Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:189

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
201702673/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatie bestemmingsplan Binnenstad" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702673/1/R2.

Datum uitspraak: 23 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellante sub 1], wonend te Middelburg,

2. [ appellant sub 2], wonend te Middelburg,

en

de raad van de gemeente Middelburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatie bestemmingsplan Binnenstad" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2018, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. K.M. Moeliker, advocaat te Middelburg, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. B. Vermeirssen, advocaat te Kattendijke, en de raad, vertegenwoordigd door A.J.W. Kuiper, J.A. Vermeer en M.J.P. Bastiaanse, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het plan voorziet in de bouw van maximaal 46 woningen met een parkeergarage, in het noorden van de historische binnenstad van Middelburg op het perceel waar voorheen de Generaal Majoor Berghuiskazerne stond. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de Zuidsingel, in het oosten door de Koningstraat, in het zuiden door Achter het Hofplein en in het westen door de Korte Noordstraat.

[appellante sub 1] woont aan de [locatie 1], op een afstand van ongeveer 55 m ten noordwesten van het plangebied. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2], op een afstand van ongeveer 5 m ten oosten van het plangebied.

Eerder heeft de raad voor onder meer het plangebied het bestemmingsplan "Binnenstad" vastgesteld. De Afdeling heeft dat plan bij uitspraak van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2128, vernietigd wat betreft de bestemming "Wonen" op het voormalig kazerneterrein en de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van die uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit aan de Afdeling en partijen toe te zenden.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3. De voor de zaak relevante planregels zijn opgenomen als bijlage bij deze uitspraak.

Vooringenomenheid

4. [ appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad zich bij de vaststelling van het plan uitsluitend heeft laten leiden door financiële belangen van de gemeente en de projectontwikkelaar, die voortvloeien uit overeenkomsten die de gemeente en de projectontwikkelaar in 2008 en 2014 hebben gesloten. De raad heeft het plan daarom in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet zonder vooringenomenheid vastgesteld. Ter zitting hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] toegelicht dat zij met hun betoog niet bedoelen dat de raad zich bij de keuze om dit bestemmingsplan vast te stellen door persoonlijke belangen of voorkeuren van leden van de raad heeft laten beïnvloeden, maar dat de raad niet vrij was om een goede ruimtelijke afweging te maken vanwege de financiële belangen van de gemeente en de projectontwikkelaar die ermee gediend zijn.

4.1.

Artikel 2:4, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid."

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701, onder 6.2, is de strekking van artikel 2:4, eerste lid, van de Awb geenszins dat een bestuursorgaan niet vanuit een bepaalde beleidskeuze zou mogen handelen, maar dat het erom gaat dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden.

De Afdeling stelt vast dat de raad zelfstandig een ruimtelijke keuze heeft gemaakt waaraan een afweging van de betrokken belangen ten grondslag heeft gelegen. Dat de raad bij zijn besluitvorming ook de door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] bedoelde financiële belangen heeft betrokken, betekent niet dat de afweging om die reden vooringenomen - dat wil zeggen oneigenlijk of subjectief - zou zijn.

Het betoog faalt.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro)

5. [appellant sub 2] betoogt dat er geen behoefte is aan de in het plan voorziene woningen en dat het plan daarom in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld.

5.1.

In haar uitspraak van 3 augustus 2016 heeft de Afdeling overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het nu voorliggende plan voorziet in de bouw van dezelfde woningen als het in die zaak voorliggende plan. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om daarover nu anders te oordelen.

Het betoog faalt.

Soortenbescherming

6. [appellante sub 1] betoogt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen vrijstelling of ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is. In dit verband voert zij aan dat ter plaatse bijzondere plantensoorten groeien.

6.1.

De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In de plantoelichting heeft de raad uiteengezet dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Volgens de raad zijn er geen te beschermen planten in het plangebied aanwezig. Daartoe voert hij aan dat het plangebied in de binnenstad tussen bestaande bebouwing ligt en voorheen was bebouwd met een kazerne. Ten behoeve van een eerder geplande ontwikkeling van een theater met een parkeerkelder is de bestaande bebouwing gesloopt en het gebied ontgraven. In de bouwput is later vanwege een calamiteit een laag van ongeveer 4 meter beton aangebracht. De bouwput is vervolgens volgestort met onderwaterbeton. Het terrein vormt gelet op de uitgevoerde werkzaamheden en de bestaande situatie, geen geschikte biotoop waar beschermde plantsoorten voorkomen, aldus de plantoelichting. Ter zitting heeft de raad hieraan toegevoegd dat een jaar geleden gras is gezaaid in de bouwput en dat het ook daarom onwaarschijnlijk is dat in het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. [appellante sub 1] heeft geen begin van bewijs geleverd dat zich ter plaatse te beschermen planten- en diersoorten bevinden. De enkele stelling dat een bioloog ter plaatse bijzondere soorten heeft waargenomen acht de Afdeling in dat verband onvoldoende.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

Parkeerhinder

7. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voor parkeerhinder. Volgens hen is voor de beoordeling van de benodigde parkeercapaciteit ten onrechte uitgegaan van een parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning. Volgens [appellant sub 2] had de raad moeten uitgaan van de parkeernorm voor woningen in een duurdere prijsklasse. [appellante sub 1] voert aan dat niet duidelijk is of in de parkeernorm ook bezoekersparkeerplaatsen zijn opgenomen. Indien dit het geval is, is volgens haar de parkeernorm ontoereikend. [appellante sub 1] wijst er voorts op dat parkeernormen in de toekomst kunnen wijzigen. Daarom is in het plan onvoldoende verzekerd dat ook in de toekomst voldoende parkeerplaatsen in stand worden gehouden.

[appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen voorts dat onvoldoende is verzekerd dat daadwerkelijk voldoende parkeerplaatsen zullen worden verwezenlijkt. Volgens [appellante sub 1] is de daartoe in het plan opgenomen voorwaardelijke verplichting onvoldoende, omdat daarin niet is bepaald dat de parkeerplaatsen na aanleg ervan in stand moeten worden gehouden. Volgens [appellant sub 2] is weliswaar bepaald dat in de parkeergarage maximaal 150 parkeerplaatsen, garageboxen en bergingen mogen worden verwezenlijkt, maar is aan het aantal bergingen geen maximum gesteld.

[appellante sub 1] voert tevens aan dat er in de huidige situatie in het plangebied en de omgeving reeds een tekort aan parkeerplaatsen is en door verwezenlijking van het plan 10 parkeerplaatsen op Achter het Hofplein zullen verdwijnen. Volgens haar is onvoldoende verzekerd dat het voornemen om die te compenseren aan de Stoppelaartuin ook daadwerkelijk zal worden uitgevoerd. Voorts verdwijnen op Achter het Hofplein 12 recent aangelegde parkeerplaatsen die niet gecompenseerd zullen worden. De raad gaat er volgens [appellante sub 1] ten onrechte vanuit dat de in het plan mogelijk gemaakte extra parkeerplaatsen in de parkeergarage door omwonenden gebruikt zullen worden. In dat verband voert zij aan dat niet duidelijk is welke voorwaarden voor het gebruik van die plaatsen gesteld zullen worden en wat de kosten daarvan zullen zijn. Zij vreest dat de voorwaarden zodanig ongunstig zullen zijn dat van die parkeermogelijkheden geen gebruik zal worden gemaakt.

7.1.

Voor de beoordeling van de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen heeft de raad aansluiting gezocht bij publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van CROW (hierna: de publicatie). Daarbij is de raad uitgegaan van de parkeerkencijfers voor de categorieën "koopwoningen tussen/hoek" en "koop etage, duur" in sterk stedelijk gebied. Gelet op de in het plan mogelijk gemaakte aaneen gebouwde grondgebonden woningen en gestapelde woningen, heeft de raad daarbij in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken. Voor dit type woningen geldt als parkeerkencijfer 1 tot 1,8 parkeerplaats per woning. Waar [appellant sub 2] heeft betoogd dat de raad had moeten uitgaan van de parkeerkencijfers voor de categorie woningen ‘koop vrijstaand’ overweegt de Afdeling dat het plan zodanige woningen niet mogelijk maakt. Daarom heeft de raad niet van de parkeerkencijfers die behoren bij dat woningtype uit hoeven gaan. De raad hanteert als beleid dat als parkeernorm tenminste het gemiddelde van de CROW-kencijfers wordt gehanteerd. De Afdeling stelt vast dat de door de raad gekozen parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning daaraan voldoet.

In de publicatie staat dat het aandeel bezoekers in de parkeerkencijfers 0,3 parkeerplaats per woning bedraagt en dat het weergegeven parkeerkencijfer inclusief het parkeren door bezoekers is. [appellante sub 1] heeft haar betoog dat, indien de parkeernorm parkeren door bezoekers insluit, de parkeernorm ontoereikend is, niet concreet toegelicht.

Hetgeen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de beoordeling van de benodigde parkeercapaciteit van een te lage parkeernorm is uitgegaan.

7.2. [

appellante sub 1] betoogt dat parkeernormen in de toekomst kunnen wijzigen en daarom onvoldoende is verzekerd dat ook in de toekomst voldoende parkeerplaatsen in stand worden gehouden. Zij meent dat de raad in plaats van de statische parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per woning een dynamische parkeernorm had moeten opnemen.

Dat betoog faalt. [appellante sub 1] heeft geen concrete redenen aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat de parkeerbehoefte in de toekomst zodanig groter wordt dat de parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning ontoereikend is om aan de parkeerbehoefte die samenhangt met de in het plan voorziene woningen te kunnen voldoen en de raad een dergelijke parkeernormering daarom niet in het plan heeft kunnen opnemen.

7.3.

Wat betreft het betoog dat onvoldoende verzekerd is dat voldoende parkeerplaatsen zullen worden verwezenlijkt, overweegt de Afdeling dat ingevolge de voorwaardelijke verplichting in artikel 4, lid 4.2.3, onder 1, aanhef en onder a, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - parkeren (sw-par)" een omgevingsvergunning gericht op (bouw)werkzaamheden in het kader van de bestemmingsomschrijving zoals bedoeld in artikel 4, lid 4.1 uitsluitend wordt verleend indien is voorzien in parkeerplaatsen op het eigen perceel of ter plaatse van de aanduiding "overige zone - parkeergarage Zuidsingel", conform de parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning. Ingevolge het bepaalde onder b van dat artikellid worden parkeerplaatsen voor de woningen ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 40" in het noordelijke deel van het plangebied uitsluitend gerealiseerd in de ondergrondse stallingsgarage ter plaatse van de aanduiding "overige zone - parkeergarage Zuidsingel".

Met die planregeling is voorzien in een voorwaardelijke verplichting met als inhoud dat een omgevingsvergunning voor bouwen ten behoeve van de bestemming "Wonen" slechts wordt verleend indien wordt voldaan aan de parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning. Op grond van artikel 4, lid 4.2.3, aanhef en onder b, van de planregels dienen de op grond van de parkeernorm benodigde parkeerplaatsen voor de maximaal 40 wooneenheden, de appartementen, in de ondergrondse parkeergarage Zuidsingel te worden gerealiseerd. Voor de woningen op de gronden met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden = 6" geldt niet de verplichting de parkeerplaatsen aan te leggen in de ondergrondse stallingsgarage. De op grond van de parkeernorm benodigde parkeerplaatsen ten behoeve van die zes wooneenheden mogen op het eigen perceel worden gerealiseerd. Door deze planregeling is naar het oordeel van de Afdeling voldoende verzekerd dat in de omgevingsvergunning voor de bouw van de wooneenheden die het plan mogelijk maakt zal moeten worden bepaald dat voldoende parkeerplaatsen volgens de in het plan opgenomen parkeernorm worden gerealiseerd. Daarmee is tevens verzekerd dat, indien de in het plan mogelijk gemaakte woningen met gebruikmaking van de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden gebouwd, de benodigde parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

[appellant sub 2] betoogt dat in de parkeergarage maximaal 150 parkeerplaatsen, garageboxen en bergingen mogen worden verwezenlijkt, maar aan het aantal bergingen geen maximum is gesteld, waardoor dan niet aan de parkeernorm zal worden voldaan. Anders dan [appellant sub 2] betoogt is in het plan niet alleen bepaald dat maximaal 150 parkeerplaatsen mogen worden verwezenlijkt, maar tevens dat minimaal 1,7 parkeerplaats per woning op de gronden met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 40" moet worden verwezenlijkt. Derhalve waarborgt het plan dat de ter voorkoming van parkeerhinder noodzakelijke parkeerplaatsen worden aangelegd.

Waar [appellante sub 1] heeft betoogd dat in het plan niet is geborgd dat de gerealiseerde parkeerplaatsen in stand moeten worden gelaten, overweegt de Afdeling dat de stallingsgarage overeenkomstig de te verlenen omgevingsvergunning moet worden gebouwd en in stand worden gehouden. Indien na realisering daarvan wijzigingen aan de stallingsgarage worden aangebracht die afwijken van de verleende omgevingsvergunning, kan daartegen handhavend worden opgetreden. De raad heeft bovendien ter zitting toegezegd erop toe te zien dat in de omgevingsvergunning een zodanige voorziening zal worden opgenomen dat de stallingsgarage niet alleen gebouwd maar ook in stand moet worden gehouden in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning. De raad heeft het daarom niet nodig hoeven vinden om in het plan tevens te bepalen dat de parkeerplaatsen in stand worden gehouden.

7.4.

Waar [appellante sub 1] betoogt dat er nu al een tekort aan parkeerplaatsen in de omgeving van het plangebied bestaat en dat het verwezenlijken van het plan een nadelige invloed zal hebben op de parkeerbezetting, overweegt de Afdeling het volgende. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met de parkeerdruk die het gevolg is van het plan. Het is niet nodig dat het plan tevens bestaande parkeeroverlast in de omgeving van het plangebied, wat daarvan ook zij, oplost (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2410, onder 7.2).

Waar [appellante sub 1] stelt dat onaanvaardbare parkeerhinder zal ontstaan door het verdwijnen van in totaal 22 parkeerplaatsen ten gevolge van het plan, overweegt de Afdeling het volgende. In de zienswijzennota staat dat na de sloop van de voormalige kazerne 10 tijdelijke parkeerplaatsen zijn aangelegd op Achter het Hofplein. Die parkeerplaatsen zijn aangelegd ter compensatie van in de omgeving verwijderde parkeerplaatsen. De noodzaak voor de aanleg van nog meer parkeerplaatsen ontbreekt, zo staat in de zienswijzennota. Uit inventarisatie van de parkeersituatie blijkt dat op de locatie Stopperlaartuin voldoende parkeercapaciteit aanwezig is. Overdag is de parkeerbezetting tussen de 37% en 70%. In de nachtperiode is de bezettingsgraad hoger, maar is er nog ruimte beschikbaar aan het Molenwaterplein. Omdat zowel overdag als ’s nachts structureel nog vrije parkeerruimte beschikbaar is, is er een duidelijke situatie en ontstaat geen hinder door zoekverkeer, aldus de zienswijzennota. Voorts staat in de zienswijzennota dat het voornemen bestaat de 10 tijdelijke parkeerplaatsen die ten gevolge van het plan zullen verdwijnen te compenseren op de Stoppelaartuin. Die locatie wordt daartoe opgenomen in de planning van de reguliere onderhoudswerkzaamheden en wordt in afstemming met de realisatie van het plan opnieuw bestraat en heringericht. Bij een efficiëntere inrichting kunnen hier in elk geval 10 parkeerplaatsen extra worden gerealiseerd. Wat betreft de 12 tijdelijke parkeerplaatsen die ten gevolge van het plan zullen verdwijnen, staat in de zienswijzennota dat destijds in het kader van het participatietraject voor de tijdelijke inrichting van de bouwput is overeengekomen om naast de 10 voormelde parkeerplaatsen nog 12 extra tijdelijke parkeerplaatsen aan te leggen. Daarmee werd voldaan aan de wens van omwonenden om in de directe nabijheid van hun woningen extra parkeermogelijkheden te bieden. De raad acht die parkeerplaatsen echter niet nodig om te voorzien in bestaande parkeerbehoefte. Het betreft een tijdelijke luxe voor aanwonenden gedurende de periode dat het terrein onbebouwd was, aldus de raad.

In het memo "Parkeersituatie omgeving locatie bouwput" (hierna: het memo), van 24 mei 2017, zijn de resultaten neergelegd van de in opdracht van de raad uitgevoerde parkeertellingen in de periode van 16 januari 2017 tot en met 6 februari 2017. Daarbij is de parkeerbezetting in de volgende straten geteld: Achter het Hofplein, Stoppelaartuin, Molenwater, rondom de "Watertoren", Herengracht, Hofplein en Bagijnhof. In het memo staan de volgende conclusies. Voor alle straten, met uitzondering van het Molenwater, blijkt dat de gemiddelde parkeerbezetting van alle tellingen in de avonduren hoger ligt dan in de middaguren. Voor het Molenwater blijkt de gemiddelde parkeerbezetting in de avonduren lager dan in de middaguren. Voor de straten die direct aan de doorgaande route liggen, zoals Achter het Hofplein, rondom de "Watertoren", Herengracht en Hofplein, is de gemiddelde parkeerbezetting tijdens zowel de middag- als avonduren hoger dan die van de straten zoals Stoppelaartuin, Bagijnhof en Molenwater. De gemiddelde parkeerbezetting voor alle straten blijft gedurende de middaguren onder de 85%. De gemiddelde parkeerbezetting voor alle straten die direct aan de doorgaande route liggen, is gedurende de avonduren boven de 85%. De gemiddelde parkeerbezetting voor de straten die wat verder gelegen zijn van de doorgaande route ligt gedurende de avonduren lager dan 85%. De gemiddelde parkeerbezetting op het Molenwater is zowel in de middaguren met 46%, als in de avonduren, met 38%, laag. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij als beleid de norm van maximaal 85% hanteert als aanvaardbare gemiddelde parkeerbezetting en dat deze norm op wijkniveau wordt toegepast. Uit het memo volgt dat op wijkniveau aan deze norm wordt voldaan.

Ter zitting heeft de raad hieraan toegevoegd dat na bovengenoemde parkeerinventarisatie bij de recente verbouwing van de schouwburg aan het Molenwater in de binnenstad van Middelburg 50 extra parkeerplaatsen zijn aangelegd, terwijl het aantal stoelen in de schouwburg is verminderd. Voorts zijn recent rondom de "Watertoren" 4 extra parkeerplaatsen en op het Noordbolwerk 12 extra parkeerplaatsen aangelegd. Met de 10 parkeerplaatsen die op de Stoppelaartuin, naar de raad ter zitting heeft bevestigd, zullen worden aangelegd, zijn dat in totaal 76 extra parkeerplaatsen in de binnenstad van Middelburg. Hiermee is de parkeerdruk lager geworden dan ten tijde van de parkeerinventarisatie is gemeten. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat het moeten overbruggen van een afstand van 200 m van een woning ten einde een parkeerplaats te moeten bemachtigen voor bewoners van een historische binnenstad niet ongebruikelijk is en hij een dergelijke afstand aanvaardbaar acht. De Afdeling stelt vast dat de hiervoor genoemde extra parkeerplaatsen binnen een dergdelijke afstand van de woning van [appellante sub 1] liggen.

[appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies in het memo onjuist zijn. Hetgeen zij heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het memo niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Het geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare parkeerhinder ten gevolge van de in het plan mogelijk gemaakte woningen niet behoeft te worden gevreesd.

De betogen falen.

Verkeershinder en -veiligheid

8. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voor verkeershinder en verkeersonveilige situaties. [appellant sub 2] voert in dat verband aan dat voor de 6 woningen die voorzien zijn op het zuidelijke bouwvlak met de bestemming "Wonen" naast de mogelijkheid van parkeren in de parkeergarage ook is voorzien in parkeren op eigen terrein. [appellant sub 2] vreest hierdoor voor meer verkeersoverlast op Achter het Hofplein.

[appellante sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voorts voor verkeershinder en -onveilige situaties ten gevolge van het in- en uitrijdend verkeer naar en van de parkeergarage. In dat verband voeren zij aan dat niet is uitgesloten dat de parkeergarage een openbaar karakter zal krijgen omdat in het plan niet is geregeld dat uitsluitend bewoners en omwonenden van de parkeerplaatsen en garageboxen in de stallingsgarage gebruik mogen maken. Dit zal volgens hen een verkeersaantrekkende werking hebben. Volgens [appellante sub 1] zal de in- en uitrit aan de Zuidsingel tot verkeersonveilige situaties leiden, gelet op de grote aantallen fietsers die dagelijks die in- en uitrit zullen passeren en de aanwezigheid in de nabije omgeving van een school en naschoolse opvang. De maximale capaciteit voor de Zuidsingel van 1000 motorvoertuigen per etmaal, waar de raad in dit kader van uitgaat, is volgens [appellant sub 2] onvoldoende gemotiveerd.

8.1.

Wat betreft het betoog van [appellante sub 1] dat de in het plan voorziene parkeergarage een openbaar karakter zal krijgen, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 10, lid 10.9, aanhef en onder a, van de planregels, ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - parkeergarage Zuidsingel’ een (ondergrondse) stallingsgarage, inclusief in- en uitrit is toegestaan. In artikel 1, lid 1.54, van de planregels is een stallingsgarage gedefinieerd als een (ondergrondse) stallingsruimte voor (motor)voertuigen, bedoeld voor parkeerplaatsen, garageboxen en/of bergingen, niet zijnde een openbare parkeergarage. Anders dan [appellante sub 1] aanvoert, voorziet het plan daarmee niet in een openbare parkeergarage.

Ingevolge artikel 10, lid 10.9, aanhef en onder c, van de planregels is de in- en uitrit van de stallingsgarage aan de Zuidsingel gesitueerd en bedraagt de afstand daarvan tot de Korte Noordstraat en de Koningstraat ten minste 10 meter. In de plantoelichting staat dat het plangebied binnen een 30 km/u zone ligt. De Koningstraat en Achter het Hofplein hebben primair de functie om de daar aanliggende woningen te ontsluiten. Aan de Zuidsingel staat een aantal basisscholen en een kinderopvang. Volgens de raad is het goed mogelijk een verkeersveilige aansluiting van de stallingsgarage op de Zuidsingel te realiseren. In de plantoelichting is uiteengezet dat een profiel van 9 meter breed beschikbaar is. Daarmee is de uitrit zodanig te maken dat het autoverkeer van en naar de stallingsgarage voldoende zicht heeft op de Zuidsingel. De beschikbare breedte is voorts voldoende voor het aanleggen van een voetpad dat, gezien de looproute naar de scholen, gewenst is. Om doorgaand verkeer over de Zuidsingel tegen te gaan is het ook nodig om een knip tussen de Koningstraat en de uitrit van de parkeergarage te realiseren. In het plan is daarin voorzien door aan de gronden van de Zuidsingel tussen de beoogde in- en uitrit van de parkeergarage en de kruising met de Koningstraat de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - 2 (sv-2)" toe te kennen. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder k, van de planregels zijn die gronden uitsluitend bestemd voor een langzaamverkeersverbinding, zijnde een voet- en fietspad.

Waar [appellante sub 1] en [appellant sub 2] ter zitting hebben betoogd dat verkeer, uitgaande van de in het plan mogelijk gemaakte bergingen, niet meegenomen is in de berekening van het totaal aantal verwachte motorvoertuigen op de Zuidsingel, overweegt de Afdeling het volgende. In paragraaf 6.2 van de plantoelichting staat dat uit een oogpunt van verkeersveiligheid voor het langzame verkeer de intensiteit van het autoverkeer op de Zuidsingel niet hoger dient te zijn dan maximaal 1000 motorvoertuigen per etmaal. Dit komt volgens de plantoelichting overeen met het verkeersaanbod van ongeveer 300 niet openbare parkeerplaatsen. In het plan zijn maximaal 150 parkeerplaatsen voorzien. Het aantal daarmee samenhangende verkeersbewegingen van motorvoertuigen blijft daarmee ruim onder de 1000 per etmaal. [appellante sub 1] heeft niet concreet gemaakt waarom de in de stallingsgarage mogelijk gemaakte bergingen zo veel extra motorvoertuigbewegingen zullen genereren dat de maximale capaciteit van 1000 motorvoertuigen per etmaal op de Zuidsingel daarmee zal worden overschreden.

De Afdeling stelt vast dat, gelet op de voormelde aanduiding "specifieke vorm van verkeer - 2 (sv2)" en artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder k, van de planregels, doorgaand autoverkeer over de Zuidsingel ter plaatse van het plangebied niet mogelijk is en alleen gemotoriseerd verkeer dat vanaf en naar de Korte Noordstraat, naar en vanaf de in- en uitrit van de stallingsgarage op de Zuidsingel zal rijden. [appellante sub 1] heeft geen concrete redenen aangevoerd voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de breedte van de Zuidsingel, het mogelijk is een zodanige uitrit van de stallingsgarage mogelijk te maken dat voldoende zicht bestaat vanaf de uitrit op de Zuidsingel en daarmee, mede gelet op het beperkte aantal verkeersbewegingen naar en van de stallingsgarage, een verkeersveilige situatie te verwezenlijken.

Wat betreft de door [appellant sub 2] gevreesde verkeersoverlast ten gevolge van de in het zuidelijk deel van het plangebied mogelijk gemaakte maximaal 6 wooneenheden, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting is uiteengezet dat per woning 6,8 verkeersbewegingen per dag te verwachten zijn. Daarbij heeft de raad aansluiting gezocht bij de kencijfers uit de publicatie. [appellant sub 2] heeft niet aangevoerd dat de raad daarmee de verkeersgeneratie vanwege de woningen heeft onderschat. De 6 in het plan mogelijk gemaakte wooneenheden worden ontsloten via Achter het Hofplein. Het plan leidt er derhalve toe dat het aantal verkeersbewegingen in die straat toeneemt met 41. De raad heeft uiteengezet dat Achter het Hofplein een erftoegangsweg is met een capaciteit van 2000 motorvoertuigen per etmaal en in de huidige situatie in Achter het Hofplein ongeveer 100 motorvoertuigen per dag rijden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aantal verkeersbewegingen naar en van de in dit deel van het plangebied mogelijk gemaakte maximaal 6 wooneenheden niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeershinder op Achter het Hofplein.

De betogen falen.

Aantasting woon- en leefklimaat

9. [appellant sub 2] stelt dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. In dat verband stelt hij dat het plan voor de voorziene 46 woningen niet voorziet in beperkingen in soort, vorm en maten. Volgens [appellant sub 2] zijn de planregels te ruim geformuleerd waardoor iedere gewenste ontwikkeling mogelijk gemaakt kan worden. Volgens [appellant sub 2] zullen de in het plan op korte afstand van zijn woning mogelijk gemaakte woningen met een maximum hoogte van 13 m veel zonlicht wegnemen en zullen de bewoners van die woningen bij hem naar binnen kunnen kijken. Dit klemt te meer omdat door de toegestane bouwmogelijkheden de Koningstraat versmalt ten opzichte van de oude situatie, aldus [appellant sub 2].

9.1.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder a, van de planregels mogen de in het plan voorziene woningen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken alleen worden gebouwd ter plaatse van het bouwvlak op de gronden met de bestemming "Wonen". Ingevolge het bepaalde onder b, bedraagt de totale oppervlakte van bebouwing ten hoogste het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak en geldt in het geval geen bebouwingspercentage is aangegeven een bebouwingspercentage van 100% van het bouwvlak. In de verbeelding is op de gronden met de bestemming "Wonen" binnen de bouwvlakken geen bebouwingspercentage opgenomen. Dat betekent dat de gronden met de bestemming "Wonen" binnen het bouwvlak volledig mogen worden bebouwd.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, onder a, van de planregels, voor zover thans van belang, bedraagt de goot- en bouwhoogte ten hoogste de in de verbeelding opgenomen maatvoeringsaanduiding en anders maximaal 3 m. In de verbeelding zijn voor alle gronden met de aanduiding "Wonen" de maximum goot- en bouwhoogten met een maatvoeringsaanduiding weergegeven. Anders dan [appellant sub 2] stelt, zijn in het plan derhalve beperkingen in maatvoering opgenomen.

Waar [appellant sub 2] betoogt dat zijn woon- en leefklimaat onaanvaardbaar wordt aangetast door de afstand tussen zijn woning en de voorziene ontwikkeling ter hoogte van het voormalige kazerneterrein en de bouwhoogte daarvan, overweegt de Afdeling het volgende. In haar uitspraak van 3 augustus 2016 heeft de Afdeling overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] door de voorziene ontwikkelingen niet onevenredig wordt aangetast. Het nu voorliggende plan voorziet in de bouw van dezelfde hoeveelheid woningen met dezelfde bouwmassa op dezelfde afstand van de woning van [appellant sub 2] als het toen voorliggende plan. Verder is niet gebleken van gewijzigde omstandigheden. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om over het nu voorliggende plan anders te oordelen.

Het betoog faalt.

Afwijkingsbevoegdheid

10. [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte de in artikel 42, lid 42.1, van de planregels van het bestemmingsplan "Binnenstad" opgenomen afwijkingsbevoegdheid in dit plan van toepassing heeft verklaard. Daardoor kunnen de goot- en nokhoogtes met 1 m worden verhoogd, zonder dat de raad daarop invloed heeft.

10.1.

Artikel 1 van de planregels luidt: "Op dit bestemmingsplan zijn de regels van het bestemmingsplan "Binnenstad" onverkort van toepassing met dien verstande dat wanneer wordt verwezen naar de verbeelding, de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding wordt bedoeld."

10.2.

Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de in artikel 42, lid 42.1, van de planregels van het bestemmingsplan "Binnenstad" opgenomen afwijkingsbevoegdheid. De door [appellant sub 2] gestelde omstandigheid dat het plangebied uit een leeg grasveld bestaat, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad die afwijkingsbevoegdheid niet nodig heeft kunnen achten in het belang van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde uitvoering of plaatsing van bouwwerken. Zoals de Afdeling in de voormelde uitspraak van 3 augustus 2016 over deze afwijkingsbevoegdheid heeft overwogen is een dergelijke bepaling niet ongebruikelijk. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de in artikel 42, lid 42.1, ten aanzien van goot- en nokhoogten opgenomen afwijkingsbevoegdheid niet te ruim is. De Afdeling ziet in het door [appellant sub 2] aangevoerde geen aanleiding om daarover nu anders te oordelen.

Het betoog faalt.

Rechtszekerheid

11. [appellant sub 2] betoogt dat het plan niet alleen voorziet in een reparatie van het bestemmingsplan "Binnenstad" wat betreft de door de Afdeling vernietigde bestemming "Wonen", maar dat het ook voorziet in een herziening van de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de Zuidsingel. Volgens [appellant sub 2] is niet duidelijk welke verbeelding geldt ter plaatse van de gronden op de Zuidsingel waarop die herziening ziet en is het plan daarom in strijd met de rechtszekerheid.

11.1.

Ingevolge artikel 1 van de planregels zijn op het bestemmingsplan "Reparatie bestemmingsplan Binnenstad" de regels van het bestemmingsplan "Binnenstad" onverkort van toepassing met dien verstande dat wanneer wordt verwezen naar de verbeelding, de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding wordt bedoeld. De verbeelding heeft onder meer betrekking op een deel van de gronden op de Zuidsingel, waaraan de bestemming "Verkeer" en de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - langzaam verkeer" zijn toegekend. Gelet op het bepaalde in artikel 1 van de planregels geldt voor die gronden deze verbeelding en niet de verbeelding behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Binnenstad". Het plan is in zoverre niet rechtsonzeker.

Het betoog faalt.

Inlassen zienswijze

12. [ appellante sub 1] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 1] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

13. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Helder w.g. Taal

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019

325-875.

BIJLAGE

Planregels bestemmingsplan "Reparatie bestemmingsplan Binnenstad"

Artikel 1 Begrippen en wijze van meten

Op dit bestemmingsplan zijn de regels van het bestemmingsplan "Binnenstad" onverkort van toepassing met dien verstande dat wanneer wordt verwezen naar de verbeelding, de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding wordt bedoeld.

1.54

Stallingsgarage

Een (ondergrondse) stallingsruimte voor (motor)voertuigen, bedoeld voor parkeerplaatsen, garageboxen en/of bergingen, niet zijnde een openbare parkeergarage.

Artikel 3 Verkeer

3.1

bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. verkeerswegen, paden, pleinen, voetgangersgebieden, fiets - en voetpaden, al dan niet gebouwde fietsvoorzieningen, parkeerplaatsen, toegangen tot ondergronds gebouwde parkeervoorzieningen, straatmeubilair, weg- en waterbouwkundige kunstwerken en kaden ter ontsluiting van en ten hoeven van de aanliggende of nabijgelegen gronden, wateren en oevervoorzieningen;

b. verblijfsgebied;

c. evenementen;

d. nutsvoorzieningen;

e. ondergrondse containers;

f. ter plaatse van de aanduiding "brug" (br): een brug;

g. ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorische waarden" (cw); poorten van cultuurhistorische waarde;

h. ter plaatse van de aanduiding "nutsvoorziening" (nv): een nutsvoorziening;.

i. ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" (p): tevens een parkeerterrein;

j. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - camperstandplaatsen" (sv-cam): tevens camperstandplaatsen;

k. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - 2" (sv-2): uitsluitend een langzaamverkeersverbinding zijnde voet - en fietspaden;

l. tevens voor bijbehorende bermsloten, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen.

Artikel 4 Wonen

4.1

bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen;

b. bij deze bestemming behorende erven, tuinen, bergingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, (ondergrondse) stallingsruimte en ontsluitingspaden.

4.2.1

Toelaatbaarheid van bouwwerken

Voor het bouwen gelden de volgende regels;

a. ter plaatse van het bouwvlak wordt gebouwd:

1. hoofdgebouwen;

2. bijbehorende bouwwerken;

3. overige bouwwerken.

b. de totale oppervlakte van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen bedraagt ten hoogste het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100% van het bouwvlak;

c. ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden"; bedraagt ten hoogste het aantal woningen per bouwvlak het aangegeven aantal;

d. hoofdgebouwen moeten aaneen worden gebouwd, met de naar de wegzijde(n) gekeerde gevel(s) geheel in de bebouwingsgrens;

e. tussen de toelaatbare goot - en nokhoogte zijn delen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken toegestaan, mits deze niet het vlak overschrijden dat bepaald wordt door de maximale goothoogte en een van daaruit beginnende helling van 60 graden ten opzichte van het horizontale vlak;

f. boven de nokhoogte en buiten het sub e genoemde vlak zijn uitsluitend schoorstenen, liftopbouwen, trappenhuizen, dakkapellen en topgevels toegestaan

4.2.2

Maatvoering

a.de goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of inhoud van een hoofdgebouw, bijbehorend bouwwerk of overig bouwwerk, bedragen ten hoogste:

4.2.3

Voorwaardelijke verplichting - parkeren

Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - parkeren" (sw-par) geldt dat;

a. een omgevingsvergunning, gericht op (bouw)werkzaamheden in het kader van de bestemmingsomschrijving zoals bedoeld in 4.1 uitsluitend wordt verleend indien is voorzien in parkeerplaatsen op het eigen perceel of ter plaatse van de aanduiding overig : parkeergarage Zuidsingel, conform de parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning.

b. in aanvulling op het gestelde onder sub a ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" met het aangegeven aantal 40, de parkeerplaatsen uitsluitend zijn gerealiseerd in de (ondergrondse) stallingsgarage ter plaatse van de aanduiding overige zone: parkeergarage Zuidsingel.

Artikel 10 Algemene aanduidingsregels

Op dit bestemmingsplan zijn de regels van het bestemmingsplan "Binnenstad onverkort van toepassing met dien verstande dat wanneer wordt verwezen naar de verbeelding, de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding wordt bedoeld en in aanvulling daarop.

10.9

overige zone: parkeergarage Zuidsingel

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding "overige zone: parkeergarage Zuidsingel" geldt dat;

a. een (ondergrondse) stallingsgarage inclusief in- en uitrit zijn toegestaan;

b. het maximaal aantal parkeerplaatsen en garageboxen in de stallingsgarage 150 bedraagt;

c. een in- en uitrit van de stallingsgarage voldoet aan de volgende voorwaarden:

1. de in- en uitrit aan de zijde van de Zuidsingel is gesitueerd;

2. de afstand van de in- en uitrit tot aan de verkeersbestemming in de Korte Noordstraat minimaal 10 meter bedraagt;

3. de afstand van de in- en uitrit tot aan de verkeersbestemming in de Koningstraat minimaal 10 meter bedraagt.

Planregels van het bestemmingsplan "Binnenstad"

Artikel 42 Algemene afwijkingsregels

42.1

Algemene afwijkingen

Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van dit plan voor;

a. geringe afwijkingen, welke in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde uitvoering of plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijke zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, worden toegestaan, mits de afwijking in situering niet meer dan 2 meter bedraagt;

b. afwijkingen van de voorgeschreven maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;

c. de voorgeschreven maten ten aanzien van goothoogten, nokhoogten en bebouwde oppervlakten met ten hoogste 1 meter;

d. ten behoeve van lift- en trappenhuizen, centrale verwarmingsinstallaties, schoorstenen, ventilatie-inrichtingen, antennes, balkons, bordessen, galerijen, luifels, buitentrappen en andere van ondergeschikte bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

e. voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van openbare nutsbedrijven of een ander naar doelstelling daarmee vergelijkbare gebouwen, mits deze geen grotere inhoud dan 50 m3 en geen grotere goothoogte dan 3 meter hebben;

f. voor het bouwen van andere bouwwerken, die om telecommunicatietechnische redenen noodzakelijk zijn;

g. voor het bouwen van andere bouwwerken, die om waterstaatkundige -of verkeersredenen noodzakelijk zijn;

h. de bevoegdheid tot afwijken wordt niet gebruikt, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

i. indien van toepassing in het beschermde stadsgezicht;

1. uitsluitend indien de karakteristiek van het stadsgezicht niet wordt aangetast;

2. wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de Monumentencommissie.