel niet in haar beoordeling betrekken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3748, onder 7.4). Voor zover Wind van Voren en anderen hebben betoogd dat de gewijzigde aanbevelingen van de WHO een codificatie zijn van nieuwe inzichten over het hinderlijke karakter en de gezondheidseffecten van windturbinegeluid, die al ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten bij verweerders bekend hadden kunnen en moeten zijn, hebben zij dit standpunt niet nader onderbouwd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om de gewijzigde aanbevelingen van de WHO die dateren van na het nemen van de bestreden besluiten alsnog in de beoordeling te betrekken.

46.4.    De betogen falen.

- Gezondheidseffecten in relatie tot de hoogte van in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen

47.    [appellant sub 10], Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] betogen dat de geluidnorm van 47 dB Lden uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit onvoldoende bescherming biedt tegen negatieve gezondheidseffecten. Zij betogen met name dat de windturbines laagfrequent geluid veroorzaken dat schadelijk is voor mensen.

Wind van Voren en anderen betogen dat gezondheidsschade kan ontstaan bij de geluidniveaus die op grond van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit mogen optreden, onder meer door slaapverstoring. Dit geldt voor "normaal" geluid, maar volgens Wind van Voren en anderen kunnen vooral gezondheidsklachten ontstaan door laagfrequent geluid. Zij stellen dat er in het akoestisch onderzoek, onder verwijzing naar een brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 31 maart 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 33 612, nr. 22), ten onrechte van is uitgegaan dat van laagfrequent geluid geen andere effecten zijn te verwachten dan van "normaal" geluid. Wind van Voren en anderen stellen dat in verschillende onderzoeken een relatie wordt gelegd tussen laagfrequent geluid en gezondheidsklachten bij omwonenden. In het bijzonder wijzen zij op de publicaties "Wind turbine noise; seems to affect health adversely and an independent review of evidence is needed" uit het British Medical Journal (2012, nr. 344) en "Windmolens maken wel degelijk ziek; Toepassing voorzorgsbeginsel en beter onderzoek zijn nodig" van S. van Manen uit Medisch Contact (22 maart 2018, nr. 12). Uit deze artikelen blijkt volgens hen dat laagfrequent geluid van windturbines zodanige negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid dat niet langer kan worden aangenomen dat de geluidnorm van 47 dB Lden voldoende bescherming biedt. Volgens Wind van Voren en anderen moet op grond van het voorzorgsbeginsel een zwaarwegend gewicht worden toegekend aan het voorkomen van gezondheidsrisico’s voor omwonenden.

Daarnaast stellen Wind van Voren en anderen in dit verband dat de aanname dat laagfrequent geluid geen andere effecten veroorzaakt dan "normaal" geluid gebaseerd is op verouderde onderzoeken, die nog uitgaan van oudere, lagere windturbines. De grote windturbines die het plan mogelijk maakt, veroorzaken volgens Wind van Voren en anderen meer laagfrequent geluid, wat tot gezondheidsklachten bij omwonenden kan leiden.

[appellant sub 6] wijst erop dat het plan en de omgevingsvergunningen ruimte bieden voor windturbines met een vermogen van 5 MW. Hij stelt eveneens dat deze grotere en zwaardere windturbines meer laagfrequent geluid veroorzaken. Dit is volgens [appellant sub 6] onvoldoende onderzocht.

Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] hebben in hun nadere stuk van 23 november 2018 ook verwezen naar de gewijzigde aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 10 oktober 2018. Daarin wordt vanwege nadelige gezondheidseffecten voor windturbinegeluid een geluidniveau aanbevolen van ten hoogste 45 dB Lden.

47.1.    In onder meer de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is de Afdeling onder 119.2 nader ingegaan op de effecten van windturbinegeluid op de gezondheid. In het deskundigenbericht dat in die procedure is uitgebracht, is vermeld dat er op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten geen bewijs is voor directe effecten van windturbines op de gezondheid.

In de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is in dit verband verwezen naar het onderzoeksrapport van het RIVM en de GGD getiteld "Health effects related to wind turbine sound" uit 2017 (hierna: rapport van het RIVM uit 2017) dat een overzicht bevat van de conclusies van recente wetenschappelijke onderzoeken met betrekking tot de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines. In het rapport van het RIVM uit 2017 is ingegaan op de hinderlijkheid van met name het typerende ritmische karakter van het geluid van windturbines, aangeduid als amplitudemodulatie, zo heeft de Afdeling overwogen. Volgens het rapport van het RIVM uit 2017 is er een relatie tussen slaapverstoring die op individuele basis is gemeld en ergernis over het geluid van windturbines, maar is onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar voor een directe relatie tussen gezondheidsrisco’s en het geluid van windturbines, zo staat in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Daarbij is vermeld dat volgens het rapport van het RIVM uit 2017 de langdurige ergernis over de hinder van windturbines en het gevoel dat de kwaliteit van de leefomgeving is verminderd of zal verminderen negatieve gevolgen kunnen hebben voor het welzijn en de gezondheid. Dit is echter niet uniek voor windturbines, maar geldt ook voor andere stressoren, zo staat vermeld in het rapport van het RIVM uit 2017. In dit verband is over laagfrequent geluid overwogen dat in het rapport van het RIVM uit 2017 is geconcludeerd dat er geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar is dat de gestelde gezondheidsrisico’s van laagfrequent geluid van windturbines ondersteunt. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar de overwegingen 120.2 en 120.3 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer waar onder verwijzing naar de uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228, over het windpark Wieringermeer is overwogen dat het aangevoerde geen grond biedt voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de geluidnorm van 47 dB Lden voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid.

De Afdeling heeft op basis van het vorenstaande in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer geconcludeerd dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid door geluid dat door de windturbines wordt veroorzaakt, waaronder laagfrequent geluid. Daarbij heeft de Afdeling ook overwogen dat het voorzorgsbeginsel niet zo ver strekt dat op basis van publicaties waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, van de vaststelling van het plan had moeten worden afgezien.

47.2.    De door Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] genoemde publicaties zijn voor de Afdeling geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. In het artikel uit het British Medical Journal uit 2012 wordt verwezen naar verschillende studies waaruit zou blijken dat er een verband bestaat tussen geluid en gezondheidseffecten. Een groot deel van deze studies is meegenomen in het rapport van het RIVM uit 2017. In de publicatie van S. van Manen in Medisch Contact wordt ervoor gepleit om op grond van het voorzorgsbeginsel onderzoek te verrichten naar gezondheidsproblemen vanwege windturbines. De overgelegde publicaties geven geen grond voor de conclusie dat er een direct verband is tussen windturbines en gezondheidsklachten.

47.3.    Het betoog van Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] dat de grote windturbines die het plan en de omgevingsvergunningen mogelijk maken meer laagfrequent geluid veroorzaken, kan hieraan niet afdoen. Zoals hiervoor is overwogen, is er geen aanleiding om onaanvaardbare gezondheidseffecten door laagfrequent geluid te verwachten als aan de geluidnorm van 47 dB Lden wordt voldaan. De Afdeling ziet in hetgeen Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] naar voren hebben gebracht geen grond om eraan te twijfelen dat windturbines met een vermogen van maximaal 5 MW zo veel meer laagfrequent geluid veroorzaken in verhouding tot de "normale" geluidbelasting, dat de hierboven weergegeven conclusies niet meer geldig zijn. Op dit punt verwijst de Afdeling ook naar overweging 120.4 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Daarin heeft de Afdeling in haar oordeel betrokken dat door de ministers naar voren was gebracht dat een toename van 1 tot 3 dB in het laagfrequente deel van het geluidspectrum pas beperkt zal kunnen toenemen bij windturbinevermogens van 6 à 7 MW en dat in het deskundigenbericht in die zaak was bevestigd dat niet is te verwachten dat het laagfrequent geluid bij grotere windturbines een substantieel groter aandeel zal krijgen.

47.4.    Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] hebben in verband met de gezondheidseffecten van windturbinegeluid verwezen naar de gewijzigde aanbevelingen van de WHO van 10 oktober 2018. Gelet op hetgeen onder 46.3 is overwogen, laat de Afdeling deze aanbevelingen bij de beoordeling van de bestreden besluiten buiten beschouwing.

47.5.    De betogen falen.

- Jaargemiddelde norm

48.    [appellant sub 10] voert aan dat de grenswaarden van 47 dB Lden en 41 dB Lnight jaargemiddelden zijn waarbij stilstandperiodes meetellen. Dit betekent volgens hem dat de geluidbelasting op de momenten dat de windturbines draaien hoger mag zijn dan deze waarden, zodat er op die momenten extra hinder is.

Duykerzight voert aan dat pieken in de geluidbelasting ten onrechte worden geëgaliseerd door uit te gaan van berekende gemiddelden.

48.1.    De Afdeling heeft een identiek betoog beoordeeld in onder meer de uitspraken over de windparken De Veenwieken en Spui. De Afdeling verwijst naar overweging 24.1 van de uitspraak over het windpark De Veenwieken en overweging 31.1 van de uitspraak over het windpark Spui. In de in die zaken opgestelde notities van onder meer Bosch & Van Rijn en het adviesbureau Pondera Consult is ingegaan op de vraag hoe de jaargemiddelde geluidbelasting, waarop de geluidnormen voor windturbines zijn gebaseerd, zich verhoudt tot de geluidniveaus die zich maximaal op een bepaald moment (momentane geluidniveau) bij hogere windsnelheden kunnen voordoen. Hierover overweegt de Afdeling het volgende.

48.2.    Zoals in de uitspraken over de windparken De Veenwieken en Spui is overwogen en zoals ook is vermeld in het deskundigenbericht dat in deze procedure is opgesteld, is Lden het gewogen jaargemiddelde van het equivalente geluidniveau met een toeslag van 5 dB voor de avondperiode en een toeslag van 10 dB voor de nachtperiode. Lnight is het gemiddelde equivalente geluidniveau over alle nachtperioden in een jaar zonder de toeslag van 10 dB.

In de uitspraak over het windpark De Veenwieken is onder verwijzing naar de in die procedure overgelegde notitie van Pondera Consult vermeld dat het maximale bronvermogen van een windturbine dat (momentaan) optreedt bij hogere windsnelheden 3 tot 5 dB hoger ligt dan het jaargemiddelde ongewogen geluidniveau, afhankelijk van de specifieke windturbine. Omdat de wettelijke geluidnorm van 47 dB Lden uitgaat van een gewogen jaargemiddeld geluidniveau waarin een straffactor voor de avond en nacht is meegenomen, zal in de praktijk de maximaal optredende geluidbelasting vrijwel altijd onder de 47 dB liggen, zo is in de uitspraak over het windpark De Veenwieken vermeld. Dit komt overeen met de uitspraak over het windpark Spui, waar onder verwijzing naar de in die procedure overgelegde notitie van Bosch & Van Rijn is vermeld dat als gevolg van de straffactoren in de Lden-methodiek het in de praktijk vrijwel niet kan voorkomen dat ter plaatse van een woning waar aan de wettelijke jaargemiddelde geluidnorm van 47 dB Lden wordt voldaan, een momentaan geluidniveau optreedt van 47 dB.

In het deskundigenbericht over het windpark Oude Maas is eveneens vermeld dat de maximaal optredende geluidbelasting (het momentane geluidniveau op een bepaald moment) vrijwel altijd onder het gewogen jaargemiddelde geluidniveau van 47 dB Lden zal liggen.

48.3.    De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 10] en Duykerzight naar voren hebben gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan wat over het momentane geluidniveau van windturbines is vermeld in de uitspraken over de windparken De Veenwieken en Spui en in het deskundigenbericht in deze zaak.

Voor de woning van [appellant sub 10] en de woningen in het appartementencomplex Duykerzight geldt dat de maximale geluidbelasting onder de wettelijke norm van 47 dB Lden blijft. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat de maximaal optredende geluidbelasting op de woningen vrijwel steeds minder dan 47 dB zal zijn. Wat [appellant sub 10] en Duykerzight op dit punt hebben aangevoerd, geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de jaargemiddelde normen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight onvoldoende bescherming bieden tegen een onaanvaardbare momentane geluidbelasting bij hun woningen.

Het betoog faalt.

- Conclusie

49.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat verweerders bij het nemen van de bestreden besluiten van de geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit mochten uitgaan. De raad kon er bij de vaststelling van het plan in redelijkheid van uitgaan dat deze geluidnormen toereikend zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen en om onaanvaardbare gezondheidseffecten door geluid te voorkomen. Het college kon bij de verlening van de omgevingsvergunningen eveneens uitgaan van de rechtstreeks werkende geluidnormen uit artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit.

Akoestisch onderzoek

50.    Bij de voorbereiding van de bestreden besluiten is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting vanwege het windpark. De resultaten hiervan zijn weergegeven in het rapport "Windpark Oude Maas. Akoestisch onderzoek t.b.v. MER en vergunningen" van Bosch & Van Rijn van 29 mei 2017 (hierna: het akoestisch onderzoek). De raad en het college hebben op grond van dit rapport geconcludeerd dat aan de geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Afhankelijk van het type windturbine dat wordt gekozen moet daarbij eventueel als geluidbeperkende maatregel gedurende een aantal uren per etmaal een geluidreducerende modus worden toegepast.

51.    Een aantal appellanten voert beroepsgronden aan over de juistheid van het akoestisch onderzoek.

- Rekenmethode

52.    Duykerzight, [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas stellen dat de grote windturbines die geplaatst zullen worden nog nergens in gebruik zijn. Duykerzight betwijfelt daarom of de gebruikte rekenmodellen wel bruikbaar zijn. [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas betogen dat te gemakkelijk is aangenomen dat met deze grote windturbines aan de geldende normen kan worden voldaan.

Duykerzight betoogt daarnaast dat de geluidbelasting niet berekend, maar gemeten had moeten worden. In het akoestisch onderzoek is volgens haar bewust de rekenmethode gebruikt die het meest gunstig is voor de initiatiefnemers. Duykerzight stelt in dat verband onder meer dat wordt uitgegaan van berekende gemiddelden, terwijl de omwonenden dat anders ervaren. Daarnaast stelt Duykerzight dat er geen transparante controlemethodes zijn waarmee omwonenden kunnen nagaan of aan de gestelde uitgangspunten wordt voldaan.

[appellant sub 5] betoogt dat de geluidbelasting niet volgens de juiste methode is bepaald. De geluidbelasting is berekend met een rekenmodel, maar volgens [appellant sub 5] blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat de resultaten van het rekenmodel niet overeenkomen met de daadwerkelijk gemeten geluidbelasting. De bestreden besluiten zijn daarom volgens hem op onjuiste gronden genomen.

52.1.    Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat bij de berekening van de geluidbelasting gebruik is gemaakt van de wettelijk voorgeschreven specifieke rekenmethode voor windturbinegeluid. Dit is het Reken- en meetvoorschrift windturbines (hierna: RMW), dat is opgenomen in bijlage 4 bij de Activiteitenregeling.

52.2.    In het RMW is voorgeschreven dat de geluidbelasting die de windturbines veroorzaken op bijvoorbeeld woningen wordt bepaald door een berekening. De manier waarop de berekening moet worden uitgevoerd, is eveneens in het RMW vastgelegd. Anders dan Duykerzight heeft betoogd, was het dus niet mogelijk om een rekenmethode te kiezen die zo gunstig mogelijk is voor de initiatiefnemers.

52.3.    Voor zover Duykerzight betoogt dat een jaargemiddelde norm niet geschikt is om onaanvaardbare hinder te voorkomen, verwijst de Afdeling naar hetgeen hierover onder 48.1 en volgende is overwogen.

52.4.    Uit het RMW volgt dat de geluidbelasting wordt berekend en niet gemeten. Reeds hierom kan het betoog van Duykerzight dat de geluidbelasting had moeten worden berekend niet slagen. Om de geluidbelasting op woningen te berekenen, moet volgens het RMW overigens wel gebruik worden gemaakt van metingen van de geluidemissie van de windturbines. Dat is in dit geval ook gebeurd.

52.5.    Duykerzight, [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas hebben hun stelling dat de rekenmodellen niet bruikbaar zijn, omdat nog geen windturbines van deze hoogte in gebruik zijn, niet geconcretiseerd. [appellant sub 5] heeft de stelling dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de resultaten van het rekenmodel niet overeenkomen met de daadwerkelijk gemeten geluidbelasting ook niet nader geconcretiseerd. De Afdeling ziet daarom in hetgeen deze appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de rekenmethode uit het RMW niet geschikt is en daarom niet had mogen worden toegepast voor de berekening van de geluidbelasting. De Afdeling betrekt daarbij ook dat de raad heeft gesteld dat de rekenmodellen geen beperking bevatten voor de omvang van de windturbines en dat er geen aanwijzingen zijn dat het gebruikte model niet toereikend is voor hogere windturbines.

52.6.    Voor zover Duykerzight met haar betoog over het ontbreken van transparante controlemethodes bedoelt dat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit niet handhaafbaar en controleerbaar zijn, verwijst de Afdeling naar de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 106. Zoals daar is overwogen, voorziet het RMW in een emissievoorschrift waarmee steekproefsgewijs de door de fabrikant opgegeven geluidvermogenniveaus van de windturbines per windklassesnelheid kunnen worden gecontroleerd en kan vervolgens op basis van het jaargemiddelde geluidvermogen het immissieniveau bij normaal gebruik worden vastgesteld en worden getoetst aan de normen voor de jaargemiddelde geluidbelasting Lden en Lnight. Ervan uitgaande dat derden in beginsel zelf emissiemetingen kunnen laten verrichten door een akoestisch bureau conform het RMW, heeft de Afdeling in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer geconcludeerd dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de normen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet handhaafbaar en controleerbaar zijn. Duykerzight heeft niets naar voren gebracht wat aanleiding geeft om op dit punt nu tot een ander oordeel te komen.

52.7.    De betogen falen.

- Ondergrond en windgegevens

53.    In het akoestisch onderzoek is onder meer berekend waar in de omgeving van het windpark de geluidbelasting van de windturbines 47 dB Lden bedraagt. In het akoestisch onderzoek is dit als contour weergegeven. Een aantal appellanten betoogt dat de 47 dB Lden-contour in het akoestisch onderzoek niet op de juiste wijze is bepaald. De geluidbelasting is volgens hen hoger dan in het akoestisch onderzoek is berekend.

53.1.    Wind van Voren en anderen, [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas betogen dat er in de berekeningen geen rekening mee is gehouden dat de overheersende windrichting zuidwest is. Daarnaast is volgens hen te weinig rekening gehouden met de ondergrond, namelijk het open water van de Oude Maas. Volgens hen draagt het geluid over deze ondergrond verder dan over land. Vanwege deze factoren zou de geluidcontour volgens Wind van Voren en anderen, [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas aan de noordkant verder moeten reiken dan aan de zuidkant, maar in het geluidonderzoek is de contour vrijwel symmetrisch weergegeven.

[appellant sub 1] en [appellant sub 6] voeren aan dat bij de berekening van de geluidbelasting niet genoeg rekening is gehouden met de wind en overheersende windrichting en met het gegeven dat geluid ver draagt over water.

[appellant sub 10] stelt ook dat het geluid over water verder draagt dan over land en dat hiermee in het akoestisch onderzoek te weinig rekening is gehouden. Hij vreest dat hij daardoor geluidhinder zal ondervinden bij zijn woning, die zich buiten de 47 dB Lden-contour bevindt.

53.2.    Volgens de raad zijn de berekeningen uitgevoerd volgens de standaardrekenmethode die in het RMW is voorgeschreven. Daarbij is rekening gehouden met de windsnelheden en windrichting en met de mate van absorptie en reflectie van verschillende bodemsoorten, waaronder water.

In paragraaf 2.1 van het akoestisch onderzoek is toegelicht op welke manier de ondergrond is meegenomen in de berekening. Water is daar als "harde bodem" aangemerkt. In het akoestisch onderzoek is volgens de raad dan ook te zien dat de geluidcontouren op het water een grotere afstand tot de windturbines hebben.

Voor het windaanbod is volgens paragraaf 2.4 van het akoestisch onderzoek gebruik gemaakt van langjarige gegevens van het KNMI. De raad stelt dat uit de rekenmethode uit het RMW volgt dat de overheersende windrichting pas effect heeft bij een afstand tussen windturbine en ontvanger van ten minste tienmaal de som van de hoogte van de bron en de hoogte van de ontvanger. Op korte afstand van de windturbines heeft de overheersende windrichting daarom volgens de raad maar zeer beperkt effect.

53.3.    De geluidbelasting is berekend met behulp van de standaardrekenmethode die in het RMW is vastgelegd. De rekenmethode houdt rekening met de bodemdemping. De bodemdemping is onder meer afhankelijk van de aard van de bodem. In verband daarmee bevat paragraaf 3.11.2 van het RMW verschillende bodemfactoren voor harde bodems, absorberende bodems en gedeeltelijk absorberende bodems. In het deskundigenbericht wordt op grond van nadere informatie die bij Bosch & Van Rijn is opgevraagd geconcludeerd dat voor het water de juiste bodemfactor is toegepast, namelijk bodemfactor 0 voor harde bodems. Dit geldt niet alleen voor de rivier de Oude Maas, maar ook voor de Gaatkensplas nabij de woning van [appellant sub 10].

53.4.    De windsnelheid is een van de elementen die op grond van paragraaf 3.4 van het RMW worden betrokken in de bepaling van het jaargemiddelde geluidvermogen per octaafband van de windturbines, de emissieterm LE. De emissieterm LE is een van de factoren die worden gebruikt in de berekening van de geluidbelasting op een bepaalde plaats. De windsnelheid is dus verdisconteerd in de standaardrekenmethode uit het RMW. Uit paragraaf 3.4.3 van het RMW volgt dat bij de bepaling van de windsnelheidsverdeling gebruik wordt gemaakt van langjarige gegevens van het KNMI. In het akoestisch onderzoek is gebruik gemaakt van deze gegevens. Appellanten hebben niet gesteld dat in dit geval niet van deze gegevens mocht worden uitgegaan.

53.5.    Het RMW houdt bij de berekening van de geluidbelasting rekening met de overheersende windrichting. Dit gebeurt met de meteocorrectieterm Cmeteo, die het verschil tussen de gestandaardiseerde overdrachtssituatie (meewind) en de gemiddelde overdrachtssituatie in rekening brengt.

In het deskundigenbericht is hierover vermeld dat bij een overdrachtsberekening wordt uitgegaan van een geluidsoverdracht zoals die plaatsvindt onder meteoraamomstandigheden, dat wil zeggen weersomstandigheden waaronder er een goede geluidsoverdracht is. Dit betekent dat de geluidimmissie volgens de rekenmethode uit het RMW wordt berekend alsof er in alle richtingen sprake is van meewind. De rekenmethode bevat echter een meteocorrectie die rekening houdt met het gegeven dat de wind door het jaar heen niet gelijkelijk over alle windrichtingen verdeeld is, maar vaak uit het zuidwesten komt, aldus het deskundigenbericht.

Het deskundigenbericht bevestigt de stelling van de raad dat de overheersende windrichting pas effect heeft als de afstand tussen windturbine en ontvanger ten minste tienmaal de som van de hoogte van de bron (130 m) en de hoogte van de ontvanger (5 m) bedraagt. Die afstand bedraagt in dit geval 1.350 m. Binnen die afstand heeft de meteocorrectie geen effect op de berekende geluidbelasting. De berekende geluidscontouren van 47 dB Lden liggen voor alle opstellingsalternatieven die in het akoestisch onderzoek zijn onderzocht binnen de afstand van tienmaal de som van de hoogte van de bron en de hoogte van de ontvanger. In het deskundigenrapport staat dat de meteocorrectie voor de overheersende windrichting voor het gebied binnen de geluidcontouren 0 is. Daarom is de meteocorrectie niet van invloed op de vorm en de ligging van de geluidcontouren. De conclusie in het deskundigenbericht is dat in het akoestisch onderzoek op de juiste manier, overeenkomstig het RMW, rekening is gehouden met de windrichtingsafhankelijke meteocorrectie Cmeteo.

Wat appellanten op dit punt hebben aangevoerd, geeft naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de conclusies van het deskundigenbericht te twijfelen.

53.6.    Gelet op het voorgaande geven de betogen van appellanten over de ondergrond, windsnelheid en windrichting geen aanleiding voor het oordeel dat de 47 dB Lden-contour in het akoestisch onderzoek onjuist is berekend en dat de geluidbelasting in de omgeving van het windpark is onderschat.

De betogen falen.

- Type windturbine

54.    In het akoestisch onderzoek is voor verschillende opstellingsvarianten van het windpark de geluidcontour van 47 dB Lden berekend. Bij de berekeningen is steeds één bepaald type windturbine als referentieturbine gebruikt.

55.    Bij de berekeningen voor opstellingsvariant 2b is uitgegaan van het windturbinetype Senvion 3.4M140 met een ashoogte van 117 m en een rotordiameter van 134 m. Wind van Voren en anderen betogen dat de keuze voor dit specifieke type arbitrair is. De planregels en de omgevingsvergunningen schrijven namelijk geen specifiek type windturbine voor en volgens hen is het mogelijk dat een ander type van dezelfde hoogte een hogere geluidbelasting veroorzaakt.

55.1.    De windturbineposities die in het plan zijn aangewezen, komen overeen met die in het voorkeursalternatief. De windturbineposities in opstellingsvariant 2b wijken daar voor een aantal windturbines van af. Het plan maakt deze variant niet mogelijk. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten is het daarom niet van belang of de geluidbelasting van opstellingsvariant 2b in het akoestisch onderzoek op de juiste manier is berekend.

56.    Voor het voorkeursalternatief is in het akoestisch onderzoek de 47 dB Lden-contour berekend voor een ondervariant met een ashoogte van 117 m en een bovenvariant met een ashoogte van 130 m. Het plan maakt een ashoogte van maximaal 128,5 m mogelijk. Bij de berekening van de geluidcontour voor de bovenvariant is uitgegaan van het windturbinetype GE 2.75-120 met een ashoogte van 130 m als referentieturbine.

56.1.    Wind van Voren en anderen voeren aan dat de 47 dB Lden-contour voor de bovenvariant van het voorkeursalternatief niet juist is berekend. Ook hierbij wijzen zij erop dat het plan en de omgevingsvergunningen niet een bepaald type windturbine voorschrijven. Volgens hen kunnen er typen windturbines zijn die binnen de planregels passen en meer geluid veroorzaken dan de referentieturbine die voor de berekeningen is gebruikt. Het akoestisch onderzoek gaat volgens hen in zoverre niet uit van een worstcasesituatie. Wind van Voren en anderen stellen in dat verband ook dat de gebruikte referentieturbine slechts 2,75 MW genereert, terwijl het windpark Oude Maas in totaal een vermogen van ten minste 15 MW moet krijgen. Het geluidonderzoek geeft daarom volgens Wind van Voren en anderen geen goed beeld van de geluidbelasting; in werkelijkheid is de 47 dB Lden-contour volgens hen groter en bevinden zich woningen binnen die contour.

56.2.    In het akoestisch onderzoek is het windturbinetype GE 2.75-120 met ashoogte 130 m gebruikt als referentieturbine voor de berekening van de geluidcontour van de bovenvariant van het voorkeursalternatief. Dit type windturbine heeft een vermogen van 2,75 MW. In tabel 6 van het akoestisch onderzoek is een voorselectie van zeven windturbinetypes weergegeven voor de bovenvariant. De raad heeft toegelicht dat de voorselectie is gebaseerd op de op dat moment verkrijgbare en gecertificeerde windturbines. Uit de tabel blijkt dat het type GE 2.75-120 weliswaar het laagste vermogen heeft, maar een grotere maximale en jaargemiddelde bronsterkte heeft en daarmee luider is dan andere in de tabel genoemde windturbinetypes met een groter vermogen. Voor de raad is de bronsterkte de reden geweest om het windturbinetype GE 2.75-120 als referentietype te gebruiken.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat met verschillende windturbinetypes aan de geluidnormen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Dit zijn in ieder geval de referentieturbine GE 2.75-120 en de andere, minder luide windturbinetypes die in tabel 6 zijn genoemd. In de bovenvariant is daarbij voor de referentieturbine een mitigerende maatregel nodig, namelijk toepassing van een reductiemodus in de nachtperiode voor windturbine 4. Het deskundigenbericht bevestigt dit. Wind van Voren en anderen hebben geen gegevens naar voren gebracht op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van deze conclusie. Voor zover er een windturbinetype bestaat dat vanwege een grotere bronsterkte een grotere geluidbelasting in de omgeving veroorzaakt, kan dat type niet worden toegepast. De rechtstreeks werkende geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit mogen immers niet worden overschreden. Deze geluidnormen staan dan ook in de weg aan een invulling van het plan waarbij door de keuze voor een luider type windturbine de geluidbelasting op woningen meer dan 47 dB Lden bedraagt.

56.3.    Voor zover is aangevoerd dat het windturbinetype GE 2.75-120 vanwege het beperkte vermogen niet kan worden toegepast, omdat daarmee geen totaal vermogen van 15 MW gehaald kan worden, overweegt de Afdeling het volgende. Het plan en de omgevingsvergunningen bevatten geen regels over het minimumvermogen van het windpark. Ook uit artikel 2.4.1, eerste lid, van de Verordening, zoals dit voor 1 april 2019 luidde, in samenhang met kaart 10, volgt niet dat een vermogen van minder dan 15 MW voor windpark Oude Maas niet is toegestaan. Ter zitting hebben Wind van Voren en anderen gewezen op de overeenkomst tussen de provincie Zuid-Holland en de gemeente Binnenmaas van 10 juli 2014. Daarin staat dat de gemeente streeft naar een realisering van ten minste 15 MW op de locatie Oude Maas. Dit betekent echter niet dat de initiatiefnemer van het windpark verplicht is om bij de uitvoering van het project daadwerkelijk een vermogen van 15 MW of meer te realiseren. Reeds hierom kan het betoog niet slagen. Bovendien blijkt uit tabel 6 van het akoestisch onderzoek dat een aantal windturbinetypes met een hoger vermogen een lagere bronsterkte hebben. Toepassing van die windturbinetypes leidt dus niet tot een hogere geluidbelasting in de omgeving van het windpark.

56.4.    Het betoog faalt.

Recreatiewoningen

57.    [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas voeren aan dat de raad de recreatiewoningen op het chaletpark bij de beoordeling van de milieugevolgen van het windpark ten onrechte niet als gevoelige gebouwen heeft beschouwd. Volgens hen zijn de recreatiewoningen gelijk te stellen aan woningen, omdat ze elf maanden per jaar mogen worden bewoond.

57.1.    De raad stelt dat de recreatiewoningen op het chaletpark geen geluidgevoelige gebouwen zijn. Volgens de raad blijkt echter uit het akoestisch onderzoek dat ook bij de recreatiewoningen wordt voldaan aan de geluidnormen die voor gewone woningen gelden.

57.2.    De geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden, voor zover hier van belang, op de gevel van gevoelige gebouwen. Uit artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, in samenhang met artikel 1 van de Wet geluidhinder en artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder, volgt dat gevoelige gebouwen woningen zijn en andere geluidgevoelige objecten, zoals scholen en ziekenhuizen. Het gaat daarbij om woningen in de zin van artikel 1 van de Wet geluidhinder, dat wil zeggen een gebouw of een gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van een bestemmingsplan of bepaalde andere planologische besluiten. Recreatiewoningen vallen daar in beginsel niet onder.

In het akoestisch rapport is de 47 dB Lden-contour weergegeven voor de bovenvariant van het voorkeursalternatief. De Afdeling stelt vast dat de recreatiewoningen op het chaletpark zich in ieder geval buiten deze contour bevinden. Dit betekent dat bij deze recreatiewoningen wordt voldaan aan de geluidnormen die op grond van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden voor gevoelige gebouwen, zoals woningen. Gelet hierop hoeft de vraag of de raad de recreatiewoningen in dit geval, vanwege de gestelde omstandigheid dat ze elf maanden per jaar mogen worden bewoond, had moeten aanmerken als woningen niet te worden beantwoord.

58.    [appellant sub 3] betoogt dat de raad niet had mogen volstaan met een toetsing aan de wettelijke geluidnormen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet de raad beoordelen of nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. [appellant sub 3] betoogt in dat verband dat de geluidbelasting op zijn recreatiewoning ten onrechte niet is onderzocht.

58.1.    De recreatiewoning van [appellant sub 3] bevindt zich op het chaletpark Rivierpark de Oude Maas. Anders dan [appellant sub 3] stelt, is bij de voorbereiding van het plan onderzoek gedaan naar de geluidbelasting op de recreatiewoningen. De recreatiewoningen op het chaletpark zijn in het akoestisch onderzoek als rekenpunt ingevoerd en weergegeven op de kaarten met geluidcontouren. De precieze geluidbelasting op de recreatiewoningen is weliswaar niet berekend, maar zoals hiervoor is overwogen, blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de recreatiewoningen zich buiten de 47 dB Lden-contour voor de bovenvariant van het voorkeursalternatief bevinden. De recreatiewoningen bevinden zich bovendien ook buiten de contour van 42 dB Lden, die in het akoestisch onderzoek eveneens is weergegeven. Gelet hierop hoefde de raad naar het oordeel van de Afdeling in het kader van de beoordeling van het woon- en leefklimaat geen nader onderzoek te doen naar de geluidbelasting op de recreatiewoning van [appellant sub 3].

58.2.    Ter onderbouwing van zijn betoog dat de raad bij de beoordeling niet had mogen volstaan met een toetsing aan de wettelijke geluidnormen heeft [appellant sub 3] aangevoerd dat sprake is van onaanvaardbare cumulatie van geluidhinder. De Afdeling zal de cumulatie van geluidhinder hierna onder 60 en volgende beoordelen. Voor het overige ziet de Afdeling in de door [appellant sub 3] naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden geen grond voor het oordeel dat - ondanks het feit dat volgens het akoestisch rapport de geluidbelasting op zijn recreatiewoning minder is dan 42 dB Lden en daarmee ruimschoots wordt voldaan aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit - geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

58.3.    De betogen falen.

Cumulatie

59.    Een aantal appellanten voert beroepsgronden aan over cumulatie van geluidhinder.

60.    [appellant sub 10] vreest cumulatie van geluidhinder, in het bijzonder met het geluid van scheepvaartverkeer en verkeer op de A29. De geluidsituatie is volgens hem nu al slecht.

[appellant sub 3] vreest ook cumulatie. Hij voert aan dat de raad geen rekening heeft gehouden met cumulatie van bijvoorbeeld scheepvaartverkeer. Nu dit niet is onderzocht, is onzeker of bij zijn recreatiewoning nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aldus [appellant sub 3].

60.1.    De raad stelt dat er voor de woning van [appellant sub 10] geen relevante cumulatie is van geluid van het scheepvaartverkeer en het verkeer op de A29 met geluid van het windpark. Het windpark veroorzaakt volgens hem namelijk maar een zeer beperkte geluidbelasting op de woning van [appellant sub 10].

Volgens de raad is de geluidbelasting vanwege het windpark op de recreatiewoning van [appellant sub 3] eveneens zeer beperkt. Ook daar is volgens hem geen sprake van relevante cumulatie van geluid vanwege het windpark en vanwege scheepvaartverkeer. De raad stelt zich op het standpunt dat daarom bij de recreatiewoning van [appellant sub 3] wat betreft geluid een aanvaardbaar leefklimaat gewaarborgd is.

60.2.    Bij de voorbereiding van het plan is geen specifiek onderzoek naar cumulatie van geluidhinder verricht. In paragraaf 7.2.1 van het milieueffectrapport is ingegaan op andere geluidbronnen in de omgeving van het windpark, maar het achtergrondgeluid is niet kwantitatief in beeld gebracht.

Na de vaststelling van het plan heeft de raad, naar aanleiding van het deskundigenbericht, alsnog nader onderzoek naar cumulatie van geluidhinder laten doen. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Windpark Oude Maas in Binnenmaas. Cumulatie geluid" van LBP Sight van 4 september 2018. In het rapport zijn berekeningen gemaakt van de gecumuleerde geluidbelasting. Vervolgens is de gecumuleerde geluidbelasting beoordeeld volgens de methode Miedema. Volgens die methode is de kwaliteit van de akoestische omgeving bij een gecumuleerde geluidbelasting van minder dan 50 dB goed, tussen de 50 en 55 dB redelijk, tussen de 55 en 60 dB matig en tussen de 60 en 65 dB tamelijk slecht. Bij een gecumuleerde geluidbelasting van 65 dB of meer is de kwaliteit van de akoestische omgeving slecht tot zeer slecht.

60.3.    In het nader onderzoek van 4 september 2018 is voor de woning van [appellant sub 10] geen beoordeling gegeven volgens de methode Miedema. Dat is alleen gedaan voor woningen waar het gecumuleerde geluidniveau toeneemt en de akoestische kwaliteit zonder het windpark al matig, tamelijk slecht of slecht was of waar de akoestische kwaliteit door de bijdrage van het windpark verandert van redelijk naar matig. Uit het nader onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de scheepvaart bij de woning van [appellant sub 10] minder is dan 45 dB Lden en dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de A29 tussen de 45 en 50 dB Lden ligt.

Voor de recreatiewoning van [appellant sub 3] is in het nader onderzoek ook geen beoordeling gegeven volgens de methode Miedema.  Uit de contourenkaart voor de scheepvaart in het nader onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de scheepvaart op deze plaats tussen de 50 en 55 dB Lden bedraagt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de huidige akoestische kwaliteit bij de recreatiewoning van [appellant sub 3] volgens de methode Miedema redelijk of goed is.

60.4.    Naar het oordeel van de Afdeling kon de raad er bij de vaststelling van het plan, zonder specifiek kwantitatief onderzoek naar de gecumuleerde geluidbelasting, van uitgaan dat de bijdrage van het windpark bij de (recreatie)woningen van [appellant sub 10] en [appellant sub 3] niet tot relevante toename van de gecumuleerde geluidbelasting zal leiden. Daarbij is van belang dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege het windpark op deze (recreatie)woningen in ieder geval lager zal zijn dan 42 dB Lden. Het nader onderzoek van 4 september 2018 bevestigt dat bij de woning van [appellant sub 10] en de recreatiewoning van [appellant sub 3] vanwege de lage bijdrage van het windpark geen relevante cumulatie van geluidhinder is te verwachten. Tegen dit onderzoek zijn geen concrete bezwaren ingebracht.

De betogen falen.

61.    Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht voeren aan dat het college gelijktijdig met de verlening van de omgevingsvergunningen maatwerkvoorschriften had moeten vaststellen waarin strengere geluidnormen zijn opgenomen. Volgens hen is dit nodig vanwege de bijzondere lokale omstandigheden.

Wind van Voren en anderen brengen in dit verband naar voren dat drukke wegen en snelwegen in Barendrecht al een hoge geluidbelasting veroorzaken en dat de wind overwegend in de richting van Barendrecht waait.

De gemeente Barendrecht brengt naar voren dat de geluidbelasting in de omgeving al hoog is door scheepvaart, luchtvaart, weg- en spoorverkeer. Vooral in de nachtperiode veroorzaken de windturbines volgens haar extra geluidhinder. De gemeente Barendrecht wijst er daarnaast op dat een van de windturbines binnen het NNN zal komen te staan. Vanwege de rust en ten behoeve van de fauna in het NNN zijn maatwerkvoorschriften met strengere geluidgrenswaarden ook noodzakelijk, aldus de gemeente Barendrecht.

61.1.    In artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde kan vaststellen.

61.2.    Bij de verlening van de omgevingsvergunningen heeft het college besloten om geen aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen. Het college stelt dat er geen woningen zijn waar de windturbines en andere geluidbronnen tegelijkertijd een hoge geluidbelasting veroorzaken. De geluidbronnen die de gemeente Barendrecht en Wind van Voren en anderen hebben genoemd, hebben volgens het college geen aanzienlijke gevolgen bij woningen die een relevante geluidbelasting vanwege het windpark ondervinden. Volgens het college is daarom geen relevante cumulatie van geluid te verwachten. Daarnaast is geen sprake van een stil gebied of stiltegebied. Om deze redenen stelt het college zich op het standpunt dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die het noodzakelijk maken om bij maatwerkvoorschrift strengere geluidnormen vast te stellen.

61.3.    Het bevoegd gezag heeft beleidsruimte bij de beantwoording van de vraag of gebruik wordt gemaakt van de in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde bevoegdheden om maatwerkvoorschriften te stellen.

61.4.    In artikel 8:69a van de Awb is het volgende bepaald: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

61.5.    Zoals hierna onder 87.1 wordt overwogen, strekken de normen in de Verordening, zoals die voor 1 april 2019 luidde, ter bescherming van het hier aan de orde zijnde deel van het NNN niet tot bescherming van de aan het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht toevertrouwde belangen en van de belangen van de gemeente als eigenaar van gronden. Gelet hierop verzet artikel 8:69a van de Awb zich er ook tegen dat de gemeente Barendrecht zich ter bescherming van het NNN beroept op artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit.

61.6.    Voor zover Wind van Voren en anderen betogen dat de overheersende windrichting een hogere geluidbelasting in Barendrecht veroorzaakt, verwijst de Afdeling naar overweging 53.5 van deze uitspraak. Daaruit volgt dat de rekenmethode uit het RMW rekening houdt met de overheersende windrichting.

Het college heeft in de cumulatie van de geluidbelasting vanwege het windpark en de geluidbelasting vanwege andere bronnen geen reden gezien om een maatwerkvoorschrift te stellen, omdat er geen woningen zijn waar de windturbines en de andere geluidbronnen tegelijkertijd een hoge geluidbelasting veroorzaken. Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht hebben gewezen op de al bestaande hoge geluidbelasting. Volgens paragraaf 4.2 van het nader onderzoek naar cumulatie van 4 september 2018 is voor de meeste woningen die veel geluid van met name de A29 en de industrie ondervinden de bijdrage van de windturbines laag, zodat er geen relevante toename is van de gecumuleerde geluidbelasting. In de tabel in bijlage II bij het onderzoek is dit met behulp van de methode Miedema nader uitgewerkt voor de woningen waar er zonder het windpark al een matige, tamelijk slechte of slechte akoestische kwaliteit is en voor een aantal woningen waar de akoestische kwaliteit door de bijdrage van het windpark verandert van redelijk naar matig. Uit de tabel blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting voor de onderzochte woningen in Barendrecht met maximaal 0,4 dB toeneemt. Voor een aantal woningen in Barendrecht verandert de akoestische kwaliteit door deze toename van redelijk naar matig. Voor de overige woningen in Barendrecht verandert de akoestische kwaliteit niet. Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht hebben niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies van het nader onderzoek naar cumulatie op dit punt onjuist zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de toename van de gecumuleerde geluidbelasting op woningen in Barendrecht die al zwaar belast zijn door andere geluidbronnen in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten.

61.7.    Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er in dit geval geen bijzondere lokale omstandigheden zijn die het noodzakelijk maken om bij maatwerkvoorschrift strengere geluidnormen vast te stellen.

De betogen falen.

62.    De gemeente Barendrecht voert aan dat negatieve gevolgen voor de gezondheid van de inwoners van Barendrecht kunnen optreden door cumulatie van de geluidhinder van de windturbines met bestaande geluidhinder van lucht-, scheepvaart-, trein- en wegverkeer. De raad heeft hier volgens haar te weinig rekening mee gehouden.

62.1.    Volgens de raad is de gezondheid van de omwonenden nadrukkelijk en zorgvuldig in de besluitvorming betrokken. De raad stelt dat er geen woningen zijn met een hoge geluidbelasting vanwege het windpark waar tegelijkertijd ook andere geluidbronnen een aanzienlijke belasting veroorzaken. De door de gemeente Barendrecht genoemde geluidbronnen hebben geen aanzienlijke gevolgen op de woningen die een relevante geluidbelasting vanwege het windpark kunnen ondervinden.

62.2.    De stelling van de raad dat er geen woningen zijn met een hoge geluidbelasting vanwege het windpark waar tegelijkertijd ook andere geluidbronnen een aanzienlijke belasting veroorzaken, wordt bevestigd in het nader onderzoek naar cumulatie van 4 september 2018. Zoals onder 61.6 is vermeld, blijkt uit dit onderzoek dat de gecumuleerde geluidbelasting met maximaal 0,4 dB toeneemt voor de woningen in Barendrecht waar de akoestische kwaliteit al matig of (tamelijk) slecht is of waar de akoestische kwaliteit door het windpark verandert van redelijk naar matig. Naar het oordeel van de Afdeling is de toename van de gecumuleerde geluidbelasting bij de woningen in Barendrecht zodanig dat de raad er in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat hiervan geen onaanvaardbare gezondheidseffecten zijn te verwachten.

Het betoog faalt.

SLAGSCHADUW EN LICHTSCHITTERING

Slagschaduw

63.    [appellant sub 3], [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas voeren aan dat hun recreatiewoningen niet genoeg worden beschermd tegen hinder door slagschaduw. Zij betogen dat de raad de recreatiewoningen als gevoelige objecten had moeten beschouwen. Volgens hen zijn de recreatiewoningen gelijk te stellen aan woningen, omdat ze elf maanden per jaar mogen worden bewoond. Volgens [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas had de raad in het plan mitigerende maatregelen moeten voorschrijven voor de recreatiewoningen. [appellant sub 3] stelt dat artikel 4, lid 4.3.6, van de planregels te weinig bescherming biedt tegen hinder door slagschaduw, omdat die bepaling niet geldt voor recreatiewoningen.

63.1.    Uit artikel 3.12 van de Activiteitenregeling, in samenhang met artikel 3.14, vierde lid, van het Activiteitenbesluit, volgt - kort weergegeven - dat een windturbine moet zijn voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten, zoals woningen, voor zover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden. De raad heeft deze norm vertaald naar een waarde van 5 uur en 40 minuten slagschaduw per jaar.

Bij de voorbereiding van het plan is onderzoek gedaan naar slagschaduw. De resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in het rapport "Windpark Oude Maas. Slagschaduwonderzoek t.b.v. combi-MER" van Bosch & Van Rijn van 29 mei 2017 (hierna: het slagschaduwonderzoek). In het slagschaduwonderzoek is voor verschillende opstellingsvarianten de hoeveelheid slagschaduw op gevoelige objecten berekend en is een contour bepaald waarbinnen zonder automatische stilstandvoorziening meer dan 5 uur en 40 minuten slagschaduw per jaar optreedt. Omdat zich binnen die contour woningen bevinden, is een automatische stilstandvoorziening nodig. In het slagschaduwonderzoek is ook de hoeveelheid slagschaduw op de recreatiewoningen op het chaletpark berekend. Uit het onderzoek blijkt dat de hoeveelheid slagschaduw voor de recreatiewoningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] in de bovenvariant van het voorkeursalternatief 1 uur en 40 minuten respectievelijk 1 uur en 35 minuten per jaar bedraagt. Ook de andere recreatiewoningen op het chaletpark bevinden zich buiten de contour van maximaal 5 uur en 40 minuten slagschaduw per jaar.

Om extra bescherming tegen slagschaduwhinder te bieden, is met de initiatiefnemers overeengekomen dat bij alle woningen binnen een straal van 1,5 km vanaf de windturbines geen enkele slagschaduw zal voorkomen. De raad heeft dit vastgelegd in artikel 4, lid 4.3.6, in de planregels.

63.2.    De recreatiewoningen van appellanten liggen binnen 1,5 km van het windpark. Het begrip "woning" in artikel 4, lid 4.3.6, van de planregels komt niet overeen met het begrip "woning" in artikel 3.12 van de Activiteitenregeling, maar kent een eigen definitie in artikel 1, lid 1.40 van de planregels. De raad heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de recreatiewoningen op het chaletpark woningen zijn in de zin van artikel 1, lid 1.40, van de planregels, zodat artikel 4, lid 4.3.6, van de planregels van toepassing is op deze recreatiewoningen. Dit betekent dat voor de recreatiewoningen op het chaletpark gewaarborgd is dat in het geheel geen slagschaduw zal optreden. Gelet hierop kunnen de betogen dat de recreatiewoningen onvoldoende tegen slagschaduwhinder worden beschermd niet slagen.

64.    [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas voeren daarnaast aan dat in het slagschaduwonderzoek ten onrechte niet is betrokken dat bij zonnig weer sprake is van sterke schittering en spiegeling van de zon op het water. Daardoor hebben de slagschaduweffecten volgens hen een veel groter bereik dan is berekend en treedt ook slagschaduwhinder op bij de recreatiewoningen op het chaletpark.

64.1.    De raad stelt dat schittering en spiegeling van de zon op het water geen slagschaduw is. Dit hoeft daarom niet te worden betrokken in de berekening van de hoeveelheid slagschaduw in de omgeving. Daarnaast stelt de raad dat slagschaduw door reflectie op het water niet op een hinderlijke manier kan optreden. Schaduw reflecteert namelijk volgens de raad niet en buiten de schaduw zal het licht verstrooien, zodat het schaduwpatroon verdwijnt.

64.2.    In het slagschaduwonderzoek is weergegeven welke informatie nodig is om te berekenen wanneer er slagschaduw valt op een bepaald punt. Dit zijn onder meer de ashoogte en de grootte van de wieken en de posities van de windturbine en het beschaduwde object. De aanwezigheid van water wordt in het slagschaduwonderzoek niet genoemd als factor die bepaalt of slagschaduw optreedt.

[appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas hebben hun stelling dat schittering en spiegeling van het zonlicht op het water extra slagschaduw op de recreatiewoningen veroorzaakt niet met concrete gegevens  onderbouwd. De Afdeling ziet daarom geen reden om - in afwijking van het slagschaduwonderzoek en van hetgeen de raad heeft gesteld - aan te nemen dat schittering en spiegeling van het zonlicht op het water van invloed is op de slagschaduwhinder bij hun recreatiewoningen. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat dit aspect ten onrechte niet in het slagschaduwonderzoek is onderzocht.

Het betoog faalt.

Lichtschittering

65.    De gemeente Barendrecht voert aan dat de raad in het plan een voorwaardelijke verplichting had moeten opnemen voor het toepassen van niet-reflecterende materialen en coatinglagen om hinder door lichtschittering te voorkomen.

65.1.    In artikel 3.13 van de Activiteitenregeling is voorgeschreven dat niet-reflecterende materialen of coatinglagen moeten worden toegepast om lichtschittering te voorkomen of te beperken. Windturbines dienen hieraan te voldoen. Nu de toepassing van niet-reflecterende materialen en coatinglagen publiekrechtelijk voldoende is gewaarborgd, hoefde de raad deze voorzieningen niet ook in de planregels voor te schrijven.

Het betoog faalt.

OVERIGE BEROEPSGRONDEN OVER GEZONDHEIDSEFFECTEN

66.    Verschillende appellanten vrezen dat de windturbines negatieve gevolgen voor de gezondheid van de omwonenden zullen veroorzaken.

67.    De Afdeling heeft hiervoor bij het onderwerp geluid, onder 47 en volgende en 62.2, al geoordeeld over de beroepsgronden over de gezondheidseffecten van geluidhinder, waaronder laagfrequent geluid. Hieronder worden de overige beroepsgronden over nadelige gezondheidseffecten van het windpark behandeld.

68.    [appellant sub 1] vreest gezondheidseffecten. Ter zitting heeft hij in dit verband onder meer gewezen op de aantasting van natuur- en recreatiegebied. Duykerzight vreest dat de bewoners van appartementencomplex Duykerzight lichamelijke en psychische klachten zullen krijgen door een combinatie van externe bedreigingen en een gevoel van machteloosheid.

68.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat niet hoeft te worden gevreesd voor negatieve effecten op de gezondheid van omwonenden van het windpark. Op grond van objectieve informatie kan niet worden geconcludeerd dat er gezondheidseffecten optreden. Volgens de raad concluderen recente grote literatuurstudies en adviezen over de gezondheidseffecten van windturbines dat directe effecten op de  gezondheid, anders dan hinder, onwaarschijnlijk zijn. Mogelijk verklaart stress (met diverse oorzaken) de genoemde klachten. De raad stelt verder dat het niet alleen afhankelijk is van het geluidniveau of (ernstige) hinder en slaapverstoring zullen optreden, maar ook van contextuele en persoonlijke factoren, zodat het voorspellen van de klachten moeilijk is. Volgens de raad kan ernstige hinder via stress tot andere klachten leiden. Het is dan heel  moeilijk te bepalen hoe groot het aandeel van de windturbines hierin is naast andere oorzaken van stress, aldus de raad.

68.2.    Voor zover [appellant sub 1] en Duykerzight mede doelen op de gezondheidseffecten van geluid en laagfrequent geluid, verwijst de Afdeling naar wat hierover bij het onderwerp geluid, onder 47 en volgende en 62.2, is overwogen. Voor zover de beroepsgronden mede betrekking hebben op gezondheidseffecten van slagschaduw, is van belang dat in de norm voor slagschaduw in de Activiteitenregeling rekening is gehouden met de mogelijke gezondheidseffecten van slagschaduw van windturbines. De Afdeling verwijst op dit punt naar haar uitspraak over windlocatie Battenoord, onder 53.2. In dit geval is bovendien een strengere norm voor slagschaduw in de planregels opgenomen. Voor het overige ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en Duykerzight naar voren hebben gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de adviezen en onderzoeken die de raad op dit punt aan het plan ten grondslag heeft gelegd.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant sub 1] en Duykerzight hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad het plan vanwege effecten van de windturbines op de gezondheid niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

De betogen falen.

69.    [appellant sub 10] stelt dat uit studies blijkt dat windturbines nabij woningen nadelige gezondheidseffecten hebben, zoals slaap-, leer- en concentratieproblemen. De gezondheidseffecten door aantasting van het woon- en leefklimaat zijn volgens hem in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). [appellant sub 10] betoogt daarnaast dat het rijksbeleid erop is gericht om geen toename van ernstige hinder toe te staan door nieuwe activiteiten. Het windpark is volgens hem binnen een straal van 2 km schadelijk voor mensen.

69.1.    [appellant sub 10] heeft niet geconcretiseerd welk rijksbeleid hij bedoelt en in welk beleidsdocument dit beleid is vastgelegd. Reeds hierom kan het betoog niet slagen.

69.2.    Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kent het EVRM geen uitdrukkelijk recht toe op een schone en stille omgeving, maar kan artikel 8 in het geding zijn indien de overlast zo is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven (zie bijvoorbeeld EHRM Jugheli tegen Georgië, arrest van 13 juli 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205, punt 62 en de daar aangehaalde rechtspraak).

[appellant sub 10] woont op een afstand van ruim 1.500 m van het windpark. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat zijn woning zich buiten de contour bevindt van 42 dB Lden die in het akoestisch onderzoek voor de bovenvariant van het voorkeursalternatief is berekend. Naar het oordeel van de Afdeling is bij dit geluidniveau geen sprake van hinder die [appellant sub 10] in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven, mede gelet op het feit dat de wettelijke grenswaarde 47 dB Lden bedraagt. Ook wat betreft andere aspecten, zoals slagschaduw en veiligheid, is naar het oordeel van de Afdeling geen hinder aan de orde die [appellant sub 10] in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven. De Afdeling verwijst op dit punt naar de bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden over de gevolgen voor het woon- en leefklimaat, waaronder de beroepsgronden over geluid en de gezondheidseffecten daarvan, slagschaduw en veiligheid.

Het betoog faalt.

TRILLING

70.    [appellant sub 6] voert aan dat de windturbines trillingen in de bodem veroorzaken die mogelijk schadelijk zijn voor de constructie van de Heinenoordtunnel. De raad heeft dit volgens hem ten onrechte niet onderzocht.

70.1.    Het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste staat in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond. Het betoog over de mogelijke veiligheidsrisico’s voor de Heinenoordtunnel als gevolg van trillingen in de bodem heeft namelijk geen betrekking op het eigen belang van [appellant sub 6], dat is gelegen in de bescherming van zijn woon- en leefklimaat. Dat [appellant sub 6] als weggebruiker ook gebruik maakt van de Heinenoordtunnel, is niet voldoende om de mogelijke veiligheidsrisico’s voor de tunnel als eigen belang van [appellant sub 6] te beschouwen. Deze beroepsgrond blijft daarom buiten inhoudelijke bespreking.

VEILIGHEID EN RADARVERSTORING

71.    [appellant sub 3], [appellant sub 4], Rivierpark de Oude Maas, Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht voeren beroepsgronden aan over de veiligheidsrisico’s die het windpark veroorzaakt. Zij doelen daarbij vooral op de mogelijke gevolgen voor omwonenden in het geval dat een schip met gevaarlijke stoffen wordt geraakt door (onderdelen van) een windturbine of door radarverstoring een ongeval krijgt.

72.    Bij de voorbereiding van het plan is onderzoek gedaan naar veiligheidsrisico’s. Daarbij is onder meer een kwantitatieve risicoanalyse gemaakt, waarvan de resultaten zijn beschreven in het rapport "Kwantitatieve risicoanalyse Windpark Oude Maas" van Bosch & Van Rijn van 29 mei 2017. Dit rapport is als bijlage 3 bij het milieueffectrapport gevoegd. Op basis van de kwantitatieve risicoanalyse heeft de raad onder meer geconcludeerd dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico uit artikel 3.15a van het Activiteitenbesluit en dat de windturbines geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de veiligheid van nabijgelegen Bevi-inrichtingen, leidingen, hoogspanningslijnen en infrastructuur.

73.    [appellant sub 3] voert aan dat de veiligheidsrisico’s zijn onderschat. Het afbreken van een rotorblad of het omvallen van een mast kan volgens hem in deze omgeving en gezien de hoogte van de windturbines ernstige gevolgen hebben. [appellant sub 3] brengt daarbij met name naar voren dat de schepen op de Oude Maas veel gevaarlijke stoffen vervoeren. Volgens hem biedt artikel 4, lid 4.3.7, van de planregels onvoldoende bescherming, mede omdat die bepaling geen duidelijkheid biedt over de inhoud van de afspraken.

73.1.    In artikel 4, lid 4.3.7, van de planregels is het volgende bepaald:

"Het in gebruik nemen en houden van de windturbines is slechts toegestaan indien afspraken zijn gemaakt tussen Rijkswaterstaat en initiatiefnemer over het stil te laten zitten [lees: zetten] wanneer dit noodzakelijk is in verband met het SOS-systeem in de Heinenoordtunnel of de verkeersveiligheid."

Artikel 4, lid 4.3.7, van de planregels heeft geen betrekking op de veiligheid van de scheepvaart op de Oude Maas, maar op de veiligheid in en rond de Heinenoordtunnel. De raad heeft dit ter zitting bevestigd. De vraag of dit voorschrift duidelijk en concreet genoeg is om voldoende bescherming te bieden tegen veiligheidsrisico’s door ongevallen met schepen, is daarom niet aan de orde.

73.2.    Volgens de raad leiden de windturbines niet tot onaanvaardbare veiligheidsrisico’s voor de omgeving bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Oude Maas. Hij acht nader onderzoek of nadere voorschriften in het plan daarom niet noodzakelijk. De raad baseert zich daarbij op de kwantitatieve risicoanalyse die bij de voorbereiding van het plan is gemaakt.

Volgens de kwantitatieve risicoanalyse is er bij het afbreken van een rotorblad een kans dat een passerend schip op de Oude Maas geraakt wordt. Bij mastbreuk of gondelafworp is die kans er niet. Vervolgens is voor de scheepvaart de faalkans per vervoerskilometer berekend en vergeleken met de initiële faalkans in de situatie zonder windturbines. Volgens de kwantitatieve risicoanalyse verhogen de windturbines de faalkans van passerende schepen op de Oude Maas die gevaarlijke stoffen vervoeren met 0,02%. Die toename is volgens de kwantitatieve risicoanalyse verwaarloosbaar.

73.3.    [appellant sub 3] heeft geen concrete bezwaren tegen de conclusies van de kwantitatieve risicoanalyse naar voren gebracht. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie uit de kwantitatieve risicoanalyse dat de toename van de faalkans slechts 0,02% bedraagt en daarmee verwaarloosbaar is. De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op dit punt geen sprake is van onaanvaardbare veiligheidsrisico’s.

Het betoog faalt.

74.    [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas voeren aan dat de windturbines een veiligheidsrisico voor de scheepvaart op de Oude Maas vormen, omdat ze op een relatief zachte, instabiele ondergrond worden geplaatst die deel uitmaakt van een zoetwatergetijdegebied. Zij stellen dat er hierdoor een grotere kans is dat een windturbine omvalt. Dit aspect is volgens hen onvoldoende onderzocht.

74.1.    De raad stelt dat de windturbines en de fundering daarvan moeten voldoen aan de geldende veiligheidsnormen uit onder meer het Bouwbesluit 2012. Bij de beoordeling van de veiligheidsrisico’s is daarvan uitgegaan. Bij het ontwerpen van de fundering zal volgens de raad rekening worden gehouden met de ondergrond. De raad stelt dat er daarom geen extra risico’s voor de omgeving zijn.

Daarnaast wijst de raad erop dat in de omgevingsvergunningen voor de windturbines staat dat de bouw pas mag beginnen als een aantal nadere stukken, waaronder het funderingsadvies en de berekeningen van de funderingsconstructie, zijn ingediend en het college schriftelijk goedkeuring heeft verleend.

74.2.    Volgens de kwantitatieve risicoanalyse verhogen de windturbines de faalkans van passerende schepen op de Oude Maas die gevaarlijke stoffen vervoeren met slechts 0,02%. Daarnaast blijkt uit de kwantitatieve risicoanalyse dat er alleen bij het afbreken van een rotorblad een raakkans voor schepen op de Oude Maas bestaat en niet bij het omvallen van een windturbine. Hetgeen [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas naar voren hebben gebracht, geeft geen aanleiding om aan de juistheid van die conclusies te twijfelen. Daarnaast kan er, gelet op wat de raad naar voren heeft gebracht, van worden uitgegaan dat voldoende is gewaarborgd dat de windturbines een zodanige fundering krijgen dat er geen verhoogde kans is op omvallen.

Het betoog faalt.

75.    Wind van Voren en anderen en [appellant sub 3] stellen dat de windturbines radarapparatuur kunnen verstoren. Dit leidt volgens hen tot extra risico’s voor de scheepvaart op de Oude Maas. In het onderzoek naar de externe veiligheid is hiermee volgens hen geen rekening gehouden. Volgens Wind van Voren en anderen is in het onderzoek ten onrechte alleen ingegaan op de radarverstoring op een hoogte van 1000 voet, dus op de gevolgen voor het vliegverkeer. Wind van Voren en anderen wijzen erop dat de Oude Maas druk bevaren wordt, op deze plaats een gevaarlijke blinde bocht heeft en dat de schepen vaak een gevaarlijke lading vervoeren. Wind van Voren en anderen betogen daarnaast dat in het veiligheidsonderzoek ten onrechte geen aandacht is besteed aan verstoring van GPS, dat in de scheepvaart ook veel als navigatiemiddel wordt gebruikt.

75.1.    Bij de voorbereiding van het plan is geen specifiek onderzoek gedaan naar verstoring van radarapparatuur en GPS-apparatuur die door de scheepvaart worden gebruikt. Daarvoor bestond volgens de raad geen aanleiding, omdat wordt voldaan aan de Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken (hierna: de Beleidsregel). Er zijn daarom geen ontoelaatbare veiligheidsrisico’s voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De raad wijst er daarnaast op dat Rijkswaterstaat geen bezwaar heeft tegen windturbines op deze locatie.

75.2.    Uit artikel 4 van de Beleidsregel volgt dat plaatsing van windturbines langs kanalen, rivieren en havens wordt toegestaan bij een afstand van ten minste 50 m uit de rand van de vaarweg. Bij plaatsing op een afstand van minder dan 50 m uit de rand van de vaarweg moet uit aanvullend onderzoek blijken dat er geen hinder voor wal- en scheepsradar optreedt.

De Afdeling stelt vast dat de kortste afstand van de windturbines tot de vaarweg van de Oude Maas meer dan 50 m bedraagt. Aan de Beleidsregel ligt het uitgangspunt ten grondslag dat windturbines op een afstand van 50 m of meer uit de rand van de vaarweg naar verwachting geen radarverstoring veroorzaken. Wind van Voren en anderen en [appellant sub 3] hebben niets naar voren gebracht wat aanleiding geeft om aan de juistheid van dat uitgangspunt te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in redelijkheid van kunnen uitgaan dat in dit geval geen radarverstoring voor de scheepvaart te verwachten is en hoefde hij op dit punt geen nader onderzoek te verrichten.

Voor zover ter zitting is gesteld dat de afstand tot de rivier in de winter vanwege een hogere waterstand kleiner is, overweegt de Afdeling dat daarmee de afstand tot de vaarweg in de Oude Maas niet verandert. De vaarweg is in artikel 1 van de Beleidsregel namelijk omschreven als het voor de doorgaande vaart bestemde en meestal als zodanig gemarkeerde of betonde deel van het vaarwater. Ook in de winter wordt daarom voldaan aan artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregel.

75.3.    Over de mogelijke verstoring van GPS-apparatuur heeft de raad ter zitting gesteld dat moderne GPS-apparatuur niet wordt verstoord door de windturbines. Alleen voor verouderde GPS-apparatuur is dat mogelijk anders. De raad acht een afstand van 50 m uit de rand van de vaarweg daarbij voldoende.

De Beleidsregel bevat geen afstandseisen in verband met GPS-verstoring. De Afdeling ziet in hetgeen Wind van Voren en anderen hebben aangevoerd echter geen aanleiding om aan te nemen dat in verband met verstoring van GPS-systemen een afstand van meer dan 50 m tussen de windturbines en de rand van de vaarweg in acht moet worden genomen. Daarbij is mede van belang dat overleg met Rijkswaterstaat heeft plaatsgevonden en Rijkswaterstaat geen bezwaren heeft tegen de plaatsing van de windturbines.

Het betoog faalt.

76.    De gemeente Barendrecht voert aan dat de raad de veiligheidsrisico’s voor de gemeente Barendrecht en haar inwoners onvoldoende heeft onderzocht en beoordeeld. Volgens haar is niet duidelijk of de uitgevoerde onderzoeken ook zijn verricht voor het grondgebied van de gemeente Barendrecht en of de gehanteerde afstandscriteria voor scheepvaart en radarverstoringen toereikend zijn voor de veiligheidssituatie in Barendrecht.

76.1.    Uit de kwantitatieve risicoanalyse blijkt dat het onderzoek naar de veiligheidsrisico’s niet op voorhand is beperkt tot het grondgebied van de voormalige gemeente Binnenmaas. In de kwantitatieve risicoanalyse is onderzocht op welke afstand zich effecten kunnen voordoen. Het meest ongunstige scenario is daarbij het afbreken van een wiek bij overtoeren van de windturbine. Het grondgebied van de gemeente Barendrecht ligt echter buiten de werpafstand die voor dat scenario in de kwantitatieve risicoanalyse is berekend.

Voor ongevallen met schepen met gevaarlijke stoffen op de Oude Maas is in de kwantitatieve risicoanalyse geconcludeerd dat de toename van de faalkans verwaarloosbaar is. De raad heeft er ook in zoverre van kunnen uitgaan dat geen onaanvaardbare extra risico’s voor de inwoners van de gemeente Barendrecht zijn te verwachten.

Het betoog faalt.

VERKEER

77.    [appellant sub 1] voert aan dat het windpark een toename van verkeer veroorzaakt. Hij vreest onder meer voor sluipverkeer.

77.1.    De raad stelt dat de bouw van de windturbines slechts zeer tijdelijk een toename van verkeer veroorzaakt. Na de bouw van de windturbines is er maar zeer beperkt onderhoud nodig. Dit veroorzaakt volgens de raad nauwelijks extra verkeer.

77.2.    De Afdeling begrijpt de beroepsgrond zo dat [appellant sub 1] vreest dat zowel tijdens als na de bouw van het windpark verkeershinder zal ontstaan.

Verkeershinder tijdens de aanleg van het windpark is een uitvoeringsaspect dat geen onderdeel uitmaakt van het besluitvormingsproces over de ruimtelijke aspecten van het plan en dat daarom niet betrokken hoeft te worden bij de vaststelling van het plan. De verkeershinder in de aanlegfase staat in deze procedure dan ook niet inhoudelijk ter beoordeling.

Verkeershinder die optreedt nadat het windpark in gebruik is genomen, kan wel bij de toetsing van het plan worden betrokken. [appellant sub 1] heeft echter niet geconcretiseerd waarom de stelling van de raad dat er na de bouw van het windpark vrijwel geen extra verkeersbewegingen zijn te verwachten onjuist zou zijn.

Het betoog faalt.

BODEM EN GRONDWATER

78.    [appellant sub 6] stelt dat de bodem ter plaatse van het windpark verontreinigd is met havenslib, waarop een dunne leeflaag is aangebracht. Volgens [appellant sub 6] wordt deze laag doorgeprikt als er geheid wordt. De raad had volgens hem moeten onderzoeken welke gevolgen dit heeft voor het grondwater.

78.1.    Uit het milieueffectrapport en de plantoelichting blijkt dat de door [appellant sub 6] bedoelde bodemverontreiniging alleen aanwezig is in polder De Buitenzomerlanden ter plaatse van windturbine 5, de meest oostelijke windturbine in het windpark. De afstand van die windturbine tot de woning van [appellant sub 6] bedraagt ongeveer 3,5 km. Gelet op deze afstand en op het feit dat [appellant sub 6] op de andere oever van de Oude Maas woont, heeft het betoog over bodemverontreiniging en grondwater geen betrekking op het eigen belang van [appellant sub 6], dat is gelegen in de bescherming van zijn woon- en leefklimaat. Het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.

NATUUR

79.    Een aantal appellanten voert beroepsgronden aan over natuur. De beroepsgronden gaan over de aantasting van beschermde natuurgebieden en over beschermde diersoorten.

Beschermde natuurgebieden

80.    Duykerzight, [appellant sub 5], [appellant sub 3], [appellant sub 10], [appellant sub 1], [appellant sub 4], Rivierpark de Oude Maas, [appellant sub 6], de gemeente Barendrecht en Wind van Voren en anderen betogen dat het windpark leidt tot aantasting van beschermde natuurgebieden die deel uitmaken van Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN).

81.    De Afdeling zal eerst beoordelen of artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden over de aantasting van Natura 2000-gebieden en het NNN.

82.    De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

Ditzelfde geldt voor de ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten geldende normen uit de Verordening die van toepassing zijn op de bescherming van het NNN.

83.    Appellanten vrezen nadelige gevolgen voor de Natura 2000-gebieden "Oude Maas" en/of "Oudeland van Strijen" en/of het NNN.

Het Natura 2000-gebied "Oude Maas" omvat gronden op de noordelijke en zuidelijke oever van de rivier de Oude Maas. Het Natura 2000-gebied "Oudeland van Strijen" ligt in de Hoeksche Waard ten westen van de kernen Maasdam en Strijen. Het NNN omvat in de omgeving van het plangebied de gronden die tot het Natura 2000-gebied "Oude Maas" behoren en daarnaast nog andere gronden ter hoogte van het plangebied. De middelste van de vijf windturbines komt in het NNN te staan. Hierdoor gaat 0,26 ha van het NNN verloren. Het oppervlakteverlies wordt elders gecompenseerd.

- Natuurlijke personen, Duykerzight en Rivierpark de Oude Maas

84.    De beroepsgronden van Duykerzight, [appellant sub 3], [appellant sub 4], Rivierpark de Oude Maas, [appellant sub 6], [appellant sub 10], [appellant sub 5] en [appellant sub 1] hebben betrekking op het Natura 2000-gebied "Oude Maas".

[appellant sub 5] woont op ongeveer 125 m van dit gebied. Het Natura 2000-gebied "Oude Maas" maakt daarmee deel uit van zijn directe leefomgeving.

[appellant sub 1] woont op ongeveer 325 m van het Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied maakt naar het oordeel van de Afdeling geen deel uit van zijn directe leefomgeving, gelet op de afstand en gelet op het feit dat [appellant sub 1] in de kern Heinenoord woont en geen direct zicht heeft op het Natura 2000-gebied.

De recreatiewoningen op het chaletpark Rivierpark de Oude Maas bevinden zich op ongeveer 300 tot 350 m van het Natura 2000-gebied. De Afdeling is van oordeel dat het Natura 2000-gebied geen deel uitmaakt van de directe leefomgeving van de eigenaren en bewoners van de recreatiewoningen, onder wie [appellant sub 4] en [appellant sub 3]. Daarbij is behalve de afstand ook van belang dat het dichtstbijzijnde deel van het Natura 2000-gebied aan de overkant van de rivier de Oude Maas ligt.

De woningen van [appellant sub 6], [appellant sub 10] en de bewoners voor wie Duykerzight opkomt, bevinden zich op meer dan 450 m van het Natura 2000-gebied. Ook voor deze woningen geldt dat het dichtstbijzijnde deel van het Natura 2000-gebied aan de overkant van de Oude Maas ligt. Het Natura 2000-gebied "Oude Maas" maakt geen deel uit van de directe leefomgeving van deze appellanten.

85.    Duykerzight, [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 7C], [appellant sub 7D] - die het beroep van Wind van Voren en anderen mede hebben ondertekend -, [appellant sub 5] en [appellant sub 1] voeren ook beroepsgronden aan over de aantasting van het NNN. Hun (recreatie)woningen bevinden zich op 750 m en meer van het deel van het NNN waarin een windturbine is voorzien. Naar het oordeel van de Afdeling behoort het desbetreffende deel van het NNN gezien deze afstand niet tot de directe leefomgeving van deze appellanten.

- Stichting Wind van Voren

86.    De Stichting Wind van Voren voert beroepsgronden aan over de aantasting van het NNN. Volgens de statuten beschermt de stichting de leefomgeving van Barendrecht en directe omgeving; daaronder valt volgens de statuten onder meer het behouden van de natuur en de flora en fauna. De term "leefomgeving" moet naar het oordeel van de Afdeling zo worden uitgelegd, dat de stichting zich richt op de bescherming van de leefomgeving van de bewoners van Barendrecht en directe omgeving en niet op de bescherming van natuurbelangen als zodanig. Het op de zuidelijke oever van de rivier de Oude Maas gelegen plangebied behoort bovendien naar het oordeel van de Afdeling niet tot de directe omgeving van Barendrecht, dat op de noordelijke oever ligt.

Gelet op de afstand tot het hier aan de orde zijnde deel van het NNN en gelet op het feit dat dit deel op de zuidelijke oever van de Oude Maas ligt, maakt dit deel van het NNN geen deel uit van de directe leefomgeving van de bewoners van Barendrecht en directe omgeving. De normen uit de Verordening (oud) over de bescherming van het NNN strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen waarvoor de stichting blijkens haar statuten en feitelijke werkzaamheden opkomt.

- Gemeente Barendrecht

87.    De beroepsgronden van de gemeente Barendrecht gaan over het Natura 2000-gebied "Oudeland van Strijen" en het NNN. Het beroep is ingesteld door het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht en de gemeente Barendrecht als rechtspersoon.

87.1.    Beoordeeld moet worden of met het inroepen van de normen over gebiedsbescherming uit de Wnb en de Verordening (oud) door het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht belangen aan de orde zijn die aan deze bestuursorganen zijn toevertrouwd.

Het Natura 2000-gebied "Oudeland van Strijen" en het deel van het NNN waar een windturbine wordt geplaatst, liggen buiten het grondgebied van de gemeente Barendrecht op de andere oever van de Oude Maas. De afstand tot het grondgebied van de gemeente Barendrecht bedraagt meer dan 4,5 km voor het Natura 2000-gebied en ongeveer 400 m voor het relevante deel van het NNN.

Voor zover het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht zich beroepen op natuurbelangen als aan hen toevertrouwde belangen, is de Afdeling van oordeel dat de bescherming van buiten het eigen gemeentelijke grondgebied gelegen natuurgebieden tegen gevolgen van besluiten van andere bestuursorganen niet een belang is dat aan het college van burgemeester en wethouders en/of de raad van de gemeente Barendrecht is toevertrouwd.

Voor zover het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht opkomen voor de beleving van de betrokken natuurgebieden door hun inwoners, stelt de Afdeling vast dat in het kader van de ruimtelijke ordening van het grondgebied van de gemeente Barendrecht aan het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht mede is toevertrouwd het belang van het behoud van een goede kwaliteit van de leefomgeving van inwoners, welk belang verweven kan zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit belang wordt echter niet geraakt door de gestelde effecten van het windpark op beschermde natuurgebieden. Gezien de afstand en ligging van het Natura 2000-gebied "Oudeland van Strijen" of het relevante deel van het NNN ten opzichte van het grondgebied van de gemeente Barendrecht is de Afdeling van oordeel dat deze gebieden geen deel uitmaken van de leefomgeving van de inwoners van Barendrecht. De normen in de Wnb en de Verordening (oud) ter bescherming van deze natuurgebieden strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de aan het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht toevertrouwde ruimtelijke-ordeningsbelangen.

87.2.    De rechtspersoon gemeente Barendrecht is eigenaar van gronden ten zuiden van de bebouwde kom van Barendrecht die op grond van het geldende bestemmingsplan voornamelijk de bestemmingen "Recreatie - agrarisch" en "Natuur" hebben. Het Natura 2000-gebied "Oudeland van Strijen" en het relevante deel van het NNN liggen op meer dan 4,5 km respectievelijk meer dan 400 m daarvan op de andere oever van de Oude Maas. Gelet op deze afstand is niet gebleken van belangen van de gemeente als grondeigenaar die nauw verweven zijn met de door de Wnb en de Verordening (oud) beschermde algemene belangen. De normen in de Wnb en de Verordening (oud) ter bescherming van deze natuurgebieden strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van de gemeente Barendrecht als eigenaar van deze gronden.

- Conclusie relativiteit

88.    De Afdeling zal alleen de beroepsgronden van [appellant sub 5] over beschermde natuurgebieden inhoudelijk behandelen, voor zover deze betrekking hebben op het Natura 2000-gebied "Oude Maas". Voor het overige verzet artikel 8:69a van de Awb zich tegen een inhoudelijke behandeling van beroepsgronden die zijn aangevoerd over de aantasting van beschermde natuurgebieden die deel uitmaken van Natura 2000 en het NNN.

- Beroepsgronden [appellant sub 5]

89.    [appellant sub 5] betoogt dat de windturbines niet in een natuurgebied mogen worden geplaatst.

89.1.    Zoals hiervoor is overwogen, kan deze beroepsgrond alleen inhoudelijk worden behandeld voor zover het gaat om het Natura 2000-gebied "Oude Maas".

Het plan maakt geen windturbines mogelijk op gronden die behoren tot het Natura 2000-gebied "Oude Maas". Het plangebied grenst wel aan dit Natura 2000-gebied. Bij de voorbereiding van het plan zijn de gevolgen voor beschermde natuurgebieden onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Natuuronderzoek natuurwetgeving t.b.v. Windmolenlocatie Oude Maas" van Groenteam van 14 maart 2017. De raad heeft op grond van dit onderzoek geconcludeerd dat de gevolgen voor beschermde natuurgebieden aanvaardbaar zijn. [appellant sub 5] heeft de resultaten van het natuuronderzoek niet concreet bestreden. Reeds hierom kan de beroepsgrond niet slagen.

Beschermde diersoorten

90.    [appellant sub 1], [appellant sub 6], Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht voeren beroepsgronden aan over de gevolgen van het windpark voor beschermde diersoorten. Deze beroepsgronden gaan onder meer over sterfte onder vogels en vleermuizen door aanvaringen met de windturbines, over andersoortige gevolgen voor broedvogels, vleermuizen, de bever en de noordse woelmuis en over de manier waarop de gevolgen voor beschermde diersoorten zijn onderzocht.

91.    De Afdeling vat deze gronden zo op dat appellanten betogen dat de bepalingen uit de Wnb over soortenbescherming aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan.

91.1.    De Afdeling zal eerst beoordelen of artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden over de gevolgen van het windpark voor beschermde diersoorten.

Een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb brengt met zich dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Wnb over soortenbescherming omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten betoge dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is.

De ingeroepen normen uit de Wnb strekken tot bescherming van diersoorten. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3238, onder 8.3, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb in zoverre beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

- Natuurlijke personen

92.    De aanvaringen van vogels en vleermuizen doen zich voor ter plaatse van de windturbines. De overige gestelde gevolgen voor beschermde diersoorten doen zich alleen voor in de directe omgeving van de windturbines. [appellant sub 1], [appellant sub 6], [appellant sub 7C] en [appellant sub 7D] wonen op een afstand van meer dan 650 m van de dichtstbijzijnde windturbine. Voor [appellant sub 6], [appellant sub 7C] en [appellant sub 7D] geldt daarbij tevens dat zij op de andere oever van de Oude Maas wonen. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat de gestelde gevolgen van de windturbines voor beschermde diersoorten de kwaliteit van de directe leefomgeving van deze appellanten zullen aantasten. Er is daarom geen nauwe verwevenheid van de belangen van appellanten bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. De bepalingen uit de Wnb die in het kader van de soortenbescherming relevant zijn, strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1], [appellant sub 6], [appellant sub 7C] en [appellant sub 7D].

- Stichting Wind van Voren

93.    De Stichting Wind van Voren beschermt volgens de statuten de leefomgeving van Barendrecht en directe omgeving, waaronder volgens de statuten onder meer het behouden van de natuur en de flora en fauna valt. Zoals onder 86 is overwogen, moet de term "leefomgeving" zo worden uitgelegd, dat de stichting zich richt op de bescherming van de leefomgeving van de bewoners van Barendrecht en directe omgeving en niet op de bescherming van natuurbelangen als zodanig. De kortste afstand van het windpark tot Barendrecht bedraagt ongeveer 400 m. Gelet hierop en gelet op het feit dat de windturbines op de zuidelijke oever van de Oude Maas komen te staan, is niet aannemelijk dat de gestelde gevolgen van de windturbines voor beschermde diersoorten de kwaliteit van de leefomgeving van de bewoners van Barendrecht en directe omgeving zullen aantasten. De normen uit de Wnb over soortenbescherming strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen waarvoor de stichting blijkens haar statuten en feitelijke werkzaamheden opkomt.

- Gemeente Barendrecht

94.    Beoordeeld moet worden of met het inroepen van de normen over soortenbescherming uit de Wnb door het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht belangen aan de orde zijn die aan deze bestuursorganen zijn toevertrouwd.

De gestelde gevolgen voor beschermde diersoorten doen zich voor buiten het grondgebied van de gemeente Barendrecht op de andere oever van de Oude Maas. De kortste afstand van de windturbines tot het grondgebied van de gemeente Barendrecht bedraagt ongeveer 400 m.

94.1.    Voor zover het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht zich beroepen op natuurbelangen als aan hen toevertrouwde belangen, is de Afdeling van oordeel dat de bescherming van beschermde diersoorten tegen gevolgen van besluiten van andere bestuursorganen die zich voordoen buiten het eigen grondgebied van de gemeente geen belang is dat aan het college van burgemeester en wethouders en/of de raad van de gemeente Barendrecht is toevertrouwd.

Voor zover het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht opkomen voor de beleving van beschermde diersoorten door hun inwoners, stelt de Afdeling vast dat in het kader van de ruimtelijke ordening van het grondgebied van de gemeente Barendrecht aan het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht mede is toevertrouwd het belang van het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van inwoners, welk belang verweven kan zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit belang wordt echter niet geraakt door de gestelde gevolgen van de windturbines voor beschermde diersoorten. Omdat de windturbines op meer dan 400 m van het grondgebied van Barendrecht komen te staan en de gestelde gevolgen zich alleen ter plaatse van de windturbines en in de directe omgeving daarvan zullen voordoen, is aantasting van de directe leefomgeving van de inwoners van de gemeente Barendrecht niet aan de orde. De normen over soortenbescherming uit de Wnb strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de aan het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Barendrecht toevertrouwde ruimtelijke-ordeningsbelangen.

94.2.    De rechtspersoon gemeente Barendrecht is eigenaar van gronden ten zuiden van de bebouwde kom van Barendrecht. Zoals hiervoor is overwogen, doen de gestelde gevolgen voor beschermde diersoorten zich alleen voor ter plaatse van de windturbines en in de directe omgeving daarvan. Gelet op de afstand van meer dan 400 m tot de gronden waarvan de gemeente Barendrecht eigenaar is, is niet gebleken van belangen van de gemeente als grondeigenaar die nauw verweven zijn met de door de Wnb beschermde algemene belangen. De normen in de Wnb die in het kader van de soortenbescherming relevant zijn, strekken daarom kennelijk niet ter bescherming van het belang van de gemeente Barendrecht als eigenaar van deze gronden.

- Conclusie relativiteit

95.    Artikel 8:69a van de Awb verzet zich tegen een inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden die zijn aangevoerd over de gevolgen van het windpark voor beschermde diersoorten.

AANTASTING BOS- EN RECREATIEGEBIED

96.    [appellant sub 1] stelt dat het gebied rond de oevers van de Oude Maas door veel inwoners van Barendrecht, de Hoeksche Waard en Rotterdam als recreatiegebied wordt gebruikt. Volgens hem tasten de windturbines de rust in het gebied aan. Daarnaast stelt [appellant sub 1] dat er als gevolg van het plan minder bos zal zijn, terwijl er al weinig bos is.

De gemeente Barendrecht voert aan dat recreatie- en bosgebied aan de Barendrechtse kant van de Oude Maas wordt aangetast. Ter zitting heeft zij toegelicht dat hier geen bomen worden gekapt, maar dat de beleving van dit gebied volgens haar wordt aangetast door het windpark op de andere oever.

96.1.    Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het windpark tot verlies van bosgebied leidt, staat artikel 8:69a van de Awb aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond in de weg. Het gaat hierbij namelijk om de aantasting van een deel van het NNN ter plaatse van de middelste van de vijf windturbines. [appellant sub 1] woont op ongeveer 2,5 km afstand van dit bosgebied, zodat het geen onderdeel vormt van zijn directe woon- en leefomgeving.

96.2.    De raad erkent dat het windpark effecten zal hebben op de omgeving. De raad acht de gevolgen voor de rust en ontspanning van recreanten in het gebied echter aanvaardbaar.

96.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen en heeft hij bij de belangenafweging in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen die met het windpark worden gediend dan aan het belang van het behoud van rust, stilte en beleving voor recreanten in het gebied rond de oevers van de Oude Maas. Daarbij is mede van belang dat de gronden op de zuidelijke oever van de Oude Maas in de geldende bestemmingsplannen niet specifiek voor recreatie bestemd zijn en in het provinciale en gemeentelijke beleid niet als recreatiegebied zijn aangeduid. Een deel van de gronden op de noordelijke oever ter hoogte van het windpark heeft in het geldende bestemmingsplan een bestemming die is gericht op recreatie, maar de geluidbelasting zal hier veel lager zijn dan op de zuidelijke oever. Volgens het akoestisch onderzoek blijft de geluidbelasting vanwege het windpark vrijwel overal op de noordelijke oever onder de 47 dB Lden.

De betogen falen.

AANTASTING LANDSCHAPPELIJKE EN CULTUURHISTORISCHE WAARDEN

97.    De gemeente Barendrecht, [appellant sub 4], Rivierpark de Oude Maas en [appellant sub 3] voeren beroepsgronden aan over de aantasting van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

98.    De gemeente Barendrecht, [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas betogen dat het windpark in strijd is met het provinciale beleid uit de Nota Wervelender.

De gemeente Barendrecht stelt dat het plangebied binnen het gebied ligt dat in de Nota Wervelender is aangewezen als topgebied cultureel erfgoed. De Nota Wervelender staat volgens haar weliswaar lijnopstellingen van windturbines toe aan de randen van deze topgebieden, maar alleen voor zover de windturbines in aaneengesloten grootschalige opstellingen worden geplaatst en er een nadere beoordeling en afweging wordt gemaakt op basis van maatwerk. De gemeente Barendrecht stelt dat in dit geval geen sprake is van aaneengesloten grootschalige opstellingen. De raad heeft volgens haar onvoldoende gemotiveerd waarom is afgeweken van de Nota Wervelender.

[appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas betogen dat uit de Nota Wervelender volgt dat de topgebieden cultureel erfgoed vanwege cultuurhistorische waarden gevrijwaard moeten blijven van windturbines.

98.1.    Zoals onder 36.1 is vermeld, bevat de Nota Wervelender uit 2011 een actualisatie van de plaatsingsvisie voor windturbines in Zuid-Holland. De plaatsing van windturbines aan de randen van de vrijwaringsgebieden is volgens de Nota Wervelender onder voorwaarden mogelijk. De voorkeur gaat daarbij uit naar de combinatie met open wateren, dammen, dijken, hoofdinfrastructuur en grootschalige bedrijventerreinen.

98.2.    Zoals eerder is overwogen, is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid, maar moet hij wel rekening houden met dit beleid en het in zijn belangenafweging betrekken.

Op grond van figuur 3 in paragraaf 3.3 van de Nota Wervelender gaat de Afdeling ervan uit dat het plangebied net buiten het topgebied cultureel erfgoed ligt. Het plangebied ligt wel binnen het nationaal landschap Hoeksche Waard en maakt om die reden deel uit van een vrijwaringsgebied. De Nota Wervelender was echter ten tijde van de vaststelling van het plan, voor zover het de locatie Oude Maas betreft, niet meer het geldende provinciale beleid voor de plaatsing van windturbines in landschappelijk of cultuurhistorisch waardevolle gebieden. De Afdeling verwijst op dit punt naar hetgeen onder 36.1 is overwogen. De Afdeling komt daarom niet toe aan een beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden uit de Nota Wervelender voor het plaatsen van windturbines aan de randen van een vrijwaringsgebied.

De betogen falen.

99.    De gemeente Barendrecht wijst daarnaast op het gemeentelijke beleid uit de Structuurvisie Binnenmaas 2020, het regionale beleid uit de Structuurvisie Hoeksche Waard en het provinciale beleid uit de VRM.

100.    Volgens de gemeente Barendrecht volgt uit de gemeentelijke Structuurvisie Binnenmaas 2020 dat de kernkwaliteiten van het landschap behouden moeten blijven. Het windpark doet volgens haar afbreuk aan deze kwaliteiten, omdat het plan geen rekening houdt met de grote ecologische waarde en beschermde status van het landschap.

100.1.    Volgens de gemeentelijke Structuurvisie Binnenmaas 2020 zijn de kernkwaliteiten van het nationaal landschap Hoeksche waard mede het uitgangspunt voor nieuwe ruimtelijke en economische ontwikkelingen in de gemeente Binnenmaas. In paragraaf 3.3 van de structuurvisie worden als kernkwaliteiten van het nationaal landschap genoemd het polderpatroon, het reliëf van kreken en dijken en de openheid van het landschap. De kernkwaliteiten van het nationaal landschap moeten volgens de structuurvisie worden behouden of verstrekt.

100.2.    De Afdeling overweegt dat de openheid van het landschap de enige kernkwaliteit is die door de windturbines kan worden aangetast. De windturbines zijn niet van invloed op het polderpatroon en het reliëf van kreken en dijken.

De raad stelt zich op het standpunt dat de openheid van het landschap vooral wordt aangetast door het vullen van open ruimten. Daarvan is volgens de raad in dit geval geen sprake. Omdat het windpark aan de rand van de Hoeksche Waard wordt geplaatst, is er zo weinig mogelijk opvulling van open ruimte. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de kernkwaliteit openheid van het landschap in dit geval niet onaanvaardbaar wordt aangetast. De raad heeft er daarnaast op gewezen dat het windpark past in het gemeentelijke beleid voor duurzame energie. Duurzame ontwikkeling en de opwekking van duurzame energie behoren tot de beleidsdoelstellingen die in de gemeentelijke structuurvisie worden genoemd.

Gelet hierop is het plan niet in strijd met de gemeentelijke Structuurvisie Binnenmaas 2020.

Het betoog faalt.

101.    De gemeente Barendrecht betoogt dat volgens de Structuurvisie Hoeksche Waard op deze locatie een weidse blik op het nationaal landschap de Hoeksche Waard behouden moet blijven. Het windpark ontneemt volgens haar de ononderbroken weidse blik op het nationaal landschap.

101.1.    De Structuurvisie Hoeksche Waard is een gezamenlijke structuurvisie die is vastgesteld door de gemeenteraden van een aantal gemeenten in de Hoeksche Waard, waaronder de voormalige gemeente Binnenmaas. De Afdeling beschouwt deze structuurvisie daarom als eigen beleid van de raad.

De gemeente Barendrecht heeft verwezen naar paragraaf 5.1 van de Structuurvisie Hoeksche Waard. Daarin is vermeld dat vijf locaties in beeld zijn voor de plaatsing van windturbines en dat een nadere afweging nodig is. Een van de zoekgebieden is de locatie Oude Maas. Daarover is in de structuurvisie vermeld dat bij de Heinenoordtunnel een koppeling mogelijk is met aanwezige grootschalige infrastructuur en dat de horizon, met name aan de noordzijde, minder open is vanwege het zicht op de skyline van de Rotterdamse regio. Door de plaatsing van windturbines aan weerszijden van de A29 kan volgens de structuurvisie een poorteffect worden gecreëerd dat de entree van de Hoeksche Waard markeert; de turbines bewaken als poortwachters het open karakter van de Hoeksche Waard. De voorziene groene ontwikkelingen in de Noordrand en de ligging van een Natura 2000-gebied vormen beperkingen. Ook zal rekening moeten worden gehouden met het streven om de weggebruiker bij binnenkomst in de Hoeksche Waard een weidse blik op het nationaal landschap aan te bieden, conform het rijksbeleid voor het snelwegpanorama A29, aldus de Structuurvisie Hoeksche Waard.

101.2.    De Afdeling leidt uit het bovenstaande af dat de Structuurvisie Hoeksche Waard er niet op voorhand van uitgaat dat windturbines op de locatie Oude Maas - die in de structuurvisie uitdrukkelijk als zoekgebied is aangewezen - in strijd zijn met het streven naar een weidse blik op het nationaal landschap Hoeksche Waard. Dit is weliswaar een aandachtspunt bij een nader onderzoek naar deze locatie, maar de Structuurvisie gaat er ook van uit dat het juist mogelijk is om een poorteffect te creëren waarbij de weidse blik op het landschap behouden blijft. Naar het oordeel van de Afdeling is het plan dan ook niet in strijd met de Structuurvisie Hoeksche Waard.

Het betoog faalt.

102.    De gemeente Barendrecht betoogt daarnaast dat het plan in strijd is met de VRM. In de eerste plaats geeft de beeldkwaliteitsparagraaf in de plantoelichting volgens haar geen inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van de windturbines op de omgeving. Daarnaast stelt de gemeente Barendrecht dat volgens de VRM geschikte gebieden voor windturbines gebieden zijn waarin windenergie gecombineerd kan worden met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water. Op de gekozen locatie is echter geen bedrijvigheid aanwezig.

102.1.    Zoals hiervoor is overwogen, is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid, maar moet hij wel rekening houden met dit beleid.

102.2.    In de VRM en de Verordening, zoals die destijds luidde, zijn locaties voor windenergie aangewezen. De locatie Oude Maas is een van die locaties. Zoals onder 36.3 is overwogen, zijn de in paragraaf 4.4.2 van de VRM, zoals die ten tijde van de vaststelling van het plan luidde, genoemde criteria niet cumulatief. Nu het windpark Oude Maas op een grootschalige scheidslijn tussen land en water komt te staan, is het plan niet in strijd met de plaatsingscriteria uit de VRM, ook als op die plaats niet tevens grootschalige bedrijvigheid aanwezig is.

102.3.    In bijlage 1 bij de VRM, zoals die ten tijde van de vaststelling van het plan luidde, staat dat bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energieopwekking een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht zal moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving.

In paragraaf 4.5 van de plantoelichting is een beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen. Deze beeldkwaliteitsparagraaf voldoet volgens de raad aan de eisen. In de beeldkwaliteitsparagraaf wordt verwezen naar het gebiedsprofiel voor de Hoeksche Waard, dat is opgesteld als uitwerking van de kwaliteitskaart in de VRM, en de daarin opgenomen ambities. Een van die ambities is het behoud van het zeer open karakter van de jonge aanwaspolders met kenmerkende grootschalige verkaveling. In paragraaf 4.5 van de plantoelichting staat dat vanuit de ambities uit het gebiedsprofiel een integraal ontwerp is opgesteld, waarin aandacht is besteed aan een zorgvuldige landschappelijke inpassing en aan de ambities uit het gebiedsprofiel. Hierover is onder meer vermeld dat de openheid van het gebied zo veel mogelijk behouden blijft vanwege de relatief grote onderlinge afstand en de slanke vorm van de windturbines, dat er een natuurcompensatieplan is en dat obstakelverlichting moet worden toegepast.

102.4.    Naar het oordeel van de Afdeling geeft de beeldkwaliteitsparagraaf in paragraaf 4.5 van de plantoelichting voldoende inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van de windturbines op de omgeving. De raad heeft deze aspecten beoordeeld aan de hand van de ambities uit het gebiedsprofiel, in het bijzonder het streven naar behoud van de openheid van het landschap en de grootschalige verkaveling. In de beeldkwaliteitsparagraaf heeft de raad de effecten van het plan op dat punt voldoende onderbouwd. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het windpark door de gekozen locatie en opstelling de openheid van het landschap niet aantast en dat de gevolgen voor het landschap aanvaardbaar zijn.

Ook in zoverre ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd is met het provinciale beleid uit de VRM.

103.    [appellant sub 3] voert aan dat de openheid van het landschap langs de Oude Maas ter hoogte van zijn recreatiewoning wordt aangetast. Deze openheid is volgens hem zeldzaam in de dicht verstedelijkte omgeving.

103.1.    De raad stelt dat de windturbines ranke bouwwerken zijn die de openheid van het landschap niet wegnemen. Bovendien staan de windturbines op relatief grote afstand van elkaar. De windturbines zullen volgens de raad wel effect hebben op de beleving van het gebied, maar ze nemen het zicht op het achterliggende gebied niet weg.

103.2.    De vijf windturbines komen ten minste 375 m uit elkaar te staan en nemen het zicht op het landschap van de Hoeksche Waard vanaf de noordkant niet weg. De windturbines vormen wel een aantasting van de vrije horizon. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij zijn belangenafweging in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die met het windpark worden gediend dan aan het belang van het behoud van de vrije horizon. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het gemeentelijke, regionale en provinciale beleid voor de bescherming van het landschap zich niet tegen de plaatsing van de windturbines op deze locatie verzet. De Afdeling verwijst daarbij naar hetgeen hiervoor is overwogen.

Het betoog faalt.

OVERIGE BEROEPSGRONDEN OVER GEVOLGEN VOOR HET WOON- EN  LEEFKLIMAAT, WAARDEDALING EN BELANGENAFWEGING

104.    [appellant sub 10] betoogt dat de windturbines vanuit zijn woning zichtbaar zijn en het uitzicht aantasten. Bovendien veroorzaken de draaiende windturbines een onrustig beeld. [appellant sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas vrezen ook aantasting van hun uitzicht. [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas stellen in dat verband dat veel chaleteigenaren hun recreatiewoning juist hebben gekocht vanwege de ligging tegenover een natuurgebied zonder opvallende bebouwing.

104.1.    De raad erkent dat de windturbines gevolgen hebben voor het uitzicht van de omwonenden. Hij heeft dit bij de besluitvorming echter niet doorslaggevend geacht. De gevolgen voor het uitzicht zijn volgens de raad aanvaardbaar.

104.2.    De Afdeling stelt voorop dat noch aan de Wro, noch aan enige andere toepasselijke regeling een recht op blijvend vrij uitzicht kan worden ontleend. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen die met de realisatie van het windpark worden gediend dan aan het belang van de omwonenden bij het behoud van het bestaande uitzicht. Voor zover [appellant sub 10] betoogt dat de draaiende wieken een onrustig beeld geven en daardoor het uitzicht extra aantasten, overweegt de Afdeling dat de raad het zicht op de draaiende wieken in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten, mede gelet op de afstand van ruim 1,5 km tussen het windpark en de woning van [appellant sub 10]. Voor zover [appellant sub 10] doelt op slagschaduw, verwijst de Afdeling naar overweging 63 en volgende van deze uitspraak.

De betogen falen.

105.    [appellant sub 1], [appellant sub 10] en Duykerzight vrezen dat de waarde van hun woningen zal verminderen door de windturbines. [appellant sub 10] wijst in dit verband op enkele rechterlijke uitspraken over de WOZ-waarde van woningen nabij windturbines en op de "aftrek windmolens" die de gemeente Aa en Hunze sinds 2016 toepast.

106.    Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 10] en de eigenaren voor wie Duykerzight opkomt, acht de Afdeling het niet aannemelijk gemaakt dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

De betogen falen.

107.    [appellant sub 4], Rivierpark de Oude Maas, [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 1], Duykerzight en de gemeente Barendrecht betogen dat de raad geen evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt door ondanks alle nadelige gevolgen voor de omwonenden en de omgeving toch te kiezen voor een windpark op de locatie Oude Maas. Zij wijzen in dat verband onder meer op geluidhinder, slagschaduw, aantasting van het uitzicht, waardedaling van woningen, gevolgen voor de veiligheid en/of gevolgen voor het landschap. Ook wijst een aantal appellanten erop dat Barendrecht al zwaar wordt belast door andere bronnen van met name geluidhinder. Volgens deze appellanten is een windpark op deze plaats, ondanks het feit dat aan wettelijke normen wordt voldaan, toch niet aanvaardbaar vanwege de aantasting van de belangen van de omwonenden. [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 1], Duykerzight en de gemeente Barendrecht betogen in dat verband ook dat de raad de financiële belangen van de initiatiefnemers ten onrechte zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van de omwonenden en de omgeving. [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas voeren aan dat de raad onder druk van de initiatiefnemers de maximumhoogte van de windturbines heeft verhoogd.

107.1.    Bij de vaststelling van het plan heeft de raad veel gewicht toegekend aan het algemene belang dat wordt gediend met het windpark, namelijk de opwekking van duurzame energie om daarmee een bijdrage te leveren aan de landelijke en provinciale doelstellingen die onder meer zijn vastgelegd in het Energieakkoord. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad het windpark mogelijk heeft gemaakt met het oog op deze algemene belangen en niet vanwege de wensen of de financiële belangen van de initiatiefnemers. De raad heeft daarbij de gevolgen voor de omwonenden en de omgeving onderzocht en aanvaardbaar geacht.

De raad heeft de maximale tiphoogte op verzoek van de initiatiefnemers verhoogd tot 187 m in vergelijking met eerdere voornemens. Zoals hiervoor onder 31.1 en 31.2 is vermeld, zijn de redenen voor de verhoging van de maximale tiphoogte de financiële uitvoerbaarheid van het plan en het goed en veilig functioneren van de windturbines. Anders dan [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas betogen, worden hiermee niet uitsluitend de financiële belangen van de initiatiefnemers gediend.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een groot gewicht kunnen toekennen aan het algemene belang van de opwekking van duurzame energie. De keuze van de raad om een windpark met vijf grote windturbines mogelijk te maken op de locatie Oude Maas heeft gevolgen voor de omwonenden en de omgeving. Zoals volgt uit de overwegingen over onder meer geluid en slagschaduw, is het windpark Oude Maas niet in strijd met wettelijke normen. Gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen, acht de Afdeling de gevolgen voor de omwonenden niet zo ernstig dat de raad, na een afweging van de algemene belangen en de belangen van de omwonenden en de omgeving, in redelijkheid geen windpark mogelijk had kunnen maken op de locatie Oude Maas.

De betogen falen.

108.    [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas betogen daarnaast dat de - volgens hen geringe - extra opbrengst aan windenergie niet opweegt tegen de zeer hoge bedragen die aan subsidie worden verstrekt voor het windpark. Ook op dit punt heeft de raad volgens hen geen evenwichtige belangenafweging gemaakt.

108.1.    De SDE+-subsidie voor het windpark wordt door de rijksoverheid verleend. Of de subsidie een zinvolle besteding van overheidsgeld is, is geen aspect dat de raad bij de vaststelling van het plan moet beoordelen. Dit houdt namelijk geen verband met de vraag of het windpark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

SCHAARSE RECHTEN

109.    Wind van Voren en anderen betogen dat sprake is van een schaarse vergunning. Zij stellen dat de mogelijkheden om windturbines te realiseren in de voormalige gemeente Binnenmaas door de bestreden besluiten beperkt zijn tot één locatie, namelijk de locatie langs de Oude Maas. Hierdoor kunnen volgens Wind van Voren en anderen alleen de twee initiatiefnemers Eneco Wind en POG-REF windturbines in het gebied realiseren, terwijl het potentieel aantal gegadigden volgens hen groter is. Ter zitting hebben zij gesteld zelf te willen participeren in een windenergieproject. Wind van Voren en anderen betogen dat het voor nieuwkomers vrijwel onmogelijk is om toe te treden tot de markt en dat geen duidelijke, eerlijke en openbare verdelingsprocedure is toegepast. Zij achten dit in strijd met de geldende regels en normen voor de verdeling van schaarse vergunningen in het Unierecht en nationaal recht. Het plan en de omgevingsvergunningen kunnen daarom volgens Wind van Voren en anderen niet in stand blijven.

109.1.    De raad en het college stellen zich op het standpunt dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste tot gevolg heeft dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot een vernietiging van het plan en de verleende omgevingsvergunningen.

109.2.    De statutaire doelstelling van de stichting Wind van Voren is het verzorgen van de informatievoorziening over de gevolgen en risico’s van de plaatsing van windturbines in een dicht bewoond gebied en in natuur- en recreatiegebied en het ondernemen van (juridische) acties om het plaatsen van windturbines te voorkomen. Verder beschermt de stichting volgens de statuten de leefomgeving van Barendrecht en directe omgeving. De stichting tracht de doelstellingen blijkens haar statuten onder meer te bereiken door het beleggen van vergaderingen en hoorzittingen, het verstrekken van informatie en het geven van voorlichting over de leefbaarheid van het werkgebied, het beïnvloeden van de politiek, steun aan initiatieven ter bevordering van de leefbaarheid, het milieu en de natuur in het gebied en het optreden in rechte. Uit de statuten blijkt niet dat de stichting ook tot doel heeft om te participeren in windenergieprojecten. Uit de statutaire doelstellingen en de aangevoerde beroepsgronden blijkt dat de stichting Wind van Voren juist tegenstander is van windturbines in de voormalige gemeente Binnenmaas vanwege de gevolgen voor de leefbaarheid, het milieu en de natuur in haar werkgebied. Ook het belang van de natuurlijke personen die samen met de stichting beroep hebben ingesteld is gelegen in het voorkomen van de plaatsing van windturbines. De Afdeling stelt verder vast dat niet is gebleken van concrete plannen van de stichting Wind van Voren of de natuurlijke personen die met haar beroep hebben ingesteld om te participeren in windenergieprojecten in het algemeen of in het windpark Oude Maas in het bijzonder.

De Afdeling is daarom van oordeel dat de door Wind van Voren en anderen ingeroepen regels voor de verdeling van schaarse rechten kennelijk niet strekken ter bescherming van de belangen van Wind van Voren en anderen. De beroepsgrond over schaarse rechten blijft daarom buiten inhoudelijke bespreking.

FINANCIËLE UITVOERBAARHEID VAN HET PLAN

110.    De gemeente Barendrecht, Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] voeren beroepsgronden aan over de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

111.     In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

112.    De gemeente Barendrecht voert aan dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is aangetoond. De raad is bij de beoordeling van de financiële uitvoerbaarheid uitgegaan van de huidige tarieven van de SDE+-regeling, maar volgens de gemeente Barendrecht is te verwachten dat de subsidies de komende jaren lager zullen worden. Dat betekent volgens haar dat geen rendabele exploitatie van het windpark mogelijk is.

112.1.    In paragraaf 8.2 van de plantoelichting is de raad ingegaan op de financiële uitvoerbaarheid van het plan. In de plantoelichting staat dat het windpark naar verwachting ongeveer 60 GWh per jaar oplevert en dat het project onder de huidige omstandigheden minimaal 15 jaar rendabel geëxploiteerd kan worden. Dit is volgens de plantoelichting ook de looptijd van de SDE+-regeling, waarmee het Rijk de elektriciteitsopbrengsten aanvult tot het basisbedrag dat nodig is om de investering terug te kunnen verdienen binnen een redelijke termijn.

112.2.    Met de SDE+-subsidie wordt gedurende 15 jaar de zogeheten onrendabele top gecompenseerd. Dat is het verschil tussen de kostprijs van de hernieuwbare energie die met de windturbines wordt opgewekt en de opbrengst van grijze energie. De hoogte van een toegekende subsidie kan gedurende de looptijd alleen worden bijgesteld naar aanleiding van veranderingen in de energieprijs. De onrendabele top wordt dan nog steeds vergoed. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat dergelijke wijzigingen in de hoogte van de subsidie een nadelige invloed kunnen hebben op de rentabiliteit van het windpark. De Afdeling ziet in hetgeen de gemeente Barendrecht heeft aangevoerd dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan binnen de planperiode financieel niet uitvoerbaar is.

Het betoog faalt.

113.    Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] voeren aan dat het plan financieel niet uitvoerbaar is vanwege de kosten van planschadevergoedingen. Er is weliswaar een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten over de vergoeding van planschadekosten, maar [appellant sub 6] vreest dat de kosten in de praktijk niet te verhalen zullen zijn, bijvoorbeeld omdat de initiatiefnemer inmiddels failliet is, niet meer bestaat of niet kan betalen. Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] stellen dat de financiële positie van POG-REF nu al niet goed is. Bovendien is de energieopbrengst van de windturbines volgens hen overschat. Voor de bepaling van de opbrengst is uitgegaan van een meetlocatie die windrijker is dan de locatie die in het plan is vastgelegd en daarnaast gaat het rendement achteruit door onder meer slijtage. Door de lagere opbrengst van het windpark is er volgens Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] nog minder financiële ruimte voor de vergoeding van planschadekosten.

113.1.    Voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft de gemeente een overeenkomst gesloten met de initiatiefnemers. Daarin is vastgelegd dat de kosten van planschade volledig op de initiatiefnemers zullen worden verhaald. Daarnaast is in de overeenkomst vastgelegd dat Eneco Wind en POG-REF vóór de vergunningverlening bankgaranties afgeven. De Afdeling ziet in hetgeen Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] hebben aangevoerd geen grond voor de verwachting dat Eneco Wind en POG-REF de planschadekosten niet zullen kunnen dragen. Daarbij is mede van belang dat Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] hun stelling dat de planschadekosten ongeveer € 1.900.000 zullen bedragen voor het chaletpark en daarnaast nog vele miljoenen voor de appartementencomplexen in Barendrecht niet nader hebben onderbouwd met bijvoorbeeld taxaties. Voor zover de initiatiefnemers de planschadekosten niet zouden kunnen dragen, is bovendien van belang dat de verplichting tot betaling van planschadevergoeding op grond van artikel 6.1 van de Wro blijft rusten op burgemeester en wethouders. De Afdeling ziet geen grond voor de verwachting dat de gemeente Hoeksche Waard - waarin de gemeente Binnenmaas inmiddels is opgegaan - de kosten van de planschadevergoedingen niet zou kunnen dragen in het geval dat deze kosten niet volledig op Eneco Wind en POG-REF zouden kunnen worden verhaald.

113.2.    Voor zover is aangevoerd dat de energieopbrengst is overschat, overweegt de Afdeling het volgende. In het milieueffectrapport is de energieopbrengst berekend voor de verschillende alternatieven. Voor het voorkeursalternatief is de energieopbrengst, gecorrigeerd voor mitigerende maatregelen in verband met slagschaduw, berekend op 61 GWh per jaar. De raad is in de plantoelichting uitgegaan van een opbrengst van ongeveer 60 GWh per jaar. Bij die opbrengst is volgens hem een rendabele exploitatie mogelijk. Anders dan Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] hebben gesteld, blijkt uit de stukken niet dat de berekeningen van de energieopbrengst zijn gebaseerd op de windgegevens van een locatie aan de Nieuwe Waterweg die windrijker is dan de gekozen locatie aan de Oude Maas. In zoverre bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de energieopbrengst is overschat. Daarnaast hebben Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] niet aannemelijk gemaakt dat onder meer slijtage een zodanige invloed op de energieopbrengst zal hebben, dat het windpark na enige tijd niet meer rendabel is te exploiteren.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de berekening van de opbrengst van het windpark zodanige onjuistheden bevat, dat de raad op voorhand in redelijkheid aan de uitvoerbaarheid van het plan had moeten twijfelen.

113.3.    De betogen falen.

HERHALING ZIENSWIJZEN

114.    Duykerzight heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Duykerzight heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

RELATIVITEIT

115.    Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt en niet uitdrukkelijk op de toepassing van artikel 8:69a van de Awb is ingegaan, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of dat artikel aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat.

CONCLUSIE

116.    De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

117.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van Stichting Wind van Voren en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B];

II.    verklaart het beroep van Stichting Wind van Voren en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], de gemeente Barendrecht, het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht en de raad van de gemeente Barendrecht, [appellant sub 3] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], Vereniging van Chaleteigenaren Rivierpark de Oude Maas, Verenigingen van Eigenaren Duykerzight en Belangenvereniging Duykerzight en [appellant sub 10] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Duursma

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2019

378.

 

BIJLAGE

 

Bij overweging 6 (omvang van het geding)

Crisis- en herstelwet

Artikel 1.1

1. Afdeling 2 is van toepassing op:

a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten;

[…]

Artikel 1.6a

Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Bijlage I. Categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid

1. duurzame energie

[…]

1.2 aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998.

[…]

Bij overwegingen 8-15 (ontvankelijkheid)

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

[…]

3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Bij overwegingen 16-18 (toetsingskader)

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

e. 1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

[…]

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.

[…]

Artikel 2.14

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:

a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:

1˚. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;

2˚. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;

3˚. de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;

4˚. de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen;

5˚. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;

6˚. het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert;

b. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:

1˚. het voor hem geldende milieubeleidsplan;

2˚. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;

3˚. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;

c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:

1˚. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;

2˚. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;

3˚. in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;

4˚. de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, ten aanzien waarvan in het advies is aangegeven dat daaraan moet worden voldaan, voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het bepaalde in de andere onderdelen van dit lid of het tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22;

d. en betrekt het bevoegd gezag bij die beslissing de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in die maatregel.

[…]

3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

[…]

Bij overwegingen 19-20 (bevoegdheid tot vaststelling van het bestemmingsplan en verlening van de omgevingsvergunningen):

Elektriciteitswet 1998

Artikel 9d

1.  Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de besluiten aangewezen die voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, in ieder geval besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening zijn.

[…]

Artikel 9e

1. Provinciale staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. De gemeenteraad is voor de duur van tien jaren na de vaststelling van het inpassingsplan niet bevoegd voor die gronden een bestemmingsplan vast te stellen.

2. Provinciale staten geven in ieder geval toepassing aan de bevoegdheid op grond van het eerste lid indien een producent een voornemen tot de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid schriftelijk bij hen heeft gemeld en de betrokken gemeente een aanvraag van die producent tot vaststelling dan wel wijziging van een bestemmingplan ten behoeve van de realisatie van dat voornemen heeft afgewezen. Voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken gegevens kunnen provinciale staten een formulier vaststellen.

[…]

Artikel 9f

1. Gedeputeerde staten coördineren de voorbereiding en bekendmaking van de besluiten, aangewezen op grond van artikel 9d, eerste lid, ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid.

2. Gedeputeerde staten nemen de in het eerste lid bedoelde besluiten met uitsluiting van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan, tenzij dit een bestuursorgaan van het Rijk is.

[…]

6. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat het eerste of tweede lid niet van toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, indien:

a. in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de desbetreffende productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, of

b. is voldaan aan de krachtens artikel 9e, zesde lid, voor die provincie gestelde minimum realisatienorm.

Provinciewet

Artikel 107

1. Het provinciebestuur kan bevoegdheden van regeling en bestuur, gevorderd bij of krachtens een andere dan deze wet, voor het gebied van een of meer gemeenten of waterschappen overdragen aan de besturen van die gemeenten of waterschappen voor zover die bevoegdheden zich naar hun aard en schaal daartoe lenen en die besturen daarmee instemmen.

2.  Een besluit als bedoeld in het eerste lid regelt de gevolgen van intrekking van het besluit.

3.  Het ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste lid behoeft de instemming van provinciale staten en van de raden van de betrokken gemeenten onderscheidenlijk de algemene besturen van de betrokken waterschappen.

4.  Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt binnen een week toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.

5.  Ten aanzien van de bekendmaking van een besluit als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 136 tot en met 138 van overeenkomstige toepassing.

6.  De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van het provinciebestuur, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop, uitgezonderd die met betrekking tot vergaderingen, zijn ten aanzien van de ingevolge het eerste lid overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.

7.  Het provinciebestuur oefent geen toezicht uit en geeft geen voorschriften met betrekking tot de uitoefening van de ingevolge het eerste lid overgedragen bevoegdheden.

8.  Indien het verzoek van een gemeentebestuur of bestuur van een waterschap tot het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt afgewezen, wordt die afwijzing door het provinciebestuur met redenen omkleed.

Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten

Artikel 1

1. Als besluiten als bedoeld in artikel 9d, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 worden aangewezen besluiten als bedoeld in:

a. de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met inbegrip van een eventueel benodigde verklaring van geen bedenkingen, voor zover de desbetreffende omgevingsvergunning in elk geval betrekking heeft op een van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, e, f en g, van die wet, of op projecten of handelingen als bedoeld in artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht;

b. de artikelen 2.7, tweede lid, 3.3, eerste en derde lid, 3.8, eerste en derde lid, en 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste of derde lid, van de Wet natuurbescherming;

c. artikel 16.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

d. de artikelen 6.2, 6.4 en 6.5, onderdelen a en b, van de Waterwet;

e. [vervallen]

f. artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet;

g. artikel 15 van de Kernenergiewet.

[…]

Bij overweging 21 (toepassing coördinatieregeling)

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.30

1. Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:

a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of

b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.

[…]

3. Voor zover onder de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, mede een omgevingsvergunning is begrepen wordt bij de toepassing van de artikelen 2.1, eerste lid, onder c, 2.10 en 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in plaats van bestemmingsplan gelezen: bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, onder b.

Bij overweging 25 (procedurele beroepsgronden)

Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus)

Artikel 4. Toegang tot milieu-informatie

1. Elke Partij waarborgt dat, met inachtneming van de volgende leden van dit artikel, overheidsinstanties, in antwoord op een verzoek om milieu-informatie, deze informatie beschikbaar stellen aan het publiek, binnen het kader van de nationale wetgeving, waaronder, desgevraagd en behoudens het navolgende onderdeel b., afschriften van de feitelijke documentatie die deze informatie bevat of omvat:

a. zonder dat een bepaald belang behoeft te worden gesteld;

b. in de verzochte vorm, tenzij:

i. het voor de overheidsinstantie redelijk is dit in een andere vorm beschikbaar te stellen, in welk geval het beschikbaar stellen in die vorm met redenen wordt omkleed; of

ii. de informatie al voor het publiek beschikbaar is in een andere vorm.

2. De milieu-informatie bedoeld in het bovenstaande eerste lid wordt zo spoedig mogelijk beschikbaar gesteld en uiterlijk binnen een maand nadat het verzoek is ingediend, tenzij de omvang en de ingewikkeldheid van de informatie een verlenging van deze termijn rechtvaardigen tot ten hoogste twee maanden na het verzoek. De verzoeker wordt ingelicht over elke verlenging en over de redenen die deze rechtvaardigen.

3. Een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd indien:

a. de overheidsinstantie waaraan het verzoek is gericht de verzochte milieu-informatie niet bezit;

b. het verzoek kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze is geformuleerd; of

c. het verzoek nog onvoltooid materiaal of interne mededelingen van overheidsinstanties betreft, wanneer in een dergelijke uitzondering is voorzien in het nationale recht of bestendig gebruik, met inachtneming van het openbare belang dat met bekendmaking wordt gediend.

4. Een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd indien de bekendmaking een nadelige invloed zou hebben op:

a. de vertrouwelijkheid van het handelen van overheidsinstanties, wanneer in dergelijke vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal recht;

b. internationale betrekkingen, nationale defensie of openbare veiligheid;

c. de rechtspleging, de mogelijkheid van een persoon een eerlijk proces te verkrijgen of de bevoegdheid van een overheidsinstantie om een onderzoek te verrichten van strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aard;

d. de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële informatie, wanneer deze informatie bij wet beschermd wordt om een legitiem economisch belang te beschermen. Binnen dit kader wordt informatie over emissies bekend gemaakt die van belang is voor de bescherming van het milieu;

e. intellectuele eigendomsrechten;

f. de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens en/of -dossiers met betrekking tot een natuurlijk persoon wanneer die persoon niet heeft ingestemd met bekendmaking van de informatie aan het publiek, wanneer in deze vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal recht;

g. de belangen van een derde die de verzochte informatie heeft verstrekt zonder dat deze derde wettelijk verplicht is of wettelijk verplicht kan worden dat te doen, en wanneer die derde niet instemt met het vrijgeven van het materiaal; of

h. het milieu waarop de informatie betrekking heeft, zoals de voortplantingsgebieden van zeldzame soorten.

De bovengenoemde gronden voor weigering worden restrictief uitgelegd, met inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare belang en in aanmerking nemend of de verzochte informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

[…]

5. Indien een overheidsinstantie de verzochte milieu-informatie niet bezit, licht deze overheidsinstantie de verzoeker zo spoedig mogelijk in over de overheidsinstantie waarbij naar zijn mening de verzochte informatie kan worden aangevraagd, of het zendt het verzoek door aan die overheidsinstantie en licht de verzoeker hierover in.

6. Elke Partij waarborgt dat, indien informatie die ingevolge het voorgaande derde lid, onderdeel c, en vierde lid is uitgezonderd van bekendmaking kan worden afgescheiden zonder afbreuk te doen aan de vertrouwelijkheid van de uitgezonderde informatie, overheidsinstanties de overige milieu-informatie waarom is verzocht beschikbaar stellen.

7. Een weigering van een verzoek geschiedt schriftelijk indien het verzoek schriftelijk is gedaan of de verzoeker daarom verzoekt. Een weigering wordt met redenen omkleed en verschaft informatie over toegang tot de herzieningsprocedure waarin is voorzien in overeenstemming met artikel 9. De weigering geschiedt zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen een maand, tenzij de ingewikkeldheid van de informatie een verlenging van deze termijn rechtvaardigt tot ten hoogste twee maanden na het verzoek. De verzoeker wordt ingelicht over elke verlenging en over de redenen die deze rechtvaardigen.

8. Elke Partij kan haar overheidsinstanties toestaan kosten te heffen voor het verstrekken van informatie, maar deze vergoeding gaat een redelijk bedrag niet te boven. Overheidsinstanties die voornemens zijn dergelijke kosten te heffen voor het verstrekken van informatie stellen aan verzoekers een overzicht beschikbaar van de vergoedingen die kunnen worden geheven, met vermelding van de omstandigheden waarin deze kunnen worden geheven of vrijstelling kan worden verleend en wanneer het verstrekken van informatie afhankelijk is van vooruitbetaling van dergelijke kosten.

Artikel 5. Verzamelen en verspreiden van milieu-informatie

1. Elke Partij waarborgt dat:

a. overheidsinstanties milieu-informatie bezitten en actualiseren die van belang is voor hun functies;

b. er verplichte mechanismen worden ingesteld voor een adequate informatiestroom naar de overheidsinstanties over voorgestelde en bestaande activiteiten die het milieu aanmerkelijk kunnen beïnvloeden;

c. in het geval van een onmiddellijke bedreiging van de menselijke gezondheid of het milieu, hetzij veroorzaakt door menselijke activiteiten of ten gevolge van natuurlijke oorzaken, alle informatie die het publiek in staat kan stellen maatregelen te nemen om uit de bedreiging voortvloeiende schade te voorkomen of te beperken en die in bezit is van een overheidsinstantie onmiddellijk en terstond wordt verspreid onder leden van het publiek die getroffen kunnen worden.

2. Elke Partij waarborgt dat, binnen het kader van haar nationale wetgeving, de wijze waarop overheidsinstanties milieu-informatie beschikbaar stellen aan het publiek transparant is en dat milieu-informatie op doeltreffende wijze toegankelijk is, onder meer door:

a. het verstrekken van voldoende informatie aan het publiek over de aard en de strekking van de milieu-informatie die in het bezit is van de betrokken overheidsinstanties, de fundamentele voorwaarden waarop deze informatie beschikbaar wordt gesteld en toegankelijk is, en via welke procedure deze kan worden verkregen;

b. het instellen en in stand houden van praktische voorzieningen zoals:

i. voor het publiek toegankelijke lijsten, registers of bestanden;

ii. de eis dat overheidsfunctionarissen het publiek bijstaan bij het verkrijgen van toegang tot informatie ingevolge dit Verdrag; en

iii. het aanwijzen van contactpunten; en

c. het kosteloos verschaffen van toegang tot de milieu-informatie die zich bevindt in lijsten, registers of bestanden als bedoeld in het voorgaande onderdeel b., i).

3. Elke Partij waarborgt dat milieu-informatie in toenemende mate beschikbaar wordt in elektronische gegevensbestanden via openbare telecommunicatie-netwerken die gemakkelijk toegankelijk zijn voor het publiek. In deze vorm toegankelijke informatie zou dienen te omvatten:

a. rapporten over de toestand van het milieu, bedoeld in het navolgende vierde lid;

b. wetteksten over of verband houdend met het milieu;

c. indien van toepassing beleid, plannen en programma's over of verband houdend met het milieu, en milieu-akkoorden; en

d. andere informatie, voor zover de beschikbaarheid van deze informatie in deze vorm de toepassing van nationale wetgeving ter uitvoering van dit Verdrag zou kunnen vergemakkelijken, mits zulke informatie reeds beschikbaar is in elektronische vorm.

4. Elke Partij publiceert en verspreidt, met regelmatige tussenpozen van ten hoogste drie of vier jaar een nationaal rapport over de toestand van het milieu, met inbegrip van informatie over de kwaliteit van het milieu en informatie over op het milieu uitgeoefende druk.

5. Elke Partij neemt maatregelen binnen het kader van haar wetgeving voor de verspreiding van, onder meer:

a. wetgeving en beleidsdocumenten zoals documenten over strategieën, beleid, programma's en actieplannen betreffende het milieu, en voortgangsrapporten over hun uitvoering, voorbereid op verschillende overheidsniveaus;

b. internationale verdragen en overeenkomsten over milieu-onderwerpen; en

c. indien van toepassing, andere belangrijke internationale documenten over milieu-onderwerpen.

6. Elke Partij moedigt exploitanten wier activiteiten een aanmerkelijke invloed op het milieu hebben aan het publiek regelmatig te informeren over de gevolgen van hun activiteiten en producten voor het milieu, indien van toepassing, binnen het kader van vrijwillige milieukeur- of milieuauditsystemen of met andere middelen.

7. Elke Partij:

a. publiceert de feiten en feitenanalyses die zij relevant en belangrijk acht voor het opstellen van essentiële milieubeleidsvoorstellen;

b. publiceert, of maakt op andere wijze beschikbaar toelichtend materiaal toegankelijk over haar contacten met het publiek over aangelegenheden die behoren tot het toepassingsgebied van dit Verdrag; en

c. verstrekt in gepaste vorm informatie over het verrichten van openbare functies of het verlenen van openbare diensten betreffende het milieu door de overheid op alle niveaus.

8. Elke Partij ontwikkelt mechanismen om te waarborgen dat toereikende productinformatie beschikbaar wordt gemaakt voor het publiek op een wijze die consumenten in staat stelt weloverwogen milieukeuzen te maken.

9. Elke Partij neemt geleidelijk stappen om, indien van toepassing rekening houdend met internationale processen, een coherent, landelijk systeem voor inventarisatie of registratie van verontreinigingsgegevens in te stellen in een gestructureerd, geautomatiseerd en voor het publiek toegankelijk gegevensbestand, samengesteld op grond van gestandaardiseerde rapportages. Dit systeem kan betrekking hebben op de introductie, het uitstoten en overbrengen van een bepaalde reeks stoffen en producten, met inbegrip van water, energie en hulpbronnenverbruik, afkomstig van een bepaalde reeks activiteiten, in de verschillende milieucompartimenten en naar ter plaatse of elders gelegen verwerkings- en stortplaatsen.

10. Niets in dit artikel doet afbreuk aan het recht van Partijen te weigeren bepaalde milieu-informatie bekend te maken in overeenstemming met artikel 4, derde en vierde lid.

Artikel 6. Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten

1. Elke Partij:

a. past de bepalingen van dit artikel toe ten aanzien van besluiten over het al dan niet toestaan van voorgestelde activiteiten vermeld in bijlage I;

b. past, in overeenstemming met haar nationale wetgeving, de bepalingen van dit artikel ook toe op besluiten over niet in bijlage I vermelde voorgestelde activiteiten die een aanzienlijk effect op het milieu kunnen hebben. Hiertoe bepalen de Partijen of een dergelijke voorgestelde activiteit onder deze bepalingen valt; en

c. kan, indien haar nationale wetgeving hierin voorziet, per geval besluiten de bepalingen van dit artikel niet toe te passen op voorgestelde activiteiten voor nationale defensiedoeleinden, indien die Partij meent dat een dergelijke toepassing op deze doeleinden van nadelige invloed zal zijn.

[…]

3. De inspraakprocedures omvatten redelijke termijnen voor de verschillende fasen, die voldoende tijd laten voor het informeren van het publiek in overeenstemming met het voorgaande tweede lid en voor het publiek om zich gedurende de milieu-besluitvorming doeltreffend voor te bereiden en deel te nemen.

4. Elke Partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.

Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (mer-richtlijn)

Artikel 6

4. Het betrokken publiek dient in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures te krijgen en heeft daartoe het recht, wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen.

[…]

Bij overwegingen 26 (objectiviteit en uitgangspunten onderzoeken), 30-32 (nut en noodzaak) en 37-39 (type en omvang van de windturbines)

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 2:4

Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.

Planregels bestemmingsplan "Windpark Oude Maas"

Artikel 4 Bedrijf - Windturbine

4.2 bouwregels

De gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a. per bestemmingsvlak is één windturbine toegestaan;

b. elke windturbine heeft drie rotorbladen;

c. een windturbine moet voldoen aan de volgende eisen:

•    een ashoogte van ten minste 117 m en ten hoogste 128,5 m

•    een rotordiameter van ten minste 117 m en ten hoogste 140 m

en een tiphoogte van ten hoogste 187 m.

d. de ashoogte, rotordiameter en vormgeving van de windturbines binnen de bestemmingsvlakken bedrijf-windturbine dienen hetzelfde te zijn;

e. het aantal schakelkasten en transformatoren bedraagt ten hoogste 1 per windturbine;

f. de oppervlakte van schakelkasten en transformatoren bedraagt ten hoogste 25 m²;

g. de bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 meter;

h. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter.

Bij overwegingen 33-36 (locatiekeuze)

Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland

Artikel 2.4.1 Windenergie

Lid 1 Locaties voor windenergie

Een bestemmingsplan laat nieuwe windturbines alleen toe op gronden binnen de locaties voor windenergie, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 10 Windenergie.

Lid 2 Aanpassing begrenzing locaties voor windenergie

In het bestemmingsplan kan de begrenzing van de in het eerste lid bedoelde locaties in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden.

[…]

Bij overwegingen 40-41 (D’Oultremont) en 42-62 (geluid)

Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (SMB-richtlijn)

Artikel 2 Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "plannen en programma's": plannen en programma's, met inbegrip van die welke door de Gemeenschap worden medegefinancierd, alsook de wijzigingen ervan,

- die door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgesteld en/of vastgesteld of die door een instantie worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld en

- die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven;

[…].

Artikel 3 Werkingssfeer

1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9, voor de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde plannen en programma's die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

2. Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma's

a) die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of

b) waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG.

3. Voor in lid 2 bedoelde plannen en programma's die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma's is een milieubeoordeling alleen dan verplicht wanneer de lidstaten bepalen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

4. Voor andere dan de in lid 2 bedoelde plannen en programma's, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, bepalen de lidstaten of het plan of het programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.

5. De lidstaten stellen vast, door een onderzoek per geval of door specificatie van soorten plannen en programma's, of door combinatie van beide werkwijzen, of de in de leden 3 en 4 bedoelde plannen of programma's aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Hierbij houden zij voor alle gevallen rekening met de relevante criteria van bijlage II, om ervoor te zorgen dat plannen en programma's met mogelijke aanzienlijke milieueffecten door deze richtlijn zijn gedekt.

6. Bij het onderzoek per geval en bij de specificatie van soorten plannen en programma's, zoals bedoeld in lid 5, worden de in artikel 6, lid 3, bedoelde instanties geraadpleegd.

7. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 5 bedoelde vaststellingen, inbegrepen de redenen waarom geen milieubeoordeling overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9 wordt verlangd, voor het publiek beschikbaar worden gesteld.

8. De volgende plannen en programma's vallen niet onder deze richtlijn:

- plannen en programma's die uitsluitend bestemd zijn voor nationale defensie of noodsituaties,

- financiële of begrotingsplannen en -programma's.

9. Deze richtlijn geldt niet voor plannen en programma's die worden medegefinancierd in het kader van de huidige respectieve programmeringsperioden(11) van de Verordeningen (EG) nr. 1260/1999(12) en (EG) nr. 1257/1999(13) van de Raad.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:3

1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit:

a. inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel,

[…].

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 1.1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

gevel: gevel als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder;

gevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

gevoelige objecten: gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen;

gevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen, met uitzondering van die terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

[…]

Lden: de geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder f, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai;

Lnight: de geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder i, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai;

[…]

woning: gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet;

[…]

Artikel 3.14a

1. Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

2. Onverminderd het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als gevolg van en andere windturbine of een andere combinatie van windturbines, normen met een lagere waarde vaststellen ten aanzien van een van de windturbines of een combinatie van windturbines.

3. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde vaststellen.

[…]

Artikel 3.15

1. De metingen van de geluidemissie ter bepaling van de bronsterkte van een windturbine of een combinatie van windturbines worden uitgevoerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

[…]

Wet geluidhinder

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

ander geluidsgevoelig gebouw: bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw, niet zijnde een woning, dat vanwege de bestemming daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, waarbij wat betreft de bestemming wordt uitgegaan van het gebruik dat is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet;

[…]

geluidsgevoelig terrein: bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, waarbij wat betreft de bestemming wordt uitgegaan van het gebruik dat is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet;

[…]

Besluit geluidhinder

Artikel 1.2

1. Als ander geluidsgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 1 van de wet worden aangewezen:

a. een onderwijsgebouw;

b. een ziekenhuis;

c. een verpleeghuis;

d. een verzorgingstehuis;

e. een psychiatrische inrichting;

f. een kinderdagverblijf.

[…]

3. Als geluidsgevoelig terrein als bedoeld in artikel 1 van de wet worden aangewezen:

a. een standplaats als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Wet op de huurtoeslag, en

b. een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip te worden ingenomen.

Bij overwegingen 63-65 (slagschaduw en lichtschittering)

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 3.14

[…]

4. Bij het in werking hebben van een windturbine worden ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering de bij ministeriële regeling te stellen maatregelen toegepast.

[…]

Activiteitenregeling milieubeheer

Artikel 3.12

1. Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden en voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens ramen bevinden. De afstand geldt van een punt op ashoogte van de windturbine tot de gevel van het gevoelige object.

2. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het in werking hebben van een windturbine aanvullend maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw indien het eerste lid in een specifiek geval niet toereikend is.

Artikel 3.13

1. Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering wordt lichtschittering bij het in werking hebben van een windturbine zoveel mogelijk voorkomen of beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.

2. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het in werking hebben van een windturbine aanvullend maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering indien het eerste lid in een specifiek geval niet toereikend is.

Planregels bestemmingsplan "Windpark Oude Maas"

Artikel 1 Begrippen

1.40 woning

een (gedeelte van) een gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

Artikel 4 Bedrijf - Windturbine

4.3 specifieke gebruiksregels

4.3.6 mitigatie slagschaduw

Het in gebruik nemen en houden van de windturbines is slechts toegestaan indien een stilstandsvoorziening is aangebracht in of op de turbines ter voorkoming van slagschaduw op woningen binnen een straal van 1,5 km rondom het windpark.

Bij overwegingen 66-69 (overige beroepsgronden over gezondheidseffecten)

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Bij overwegingen 71-76 (veiligheid en radarverstoring)

Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

[…]

b. vaarweg: het voor de doorgaande vaart bestemde en meestal als zodanig gemarkeerde of betonde deel van het vaarwater.

Artikel 4 Kanalen, rivieren en havens

1. Langs kanalen, rivieren en havens wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 50 m uit de rand van de vaarweg.

2. Binnen 50 m uit de rand van de vaarweg wordt plaatsing slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen hinder voor wal- en scheepsradar optreedt. De minimale afstand tot de rand van de vaarweg is altijd ten minste de helft van de rotordiameter.

[…]

Bij overwegingen 110-113 (financiële uitvoerbaarheid)

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 6.1

1. Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

2. Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:

a. een bepaling van bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid;

[…]