Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:19

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
09-01-2019
Zaaknummer
201806896/2/R2 en 201806896/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Heideweg 52" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806896/2/R2 en 201806896/1/R2.

Datum uitspraak: 4 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te Soest, (hierna in enkelvoud: [appellant])

appellanten,

en

de raad van de gemeente Soest,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Heideweg 52" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. [appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 december 2018, waar [appellanten], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door S.F. Supusepa, zijn verschenen. Verder is ter zitting Wijo B.V., vertegenwoordigd door mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen, [gemachtigden], gehoord.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestemmingsplan "Heideweg 52" voorziet in de bouw van 8 grondgebonden woningen, in de vorm van 4 twee-onder-één-kap woningen en 4 vrijstaande woningen, op het perceel Heideweg 52 in de bebouwde kom van Soest. Op dit moment staat op dit perceel een voormalig klooster, dat niet langer in gebruik is.

2.    [appellant], eigenaar en bewoner van het naastgelegen perceel aan de [locatie], kan zich niet met het plan verenigen. Hij heeft verschillende bezwaren naar voren gebracht, onder meer met betrekking tot de afweging van zijn belangen, de waterhuishouding, de uitvoerbaarheid van het plan, de ladder voor duurzame verstedelijking en het leefgebied van beschermde dieren in het plangebied.

Onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak

3.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Algemeen toetsingskader

3.1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De voorzieningenrechter stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3.2.    Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat, anders dan de raad heeft betoogd, binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, geen rechtsregel er aan in de weg staat dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet in een zienswijze met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. De door [appellant] aangevoerde beroepsgronden die niet in zijn zienswijze zijn genoemd, kunnen, gelet op het voorgaande, in beroep wel aan de orde komen, omdat de zienswijze en de beroepsgronden betrekking hebben op hetzelfde besluitonderdeel.

Het beroep is op dit punt dan ook ontvankelijk.

Inhoudelijk

Belangenafweging

4.    [appellant] betoogt onder meer dat de gevolgen van het plan voor zijn directe woon- en leefklimaat niet zorgvuldig zijn onderzocht en afgewogen. De raad heeft zich bij de besluitvorming ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen ruimtelijk relevante bezwaren tegen het plan naar voren zijn gebracht. Hij stelt dat het plan voor zijn perceel wel degelijk planologische bezwaren zal hebben, onder meer gezien de ruimtelijke impact ten gevolge van de grootschalige kap van bomen en de geplande stedelijke groei. Hij heeft dit betoog in een nader stuk van 3 december 2018 en ter zitting in die zin nader toegelicht, dat zijn belangen zijns inziens door de raad slechts in algemene zin zijn afgewogen, terwijl de initiatiefnemer van het plan in november 2017 de specifieke belangen van [appellant] wel heeft onderkend en hem, ter waarborging van de privacy, compenserende maatregelen heeft aangeboden. Het plan is volgens [appellant] dan ook vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

4.1.    De raad heeft in het verweerschrift naar voren gebracht dat het plan tot stand is gekomen na een zorgvuldig en langdurig proces waarin alle relevante belangen, beleidskaders en planologische randvoorwaarden zijn getoetst. Daarbij zijn volgens de raad geen relevante ruimtelijke bezwaren naar voren gekomen die het - vanwege strijd met bepaalde wetten, regels of bestaand beleid - onmogelijk maken om geen medewerking te verlenen aan de oprichting van 8 grondgebonden villa’s op het desbetreffende perceel. De totstandkoming van het plan is volgens de raad aldus het resultaat van een redelijke afweging van alle betrokken belangen.

4.2.    De voorzieningenrechter stelt vast dat [appellant] niet heeft aangegeven welke relevante feiten of belangen door de raad niet bij de belangenafweging zijn betrokken. De raad heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat [appellant] en de initiatiefnemer op enig moment hebben gesproken over mogelijke compenserende maatregelen, niet betekent dat de raad niet alle relevante feiten en belangen op een zorgvuldige wijze heeft verzameld en afgewogen.

    Derhalve wordt in het betoogde geen grond gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog faalt.

Beschermenswaardige bomen

5.    [appellant] betoogt dat zich blijkens de Bomen Effect Analyse (hierna: BEA) 128 bomen op het perceel bevinden, waarvan een aanzienlijk aantal voor de bouw moet wijken.

    Naar zijn mening is de instandhouding van waardevolle bomen in het plan onvoldoende gewaarborgd en kan daarover niet pas in de bouwfase zekerheid worden geboden. Hij heeft daarbij aangevoerd dat niet duidelijk is welke van de te kappen bomen beschermenswaardig zijn en dat het beleid van de gemeente Soest erop gericht is om in principe voor dergelijke bomen geen kapvergunning te verlenen.

    Voorts zijn volgens [appellant] in het plan ten onrechte niet de boombeschermende voorwaarden uit de BEA in een voorwaardelijke verplichting vastgelegd en is in het plan geen herplantplicht opgenomen.

5.1.    Ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening 2017 van de gemeente Soest wordt onder beschermenswaardige boom verstaan: monumentale boom, waardevolle boom of boom in de bomenstructuur, vastgelegd op de Bomenkaart "De groene parels van Soest". Hieraan is een register verbonden waarop de beschermenswaardige bomen in de gemeente zijn aangegeven.

    Het plangebied is op de Bomenkaart gelegen in het gebied ‘parkwijk’. Tot de parkwijken behoren boomrijke woongebieden die bijdragen aan het groene karakter van Soest en het bosachtige karakter van het specifieke gebied. In de parkwijk zijn alle bomen, ongeacht hun leeftijd en met een minimale stamomtrek van 30 cm, bepalend voor de ruimtelijke kwaliteit en beleving en is een omgevingsvergunning voor het kappen nodig, indien de houtopstand een stamomtrek heeft van minimaal 30 cm, gemeten op 1.30 m boven maaiveld.

5.2.    De vraag of een omgevingsvergunning voor het kappen van de op het perceel aanwezige bomen nodig is en zo ja, of deze kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in de procedure omtrent de omgevingsvergunning. Dat doet er evenwel niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat - in dit geval - de Algemene Plaatselijke Verordening 2017 van de gemeente Soest (APV) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    Vast staat dat een aantal bomen moet worden gekapt om het plan mogelijk te maken. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in de APV een absolute weigeringsgrond voor de verlening van een kapvergunning voordoet. De APV bevat in artikel 4:11b uitzonderingen op het principe dat beschermenswaardige bomen niet mogen worden gekapt.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de raad er op voorhand in redelijkheid van heeft mogen uitgaan dat de APV niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    Voorts wordt vastgesteld dat de door [appellant] genoemde, in de BEA opgenomen boombeschermende maatregelen gericht zijn op de uitvoering van de bouwwerkzaamheden en als zodanig niet in het bestemmingsplan hoeven worden opgenomen. In de bij het vaststellingsbesluit behorende nota van zienswijzen staat bovendien dat bij de te verlenen omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen een herplantplicht met instandhoudingsplicht zal worden opgelegd.  

    De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de instandhouding van de waardevolle bomen in het plan voldoende is gewaarborgd.

Het betoog kan niet slagen.

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening

6.    [appellant] betoogt voorts dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder b en f, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) en dat de raad het plan ten onrechte niet heeft getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

6.1.    De tekst van artikel 3.1.6 van het Bro zoals deze moet worden toegepast vanaf 1 juli 2017 luidt als volgt:

1.  Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:

[-]

b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;

[-]

f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Gevolgen voor de waterhuishouding (artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, van het Bro)

6.2.    Volgens [appellant] is in het plan niet gemotiveerd dat rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de afvoer van afval- en regenwater. Voorts is volgens hem geen gevolg gegeven aan het in het advies van het waterschap aanbevolen principe dat hemelwater niet direct moet worden afgevoerd naar riolering of oppervlaktewater, maar moet worden vastgehouden en/of geborgen binnen het plangebied. De raad staat zijns inziens ten onrechte op het standpunt dat dergelijke opvang- en infiltratievoorzieningen pas in een later stadium hoeven te worden uitgewerkt.

    Ten aanzien van de grondwaterstand wordt ten onrechte verwezen naar een verkennend bodemonderzoek, terwijl dat onderzoek niet ziet op de watertoets, maar slechts een analyse behelst van de eventuele aanwezigheid van verontreiniging, aldus [appellant].

6.2.1.    In paragraaf 2.6 en 5.3.3.4 van de plantoelichting is ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

    Volgens paragraaf 2.6 is de grondwaterstand ter plaatse van het plangebied relatief laag (3,65 m beneden maaiveld), zodat geen sprake is van grondwateroverlast.

    In paragraaf 5.3.3.4 staat dat bij nieuwbouw en uitbreidingen rekening gehouden moet worden met het veranderende klimaat en regenwater van verharde oppervlaktes (daken en verhardingen) en dat  daarom zoveel mogelijk afgekoppeld en afgevoerd moet worden via infiltratie in de bodem, naar oppervlaktewater of via een gescheiden rioleringssysteem.

Er zijn goede mogelijkheden om het hemelwater, afkomstig van de daken van de nieuwe woning, gescheiden af te voeren en te laten infiltreren in de bodem. Op grond van de samenstelling van de bodem (bestaande uit zand), met een relatief lage grondwaterstand, is dit goed mogelijk. Het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek bevestigt dit beeld. Een gedetailleerde uitwerking van de opvang- en infiltratievoorzieningen zal aan bod komen bij de uitwerking van de bouwplannen.

    Voorts zijn volgens de raad evenmin problemen te verwachten met betrekking tot de verwerking van afvalwater, nu dat zal worden geloosd op de aanwezige vuilwaterriolering, terwijl daarop in de bestaande situatie ook hemelwater werd geloosd.

6.2.2.    De voorzieningenrechter overweegt dat in paragraaf 5.3.3.4 van de toelichting aandacht is besteed aan de opvang en infiltratie van hemelwater en de afvoer van afvalwater. De exacte wijze waarop de waterhuishouding bij de uitvoering van het bestemmingsplan wordt vormgegeven, heeft geen betrekking op het bestemmingsplan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

    Voorts wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad bij de beoordeling van de grondwaterstand niet had mogen aansluiten bij het bodemonderzoek, nu dat onderzoek mede ziet op de opbouw van de bodem, waaruit conclusies zijn getrokken over de mogelijkheden van infiltratie van regenwater in de bodem. [appellant] heeft de gegevens met betrekking tot de grondwaterstand ook niet gemotiveerd bestreden.    

    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de waterparagraaf in de plantoelichting niet in overeenstemming met artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, van het Bro is opgesteld. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zodanige gevolgen voor de waterhuishouding zal hebben dat de raad het plan in redelijkheid niet heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

Maatschappelijke en financieel-economische uitvoerbaarheid (artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Bro)

6.3.    Voorts is volgens [appellant] in het plan in strijd met de eis in artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, onvoldoende inzicht gegeven in de maatschappelijke en financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan. Hij voert daartoe aan dat met omwonenden overleg is gepleegd over de meest doelmatige invulling van het plan, waarbij tevens alternatieven voor herontwikkeling van de locatie zijn voorgesteld. Volgens [appellant] heeft de raad zich uitsluitend en zonder nadere motivering laten leiden door de belangen van de projectontwikkelaar.

    De raad heeft volgens hem voorts geen financieel-economische verantwoording afgelegd nu geen exploitatieplan is vastgesteld.

6.3.1.    Voor zover het betoog over de maatschappelijke uitvoerbaarheid moet worden opgevat als het bezwaar dat een voldoende maatschappelijk draagvlak voor het project ontbreekt, wordt overwogen dat, zoals de Afdeling eerder heeft uitgemaakt in onder meer haar uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3061, de enkele omstandigheid dat voor het plan geen maatschappelijk draagvlak bestaat - wat daarvan hier ook zij - niet betekent dat het plan niet overeenstemt met een goede ruimtelijke ordening.

    Voorts overweegt de voorzieningenrechter met betrekking tot de maatschappelijke uitvoerbaarheid dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging moet maken van alle belangen die daarbij betrokken zijn. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

    De raad heeft uiteengezet dat voorafgaande aan de vaststelling van het plan veelvuldig overleg is geweest over de gewenste invulling van het perceel met de buurtbewoners, die destijds waren verenigd in de Stichting Duurzaam Don Bosco. Hierbij zijn volgens de raad door de stichting geen concrete alternatieven voorgesteld voor het perceel. Ten aanzien van een door de stichting geuite wens om op de locatie een appartementencomplex te realiseren is, blijkens een tot de stukken behorend memo van 29 augustus 2017, na onderzoek en overleg met mogelijke ontwikkelende partijen komen vast te staan dat dat financieel niet haalbaar was. Dit alternatief is derhalve door de raad beoordeeld en afgewogen.

    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter, mede gelet op de aan de raad toekomende beleidsruimte, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij afweging van de verschillende mogelijkheden in redelijkheid niet voor de ontwikkeling, als neergelegd in het plan, heeft kunnen kiezen.

6.3.2.    De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de raad de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk heeft gemaakt. De raad heeft daarbij verwezen naar de met de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst.

    Het beroep van [appellant] in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1662), waarin de Afdeling oordeelde dat de omstandigheid dat voor de gemeente zelf geen kosten zijn verbonden aan de aankoop en ontwikkeling van de locatie in kwestie, de raad niet ontslaat van de verplichting om de inzichten over de uitvoerbaarheid in de plantoelichting in de vorm van een bedrijfsplan of een haalbaarheidsstudie in de plantoelichting op te nemen, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe wordt overwogen dat het daar een - niet met het voorliggende geval vergelijkbaar - geval betrof, waarin onduidelijk was wie de initiatiefnemer van het project was en of deze, mede gelet op de hoogte van de kosten voor de aankoop van de planlocatie, een landgoed ten behoeve van het realiseren van een onderwijscampus, kon beschikken over de middelen voor het realiseren van die ontwikkeling.

    Met betrekking tot het betoog van [appellant] ter zitting dat de anterieure overeenkomst niet ziet op de openbare voorzieningen, heeft de raad naar voren gebracht dat de overeenkomst alle voor het project noodzakelijke voorzieningen behelst. Ter zitting heeft Wijo B.V. dit bevestigd en tevens verklaard dat is overeengekomen dat zij de kosten van de parkeervoorzieningen voor haar rekening zal nemen.

Het betoog faalt.

De ladder duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro)

6.4.    In het kader van zijn betoog dat de raad het plan ten onrechte niet heeft getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, voert [appellant] aan het plan voorziet in een planologische functiewijziging ten behoeve van wonen en daarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in dat artikel mogelijk maakt.

6.4.1.    De voorzieningenrechter ziet zich aldus gesteld voor de vraag of het plan voorziet in een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, inzake artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, gelden daarbij, voor zover thans van belang, de volgende uitgangspunten.

6.4.2.    Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.

    Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.

    Het plan maakt 8 woningen mogelijk. De ontwikkeling waarin het plan voorziet betreft daarom geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, zodat deze bepaling niet van toepassing is.

Het betoog faalt.

6.4.3.    Het voorgaande neemt niet weg dat aan de eisen van het eerste lid van artikel 3.1.6 van het Bro dient te worden voldaan. Bij de toets of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening dient onder meer beoordeeld te worden of de mogelijk gemaakte ontwikkeling voorziet in een behoefte.

6.4.4.    [appellant] heeft aangevoerd dat de raad in dit verband ten onrechte heeft verwezen naar de gemeentelijke Woonvisie, terwijl daarin wordt uitgegaan van de vraag naar middeldure koopwoningen en het plan binnen het segment van dure koopwoningen valt.

6.4.5.    In paragraaf 3.4.2 is ingegaan op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de in het plan voorziene woningen, waarbij ook de Woonvisie is betrokken. In de toelichting staat dat volgens de Woonvisie weliswaar het accent ligt op middeldure koopwoningen, maar dat de invulling van de voorliggende locatie met middeldure koopwoningen, met een samenhangende dichtere verkaveling, op bezwaren ten aanzien van andere beleidsvelden en vanuit ruimtelijk functioneel opzicht stuit.

    In het verweerschrift en ter zitting heeft de raad er voorts op gewezen dat de Woonvisie dateert van 2012 en dat in de gemeentelijke notitie "Bouwsteen Wonen" van 29 juni 2017 wordt uitgegaan van een nadruk binnen de koopsector op twee-onder-één-kap woningen en vrijstaande woningen in het middeldure en dure segment, waarbij de vraag naar duurdere woningen stijgt.

    De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. Het betoog faalt.

Wet natuurbescherming

7.    [appellant] stelt dat het plan in strijd met de Wet Natuurbescherming (hierna: de Wnb) is vastgesteld, omdat onvoldoende onderzoek is gedaan naar aanwezige flora en fauna. Hij voert daartoe aan dat de raad ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan de vaststelling in de "Quickscan Natuurwaardenonderzoek Heideweg 52 Soest" van 27 december 2017 van de Natuurbank Overijssel, dat nader onderzoek noodzakelijk is naar de verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied en onvoldoende rekening is gehouden met de vogels die nestelen in het plangebied.

7.1.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

7.2.    Blijkens de plantoelichting is in het kader van het bestemmingsplan uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in en rond het plangebied, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het ‘Vleermuisonderzoek Heideweg 52 Soest’ van de Natuurbank Overijssel van 27 oktober 2017. De conclusie van dat onderzoek luidt als volgt: "Er zijn geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat vleermuizen een verblijfplaats bezitten in het gebouw of in de bomen in de tuin rondom het gebouw. De bomen in de tuin vormen een foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis, maar deze functie is vrij beperkt en wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Het slopen van bebouwing en herontwikkelen van het plangebied leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet Natuurbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden".

    De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat de raad niet bij de conclusies van dit onderzoek heeft mogen aansluiten. Voor zover [appellant] zich beroept op de "Quickscan Natuurwaardenonderzoek Heideweg 52 Soest", kan dit niet slagen, aangezien dit onderzoek, in tegenstelling tot het vleermuisonderzoek van 27 oktober 2017 niet conform het vleermuisprotocol 2017 is uitgevoerd en in de Quickscan is opgemerkt dat de daarbij gehanteerde methode minder geschikt is om de aanwezigheid van vleermuizen in en aan bebouwing te kunnen uitsluiten.     

    Wat betreft de vogels in het plangebied is in de Quickscan geconcludeerd dat ieder voortplantingsseizoen vogels in de buitenruimte in het plangebied nestelen, en dat om bezette vogelnesten niet te verstoren of te vernielen beplanting alleen gerooid mag worden buiten de voortplantingsperiode van vogels.

    [appellant] heeft de resultaten uit bovengenoemde onderzoeken niet met gegevens onderbouwd bestreden.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

Zienswijzen

8.    [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

10.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Zijlstra

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2019

240.