Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
201706472/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/322
JGROND 2019/65 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706472/1/R1.

Datum uitspraak: 23 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in het geding tussen:

1. appellante sub 1] en Q-Tronic B.V., beide gevestigd te Hoevelaken, gemeente Nijkerk,

2. [ appellant sub 2], wonend te Nijkerk,

3. [ appellant sub 3], wonend te Nijkerk,

4. [ appellant sub 4], wonend te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

5. [ appellante sub 5], gevestigd te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

6. [ appellante sub 6A] en [appellante sub 6B], gevestigd te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

7. [ appellante sub 7], gevestigd te Nijkerk,

8. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], wonend te Nijkerk,

en

de raad van de gemeente Nijkerk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en Q-Tronic, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellante sub 5], [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht (hierna: StAB-verslag) uitgebracht. [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 3], [appellante sub 5], [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2018, waar zijn verschenen:

- [ appellante sub 1] en Q-Tronic, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en mr. E.M. Oskam, advocaat te Utrecht,

- [ appellant sub 3], bijgestaan door [gemachtigden];

- [ appellant sub 2], bijgestaan door mr. E.M. Oskam, advocaat te Utrecht;

- [ appellant sub 4], bijgestaan door mr. X. Visscher, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn;

- [ appellante sub 5], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en J. van Dijk, rechtsbijstandverlener te Nijkerk;

- [ appellante sub 6A] en [appellante sub 6B], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en J. van Dijk, rechtsbijstandverlener te Nijkerk;

- [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B];

- de raad, vertegenwoordigd door drs. W. Bomhof.

Voorts is ter zitting als partij gehoord: [belanghebbende].

Overwegingen

Inhoudsopgave

Inleiding 3

Het beroep van [appellante sub 1] en Q-Tronic 3

Het beroep van [appellant sub 2] 6

Het beroep van [appellant sub 3] 8

Het beroep van [appellant sub 4] 10

Het beroep van [appellante sub 5] 13

Het beroep van [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] 15

Het beroep van [appellante sub 7] 16

Het beroep van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] 18

Beslissing 23

Inleiding

1. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Nijkerk. Het plan is hoofdzakelijk conserverend van aard.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het beroep van [appellante sub 1] en Q-Tronic

Inleiding

4. [ appellante sub 1] is gevestigd aan de [locatie 1] te Hoevelaken. Q-Tronic is gevestigd aan de [locatie 2]. Het plan voorziet voor beide bedrijven in een gezamenlijke bestemming voor de gronden aan de [locatie 2]. [appellante sub 1] en Q-Tronic betogen dat het plan op onjuiste wijze in hun bedrijven voorziet.

[appellante sub 1]

5. [ appellante sub 1] en Q-Tronic betogen dat het plan voor [appellante sub 1] ten onrechte voorziet in milieucategorie 3.1 in plaats van categorie 3.2. Hierbij voeren zij aan dat het bestaande legale gebruik van het bedrijfsgebouw en het buitenterrein tot categorie 3.2 behoort.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij bij de toepassing van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) voor de bedrijfsoppervlakte als vermeld in de categorie-indeling heeft kunnen afgaan op de oppervlakte van het bedrijfsgebouw. Die oppervlakte is kleiner dan 2.000 m2, zodat in categorie 3.1 is voorzien. Daarmee wordt volgens de raad voorkomen dat rechten ontstaan om werkzaamheden op het buitenterrein uit te voeren die overlast kunnen geven voor de omgeving. Daarnaast vormt de lagere categorie een norm waaraan kan worden getoetst als de exploitant het bedrijfsgebouw wil verplaatsen. Verder wil de raad voorkomen dat zich andere typen bedrijven van categorie 3.2 kunnen vestigen.

5.2. Het plan voorziet ter plaatse van de [locatie 2], waartoe de nummers 107A en 107B behoren, in de bestemming "Bedrijf - Niet Agrarisch".

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Niet Agrarisch" aangewezen gronden aan de [locatie 2] bestemd voor een bouwbedrijf van milieucategorie 3.1 met een maximale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen van 1.000 m2.

Deze categorieën zijn gebaseerd op de VNG-brochure.

5.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het plan onzorgvuldig vastgesteld voor zover voor [appellante sub 1] niet is voorzien in categorie 3.2. De Afdeling komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen.

5.4. De VNG-brochure kent twee bedrijfscategorieën voor "bouwbedrijven algemeen". Als het bedrijfsoppervlak kleiner is dan 2.000 m2, valt het bedrijf onder categorie 3.1. Als het bedrijfsoppervlak groter is dan 2.000 m2, valt het bedrijf onder categorie 3.2.

Niet in geschil is dat [appellante sub 1] behoort tot de categorie "bouwbedrijven algemeen" en dat de oppervlakte van de gronden van [appellante sub 1] met de bestemming "Bedrijf - Niet Agrarisch", inclusief het buitenterrein, groter is dan 2.000 m2. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3330, stelt de Afdeling vast dat ook de gronden buiten de bedrijfsgebouwen moeten worden meegerekend bij het bedrijfsoppervlak als bedoeld in de VNG- brochure. Gelet hierop concludeert de Afdeling dat de raad door uit te gaan van een bouwbedrijf met een oppervlakte van minder dan 2.000 m2 ten onrechte ervan is uitgegaan dat sprake is van een bouwbedrijf dat behoort tot categorie 3.1. In de gegeven omstandigheden is [appellante sub 1] een bedrijf van categorie 3.2.

De raad zal zich opnieuw over de bestemming van het perceel van het [appellante sub 1] moeten beraden, ervan uitgaande dat dit bedrijf valt onder categorie 3.2. In dat verband kan de raad - zonodig - onderzoek doen naar het gebruik van het buitenterrein van het bedrijf, waarover de raad ter zitting heeft verklaard dat dit nog niet heeft plaatsgevonden en waarover [appellante sub 1] en Q-Tronic hebben verklaard dat het hier gaat om legaal gebruik.

De vrees van de raad dat kwalificatie van het bedrijf als een bedrijf van categorie 3.2 zou betekenen dat andere soorten bedrijven in categorie 3.2 zich ter plaatse kunnen vestigen, is onterecht. Artikel 9, lid 9.1, van de planregels maakt ter plaatse immers uitsluitend bouwbedrijven mogelijk.

Q-Tronic

6. [ appellante sub 1] en Q-Tronic betogen dat het plan ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de onderscheiden activiteiten van beide bedrijven. In verband daarmee is volgens hen onduidelijk of het plan wel in het gebruik door Q-Tronic voorziet.

6.1. De raad heeft voor de gronden waarop Q-tronic is gevestigd, voorzien in een bouwbedrijf van milieucategorie 3.1 met een maximale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen van 1.000 m2. Hij stelt zich op het standpunt dat Q-Tronic onder de noemer "bouwbedrijf" kan worden gebracht. Op deze wijze voorziet het plan in flexibele gebruiksmogelijkheden.

6.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het plan onzorgvuldig vastgesteld voor zover niet is voorzien in het gebruik door Q-Tronic. Zij komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen.

6.3. Niet in geschil is dat het gebruik door Q-Tronic legaal is. In beginsel moet een bestemmingsplan in de bestaande legale gebruiksmogelijkheden voorzien. De raad heeft de activiteiten van Q-Tronic aangemerkt als bouwbedrijf. Q-Tronic heeft gesteld en in het StAB-verslag wordt bevestigd dat Q-Tronic optreedt als ontwikkelaar, importeur en vertegenwoordiger van elektronica en batterijvoedingen van voer- en vaartuigen. De raad heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de Afdeling aan de juistheid van deze beschrijving van de bedrijfsactiviteiten moet twijfelen. Daarom kan Q-Tronic niet als bouwbedrijf worden aangemerkt en moet worden geconcludeerd dat de raad het gebruik door Q-Tronic in het bestemmingsplan niet correct heeft bestemd.

Bestuurlijke lus

7. In wat [appellante sub 1] en Q-Tronic hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel aan de [locatie 2] te Hoevelaken is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Deze onzorgvuldigheid is het miskennen van het gegeven dat [appellante sub 1] valt in categorie 3.2 en het niet correct bestemmen van het gebruik door Q-Tronic.

7.1. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad moet daarom met inachtneming van het overwogene onder 5.4 en 6.3 een passende bestemming vaststellen voor [appellante sub 1] en Q-Tronic.

De raad hoeft hierbij geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

8. Voor het beroep van [appellante sub 1] en Q-Tronic is deze uitspraak een tussenuitspraak.

8.1. Voor [appellante sub 1] en Q-Tronic zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

Het beroep van [appellant sub 2]

[locatie 3] te Nijkerk

9. Bouwbedrijf [appellant sub 2] is gevestigd aan de [locatie 3] te Nijkerk. [appellant sub 2] betoogt dat het plan voor het bouwbedrijf ten onrechte en in afwijking van het ontwerpplan in milieucategorie 2 voorziet in plaats van categorie 3.2. Hierbij voert hij aan dat een bouwbedrijf met een machinale werkplaats niet binnen categorie 2 past. Mocht dit wel zo zijn, dan acht hij categorie 3.2 alsnog gewenst met het oog op eventuele uitbreidingen en wijzigingen in de toekomst.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een kleinschalig aannemersbedrijf met werkplaats. Volgens de raad mag de oppervlakte van het bedrijfsgebouw maximaal 566 m2 bedragen. Dat is kleiner dan 1.000 m2, zodat milieucategorie 2 passend is.

9.2. Het plan voorziet ter plaatse van de [locatie 3] te Nijkerk in de bestemming "Bedrijf - Niet Agrarisch".

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Niet Agrarisch" aangewezen gronden aan de [locatie 3] te Nijkerk bestemd voor een bouwbedrijf van milieucategorie 2 met een maximale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen van 566 m2.

9.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het plan onzorgvuldig vastgesteld voor zover voor Bouwbedrijf [appellant sub 2] niet is voorzien in categorie 3.2. Zij komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen.

9.4. De VNG-brochure kent twee bedrijfscategorieën voor "Aannemersbedrijven met werkplaats". Als het bedrijfsoppervlak kleiner is dan 1000 m2, valt het bedrijf onder categorie 2. Als het bedrijfsoppervlak groter is dan 1.000 m2, valt het bedrijf onder categorie 3.1. Daarnaast kent de VNG-brochure twee bedrijfscategorieën voor "bouwbedrijven algemeen". Als het bedrijfsoppervlak kleiner is dan 2.000 m2, valt het bedrijf onder categorie 3.1. Als het bedrijfsoppervlak groter is dan 2.000 m2, valt het bedrijf onder categorie 3.2.

Het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Nijkerk 2009" voorzag in een bouwbedrijf. De feitelijke werkzaamheden bestaan gelet op het StAB-verslag onder meer uit onderhoudswerkzaamheden en nieuwbouw. Verder bedraagt de oppervlakte van de gronden met de bestemming "Bedrijf - Niet Agrarisch" ongeveer 2.700 m2.

Onder verwijzing naar haar uitspraak van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3330, stelt de Afdeling vast dat ook de gronden buiten de bedrijfsgebouwen moeten worden meegerekend bij het bedrijfsoppervlak als bedoeld in de VNG brochure. Gelet hierop concludeert de Afdeling dat de raad door uit te gaan van een bouwbedrijf met een oppervlakte van minder dan 2.000 m2 ten onrechte ervan is uitgegaan dat sprake is van een bouwbedrijf dat behoort tot categorie 2. In de gegeven omstandigheden is het bedrijf een bouwbedrijf dat behoort tot categorie 3.2.

De raad zal zich opnieuw over de bestemming van het perceel van het bedrijf van [appellant sub 2] moeten beraden, ervan uitgaande dat dit bedrijf valt onder categorie 3.2. In dat verband kan de raad - zonodig - onderzoek doen naar de het gebruik van het buitenterrein van het bedrijf.

[locatie 4] te Nijkerk

10. [ appellant sub 2] woont zelf aan de [locatie 5] te Nijkerk. Hij betoogt dat het plan voor de naastgelegen gronden aan de [locatie 4] ten onrechte en in afwijking van het ontwerpplan voorziet in de bestemming "Bedrijf - Niet Agrarisch" zonder beperkingen voor het aantal bedrijfswoningen, de oppervlakte aan bebouwing en de milieucategorie. [appellant sub 2] wenst dat net als in het vorige plan aan [locatie 4] de bestemming "Maatschappelijk" wordt toegekend.

10.1. Het plan voorziet ter plaatse van de [locatie 4] te Nijkerk in de bestemming "Bedrijf - Niet Agrarisch".

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Niet Agrarisch" aangewezen gronden ter plaatse van de adressen uit de daaronder weergegeven tabel bestemd voor de daar weergegeven nadere bestemming, het daar aangegeven aantal bedrijfswoningen, de daar aangegeven oppervlakte aan gebouwen en overkappingen en de daar aangegeven milieucategorie.

Het adres [locatie 4] is niet in de tabel verwerkt. Voor het adres Bunschoterweg 15 zijn vermeld de nadere bestemming "Opleidingscentrum incl. kantoor", geen bedrijfswoningen, een oppervlakte van gebouwen en overkappingen van 426 m2 en milieucategorie 2.

10.2. De raad stelt dat artikel 9, lid 9.1, van de planregels een verschrijving bevat. De beoogde planregeling voor de [locatie 4] is per abuis vermeld onder Bunschoterweg 15.

Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden daarvoor de aanleiding zijn, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

11. [ appellant sub 2] heeft te kennen gegeven dat hij zich ook niet kan vinden in de voor [locatie 4] beoogde planregeling. Hij vreest een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van zijn eigen bedrijf.

11.1. De Afdeling stelt vast dat uit artikel 9. lid 9.1. van de planregels, zoals dat artikellid is beoogd, blijkt dat op het perceel [locatie 4] geen bedrijfswoningen worden toegestaan. De Afdeling ziet dan ook nog niet dat de beoogde bestemming zal leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf van [appellant sub 2].

Bestuurlijke lus

12. In wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel aan [locatie 3] te Nijkerk is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Deze onzorgvuldigheid is het miskennen van het gegeven dat het bedrijf van [appellant sub 2] valt in categorie 3.2 en de erkende onjuiste bestemming van [locatie 4].

12.1. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad moet daarom:

- met inachtneming van het overwogene onder 9.4 voorzien in een passende bestemming voor Bouwbedrijf [appellant sub 2];

- met inachtneming van het overwogene onder 10.2 voorzien in een passende planregeling voor de [locatie 4] te Nijkerk.

De raad hoeft hierbij geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

13. Voor het beroep van [appellant sub 2] is deze uitspraak een tussenuitspraak.

13.1. Voor [appellant sub 2] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

Het beroep van [appellant sub 3]

14. [ appellant sub 3] heeft een landgoed aan de [locatie 6] te Nijkerk. Het landgoed bestaat uit een bouwperceel en een grote oppervlakte aan omliggende gronden. Volgens [appellant sub 3] is ten onrechte het agrarische bouwblok uit het voorheen geldende bestemmingsplan wegbestemd. [appellant sub 3] wil ook het landgoed verder ontwikkelen en wenst daarom een bestemming die recht doet aan de maatschappelijke betekenis en de potentie van het landgoed. Volgens hem heeft daarover onvoldoende overleg plaatsgevonden.

14.1. Het plan voorziet ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] en de direct omliggende gronden in de bestemming "Wonen" met de aanduiding "nevenactiviteiten agrarisch" en een aantal aanduidingen ter bescherming van de natuur- en landschapswaarden.

Artikel 22, lid 22.1, van de planregels luidt:

"De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen […]

[…]

c. wonen in combinatie met agrarische nevenactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nevenactiviteiten agrarisch',

[…].

Voorts voorziet artikel 22 in bouwmogelijkheden ten behoeve van agrarische nevenactiviteiten.

Voor de omliggende gronden voorziet het plan in de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke en natuurwaarden", zonder bouwvlak, en met een aantal aanduidingen ter bescherming van de natuur- en landschapswaarden.

14.2. Het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1975 voorzag ter plaatse van de gronden van [appellant sub 3] in de bestemming "Agrarisch gebied met grote landschappelijke waarde met bouwperceel". Aan een gedeelte van deze gronden was een aanduiding voor een bouwperceel toegekend.

Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften waren de voor dit doel aangewezen gronden bestemd voor een agrarisch bedrijf en voor het behoud en herstel van de grote landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden van het gebied. Ook voorzag het plan in bouwmogelijkheden ten behoeve van agrarische bedrijven.

14.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid kunnen voorzien in de bestemming "Wonen" met de aanduiding "nevenactiviteiten agrarisch". Zij komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen.

14.4. Niet in geschil is dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan uit 1975 uitgebreider waren dan de mogelijkheden op grond van het plan waar het nu om gaat. Op 24 maart 2000 zijn deze gronden echter aangewezen als Natura 2000-gebied. Daarmee zijn ze komen te vallen onder een regime dat planologisch meer beperkingen met zich brengt. Daarna is ook goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan "Buitengebied Nijkerk 2009" wegens het ontbreken van voldoende waarborgen voor het behoud van de natuur- en landschapswaarden. Om deze redenen heeft de raad nu meer waarborgen willen bieden voor het behoud van de natuur- en landschapswaarden.

14.5. Wat betreft het wegbestemmen van het agrarisch bouwblok uit het vorige bestemmingsplan wijst de Afdeling erop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan namelijk op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In dit geval heeft de raad onbenutte bouw- en gebruiksmogelijkheden uit het bestemmingsplan uit 1975 weggenomen ter bescherming van de natuurwaarden. Niet in geschil is dat het plan het bestaande legale gebruik en de bestaande legale bouwwerken mogelijk maakt. In de gegeven omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het wegbestemmen van het agrarisch bouwblok planologisch voldoende is gemotiveerd. De raad heeft in redelijkheid aan de belangen van de bescherming van de natuur meer gewicht mogen toekennen dan aan de belangen van [appellant sub 3] bij het handhaven van onbenutte bouw- en gebruiksmogelijkheden.

14.6. Wat betreft de wens van [appellant sub 3] om zijn landgoed verder te ontwikkelen stelt de Afdeling voorop dat de raad volgens vaste rechtspraak bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening moet houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling. Dit is echter alleen het geval wanneer dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid ervan ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan op basis van de op dat moment bekende gegevens kon beoordelen.

Niet in geschil is dat [appellant sub 3] geen concrete plannen over de ontwikkeling van zijn landgoed aan de raad kenbaar heeft gemaakt. Dat [appellant sub 3] overleg heeft gevoerd met de gemeente, laat onverlet dat - nadat eerder een plan uit 2007 in 2009 was afgewezen - hij geen concreet plan heeft ingediend. Ook de wens van [appellant sub 3] voor meer overleg met de gemeente, neemt niet weg dat hij niet tijdig een concreet plan ter kennis heeft gebracht van de raad. Alleen al daarom kan niet worden geoordeeld dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan in gebreke is gebleven door geen rekening te houden met de door [appellant sub 3] gewenste ontwikkeling van zijn landgoed.

14.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

15. Voor het beroep van [appellant sub 3] is deze uitspraak een einduitspraak.

15.1. Voor [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep van [appellant sub 4]

Inleiding

16. [ appellant sub 4] heeft in 2008 een woning aan de [locatie 7] te Nijkerkerveen gekocht. Deze woning is rond het jaar 2000 gebouwd met toepassing van een zogenoemde 'ruimte-voor-ruimte-regeling'. Nadien heeft [appellant sub 4] omliggende gronden met de bestemming "Agrarisch" in eigendom verworven. [appellant sub 4] stelt dat de op die gronden aanwezige paardenstal ten onrechte niet positief is bestemd. Ook wenst hij de aanduiding "agrarische nevenactiviteiten" op de gronden met de bestemming "Wonen" zodat meer bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan voor de door hem gewenste uitbreiding van agrarische activiteiten.

De paardenstal

17. [ appellant sub 4] betoogt dat het plan ten onrechte niet expliciet voorziet in de bestaande paardenstal, die nu voor opslag wordt gebruikt. Daarbij voert hij aan dat het gemeentebestuur in het verleden zonder resultaat een handhavingsprocedure heeft gevoerd tegen de aanwezigheid van onder meer de paardenstal. Dat was namelijk zonder resultaat, omdat die met een bouwvergunning is opgericht.

17.1. In het StAB-verslag staat dat de paardenstal ten noorden van de gronden met de bestemming "Wonen" ligt en is voorzien van de bestemming "Agrarisch". Het plan voorziet ter plaatse niet in een bouwvlak en dus niet in de paardenstal.

17.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er niet in redelijkheid van kunnen afzien om te voorzien in de paardenstal. Zij komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen.

17.3. Niet in geschil is dat de paardenstal met een bouwvergunning is opgericht. De paardenstal is een legaal bouwwerk. Bij legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig moeten worden bestemd. Dit uitgangspunt vindt onder meer uitzondering indien zo’n bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van het bouwwerk, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie.

De Afdeling stelt vast dat de raad niet heeft gesteld en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat die omstandigheden zich bij de paardenstal voordoen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat tegen de aanwezigheid van de paardenstal niet handhavend kan worden opgetreden, omdat deze legaal is opgericht en [appellant sub 4] niet van plan is om de paardenstal af te breken. De stelling van de raad dat de paardenstal rond het jaar 2000 bij de ruimte-voor-ruimte-regeling had moeten worden betrokken, doet hieraan niet eraan af, omdat het niet wegneemt dat de paardenstal een legaal bouwwerk is.

Agrarische nevenactiviteiten

18. [ appellant sub 4] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in ruimere agrarische activiteiten. Hij acht het plan tegenstrijdig voor zover hij op de omliggende agrarische gronden wel vee mag houden, maar hij daarin sterk beperkt wordt door de bestemming "Wonen" op het bouwperceel. Daarom wenst hij dat de bestemming "Wonen" wordt voorzien van de aanduiding "nevenactiviteiten agrarisch". Met deze aanduiding is een grotere oppervlakte aan agrarische bebouwing mogelijk. Hij stelt dat hij hierover al vaker contact heeft gehad met de gemeente.

18.1. [appellant sub 4] is eigenaar van een grote oppervlakte aan gronden met de bestemming "Agrarisch". Artikel 3, lid 3.1, onder c, van de planregels laat het toe om daar (hobbymatig) dieren te houden. Op de gronden van [appellant sub 4] met de bestemming "Agrarisch" ligt geen agrarisch bouwvlak, zodat agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken, zoals een mestopslag en een schuilgelegenheid voor dieren, niet zijn toegestaan op deze gronden.

Het plan voorziet, zoals gezegd, voor het bouwperceel van [appellant sub 4] in de bestemming "Wonen". Gelet op artikel 22, lid 22.2.1, onder b en e, maakt het plan ter plaatse dierenverblijven en een mestplaat met een oppervlakte van 25 m2 en een bouwhoogte van 2,5 m mogelijk. Gelet op lid 22.2.2, onder j, is de oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen begrensd tot 70 m2 of een bestaande grotere oppervlakte tot maximaal 150 m2.

De gronden van [appellant sub 4] met de bestemming "Wonen" zijn niet voorzien van de aanduiding "nevenactiviteiten agrarisch". Gelet op artikel 22, lid 22.1, onder c, mogen gronden met die aanduiding gebruikt worden voor agrarische nevenactiviteiten. Gelet op lid 22.2.2, onder j, is in dat geval ook een grotere oppervlakte aan bijgebouwen, hooibergen en overkappingen toegestaan van 150 m2 of een bestaande grotere oppervlakte tot maximaal 400 m2.

18.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in redelijkheid van kunnen afzien om het bouwperceel van [appellant sub 4] met de bestemming "Wonen" te voorzien in de aanduiding "nevenactiviteiten agrarisch". Zij komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen.

18.3. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 4] binnen de gegeven bestemming hobbymatig agrarische activiteiten kan uitoefenen, maar dat hij een verruiming daarvan wenst. In dit beroep is het [appellant sub 4] te doen om die gewenste verruiming, want alle activiteiten die hij nu op dit vlak uitoefent, passen binnen de bestemmingsregeling, althans als de paardenstal wordt gehandhaafd, zoals hiervoor is geoordeeld. Bij die gewenste verruiming tekent de Afdeling aan dat de raad volgens vaste rechtspraak bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening moet houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling. Dit is echter alleen het geval wanneer dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid ervan ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan op basis van de op dat moment bekende gegevens kon beoordelen.

Niet in geschil is dat [appellant sub 4] geen concrete plannen over de door hem gewenste uitbreiding van agrarische activiteiten aan de raad kenbaar heeft gemaakt. Alleen al daarom kan niet worden geoordeeld dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan in gebreke is gebleven door geen rekening te houden met de door [appellant sub 4] gewenste uitbreiding van zijn agrarische activiteiten. Mocht [appellant sub 4] daartoe besluiten dan zal hij, zoals de raad ook te kennen heeft gegeven, moeten onderbouwen dat de door hem gewenste ontwikkeling niet op gespannen voet staat met de eisen die worden gesteld vanwege de bescherming van onder meer het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Arkemheen" door de Wet natuurbescherming. In dit verband stelt de raad met verwijzing naar het milieueffectrapport van 10 maart 2017 dat het hem voorkomt dat een bestemmingswijziging die kan leiden tot een toename van het aantal stuks vee niet goed mogelijk is.

Bestuurlijke lus

19. In wat [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, omdat is miskend dat de paardenstal van [appellant sub 4] een legaal bouwwerk is.

20. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad moet daarom met inachtneming van het overwogene onder 17.3 de paardenstal van [appellant sub 4] ten noorden van de gronden met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 7] te Nijkerkerveen opnieuw te bestemmen.

De raad hoeft hierbij geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

21. Voor het beroep van [appellant sub 4] is deze uitspraak een tussenuitspraak.

21.1. Voor [appellant sub 4] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

Het beroep van [appellante sub 5]

22. [ appellante sub 5] heeft een hoveniers- en grondwerkbedrijf aan de [locatie 8] te Nijkerkerveen. Zij betoogt dat het plan te veel beperkingen stelt aan de oppervlakte en de maximale hoogte van buitenopslag. [appellante sub 5] wenst dat buitenopslag op haar hele perceel tot 4 m hoog wordt toegestaan. Hierbij voert zij aan dat zij hiervoor bestaande rechten heeft en de gronden ook al geruime tijd op deze manier gebruikt.

22.1. De raad heeft de oppervlakte aan buitenopslag uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Nijkerk 2009" overgenomen. Voor een ruimere oppervlakte en/of een hogere maximale hoogte van de buitenopslag ziet de raad geen aanleiding, omdat volgens hem geen sprake is van bestaande rechten die verder strekken dan wat er voorheen was bestemd en omdat een ruimere oppervlakte en/of een hogere maximale hoogte van de buitenopslag niet in de omgeving past. Volgens de raad is van bestaande rechten ook sprake als kan worden gewezen op een document waarin een buitenopslag milieutechnisch aanvaardbaar is geoordeeld.

22.2. Het plan voorziet ter plaatse van de gronden van [appellante sub 5] in de bestemming "Bedrijf - Landelijk" en voor een gedeelte van ongeveer 690 m2 in de aanduiding "buitenopslag".

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Landelijk" aangewezen gronden aan de [locatie 8] te Nijkerkerveen bestemd voor mestopslag, hoveniersbedrijf en caravanstalling, met een maximale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen van 1.111 m2 en een milieucategorie van 3.1.

Lid 8.4.1 luidt:

"Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruiken van grond voor buitenopslag, tenzij buitenopslag op een legale wijze tot stand is gekomen dan wel de gronden zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - buitenopslag', met dien verstande dat de hoogte van buitenopslag niet meer mag bedragen dan 3 m."

22.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet in redelijkheid kunnen nalaten om te voorzien in de bestaande legale buitenopslag van [appellante sub 5]. Zij komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen.

22.4. Niet in geschil is dat de oppervlakte aan buitenopslag overeenkomstig het voorgaande bestemmingsplan is vastgesteld. In geschil is de stelling van de raad dat er geen bestaande rechten zijn waarop [appellante sub 5] een beroep kan doen. In dit verband heeft de raad gewezen op de brief van de ambtenaar handhaving van 11 april 2011. Daarin is [appellante sub 5] verzocht om voor 26 april 2011 een nieuwe plattegrond van onder meer de buitenopslag in te dienen. [appellante sub 5] heeft volgens de raad die plattegrond niet ingediend.

[appellante sub 5] stelt hiertegenover dat hij de gevraagde plattegrond wel heeft ingediend. In dit verband heeft hij de brief van de ambtenaar handhaving van 2 mei 2011 overgelegd waarin staat dat [appellante sub 5] een nieuwe tekening heeft overhandigd en daarmee voldoet aan het gevraagde in de brief van 11 april 2011.

De raad heeft ter zitting meegedeeld dat de tekening waarop de brief van 2 mei 2011 betrekking heeft, zich niet in het archief van de gemeente bevindt.

[appellante sub 5] heeft meegedeeld ook niet meer over die tekening te beschikken.

22.5. De Afdeling stelt gezien de inhoud van de brief van 2 mei 2011 vast dat destijds een tekening met de toen bestaande dan wel gewenste buitenopslag op het bedrijfsterrein van [appellante sub 5] aan de gemeente is overhandigd. Mede gezien de luchtfoto uit 2011 acht de Afdeling het aannemelijk dat op die tekening meer oppervlakte aan buitenopslag stond aangegeven dan waarin het plan nu voorziet.

Als die tekening ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan voorhanden was, had de raad de daarop vermelde gegevens over buitenopslag als vertrekpunt genomen bij de vaststelling van het bestemmingsplan voor dit perceel. Omdat uit de brief van 2 mei 2011 blijkt dat de in de brief van 11 april 2011 gevraagde tekening door [appellante sub 5] daadwerkelijk aan de gemeente is verstrekt, is het naar het oordeel van de Afdeling niet redelijk om het niet voorhanden zijn van de tekening voor risico van [appellante sub 5] te laten. Omdat ervan moet worden uitgegaan dat op die tekening meer buitenopslag stond vermeld dan nu is bestemd, wat wordt ondersteund door de beschikbare luchtfoto, had de raad naar het oordeel van de Afdeling niet mogen volstaan met het overnemen van de in het vorige bestemmingsplan toegestane oppervlakte aan buitenopslag. In zoverre heeft de raad het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld.

23. In wat [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Landelijk" aan de [locatie 8] te Nijkerkerveen is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd.

24. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de Rijksweg A28 waaraan het bedrijf van [appellante sub 5] is gelegen zal worden uitbreid. Dat zal betekenis hebben voor de planologische aanvaardbaarheid van de inrichting van het perceel aan de [locatie 8] zowel wat betreft de oppervlakte van de buitenopslag als de bij die oppervlakte passende hoogte. Daarover zal de raad zich nader moeten beraden.

Omdat nog onvoldoende zicht bestaat op de uitbreiding van de Rijksweg A28 ziet de Afdeling reden in het beroep van [appellante sub 5] geen bestuurlijke lus toe te passen. Wel ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen voor het perceel aan de [locatie 8]. Het door de raad te nemen nieuwe besluit hoeft niet met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

25. Omdat de oppervlakte waarop in het vorige bestemmingsplan buitenopslag was toegestaan kleiner is dan onder 22.5 als legaal is geoordeeld, ziet de Afdeling voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen wat betreft de oppervlakte waarop buitenopslag is toegestaan.

26. Voor het beroep van [appellante sub 5] is deze uitspraak een einduitspraak.

26.1. De raad dient voor [appellante sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B]

27. Het bedrijf [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] heeft een handels- en transportbedrijf aan de [locatie 9] en [locatie 10] te Nijkerkerveen. Zij wenst het bedrijf in zuidelijke richting uit te breiden. Haar voorkeur gaat uit naar een uitbreiding van de oppervlakte van het bedrijfsperceel. Als alternatief stelt zij een vormverandering van het bedrijfsperceel voor, waarbij de totale oppervlakte van het bedrijfsperceel gelijk blijft.

[appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] betoogt dat de raad ten onrechte niet de gewenste verandering heeft voorzien. Daarbij voert zij aan dat de uitbreidingsplannen bij het gemeentebestuur bekend waren.

27.1. Het plan voorziet ter plaatse van de gronden aan de [locatie 9] en [locatie 10] in de bestemming "Bedrijf - Landelijk". Deze gronden liggen op ongeveer 58 m van de woonbestemming aan de [locatie 11].

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Landelijk" aangewezen gronden aan de [locatie 12] en [locatie 13] te Nijkerkerveen bestemd voor Transportbedrijf/loonbedrijf/machinehandel en een milieucategorie van 3.1.

27.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in redelijkheid van kunnen afzien om te voorzien in de door [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] gewenste zuidelijke uitbreiding van het bedrijfsperceel. Zij komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen.

27.3. Wat betreft de wens van [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] om haar bedrijfsperceel te wijzigen stelt de Afdeling voorop dat de raad volgens vaste rechtspraak bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening moet houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling. Dit is echter alleen het geval wanneer dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid ervan ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan op basis van de op dat moment bekende gegevens kon beoordelen.

Voor zover de zienswijze van [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] als een concreet plan voor de door haar gewenste verandering moet worden aangemerkt, overweegt de Afdeling dat hierin voor de raad onvoldoende aanknopingspunten staan om de ruimtelijke aanvaardbaarheid ervan te beoordelen. Zo dient volgens de raad aan de hand van akoestisch onderzoek te worden beoordeeld of met de uitbreiding nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in de omgeving. In dit geval was het aan [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] om dat te onderzoeken, omdat de ontwikkeling uitsluitend haar wens is en de raad een andere voorkeur heeft, zoals die uiteindelijk ook is neergelegd in het plan. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan in gebreke is gebleven door geen rekening te houden met de door [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] gewenste verandering.

De Afdeling merkt hierbij op dat het [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] uiteraard vrij staat zich alsnog tot de raad te wenden met een onderbouwd concreet plan.

28. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] ongegrond.

29. Voor het beroep van [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] is deze uitspraak een einduitspraak.

29.1. Voor [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep van [appellante sub 7]

30. [ appellante sub 7] heeft aan de [locatie 14] te Nijkerk een kwekerij- en hoveniersbedrijf met verkoop aan particulieren. Zij betoogt dat het plan in onvoldoende bebouwingsmogelijkheden voor het bedrijf voorziet om adequaat te kunnen functioneren. Zij wenst bebouwingsmogelijkheden met een omvang van 500 m2 dan wel 1.000 m2 en betoogt dat dit is toegezegd. Dit acht zij noodzakelijk om gereedschappen en machines niet buiten te hoeven stallen, administratie te kunnen huisvesten en klanten te kunnen ontvangen. Bovendien worden wettelijke eisen gesteld aan de opslag van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast heeft zij ruimtes en voorzieningen voor personeel nodig.

30.1. De raad stelt dat een vergroting van de maximaal toegestane oppervlakte in een afzonderlijke ruimtelijke procedure moet worden getoetst, via de wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 4, lid 4.6.1, van de planregels. Door het ontbreken van een nadere onderbouwing kon de wens van [appellante sub 7] in deze bestemmingsplanprocedure niet worden gehonoreerd.

30.2. Het plan voorziet voor de gronden aan de [locatie 14] in de bestemming "Agrarisch - Kwekerij" en een aanduiding voor een bouwvlak.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor een hoveniersbedrijf met 430 m2 aan gebouwen en overkappingen.

30.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in redelijkheid van kunnen afzien om te voorzien in de door [appellante sub 7] gewenste uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden. Zij komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen.

30.4. [appellante sub 7] verwijst voor de bedoelde toezegging naar een brief uit 1999. Die brief gaat over de besluitvorming van een bestemmingsplan uit die tijd en de Afdeling heeft niet kunnen vaststellen dat [appellante sub 7] zich nadat dat bestemmingsplan is vastgesteld op die toezegging heeft beroepen. De werking van het vertrouwensbeginsel strekt naar het oordeel van de Afdeling niet zo ver dat [appellante sub 7] zich ook in een daar weer op volgende bestemmingsplanprocedure en na een lange tussenliggende periode met succes kan beroepen op het gestelde gewekte vertrouwen. De raad heeft zich ondertussen op basis van gewijzigde planologische inzichten in redelijkheid op een ander standpunt kunnen stellen. Gelet hierop ziet de Afdeling niet dat de raad verplicht was om gevolg te geven aan de toezegging, nog daargelaten of de toezegging namens het college van burgemeester en wethouders aan de raad kan worden toegerekend. De raad heeft het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

30.5. Wat betreft de wens van [appellante sub 7] voor meer bebouwingsmogelijkheden stelt de Afdeling voorop dat de raad volgens vaste rechtspraak bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening moet houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling. Dit is echter alleen het geval wanneer dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid ervan ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan op basis van de op dat moment bekende gegevens kon beoordelen.

Niet in geschil is dat [appellante sub 7] geen concrete plannen over de door haar gewenste bouwmogelijkheden aan de raad kenbaar heeft gemaakt. Het principeverzoek uit december 2017, vergezeld van een Quickscan flora- en fauna uit november 2017, dateert van na het bestreden besluit. Alleen al daarom kan niet worden geoordeeld dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan in gebreke is gebleven door geen rekening te houden met de [appellante sub 7] gewenste bouwmogelijkheden. De Afdeling merkt hierbij op ervan uit te gaan dat het na het vaststellen van het bestemmingsplan ingediende verzoek van [appellante sub 7] alsnog door de raad wordt beoordeeld op ruimtelijke aanvaardbaarheid.

30.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 7] ongegrond.

31. Voor beroep van [appellante sub 7] is deze uitspraak een einduitspraak.

31.1. Voor [appellante sub 7] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B]

Inleiding

32. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] wonen aan de [locatie 15] te Nijkerk. Het plan voorziet ter plaatse van hun woning in de bestemming "Wonen". Zij richten zich met het oog op hun woon- en leefklimaat tegen de ontwikkelingsmogelijkheden ter plaatse van de gronden in de omgeving van hun woning met de bestemmingen "Wonen", "Agrarisch met waarden - Landschappelijke en natuurwaarden" en "Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden".

De agrarische bestemmingen

32.1. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] betogen dat het plan onvoldoende rekening houdt met het onderscheid tussen landbouwontwikkelingsgebieden, extensiveringsgebieden en verwevingsgebieden zoals neergelegd in de Omgevingsverordening Gelderland. In dit verband wijzen zij erop dat diverse - door hen concreet genoemde - artikelonderdelen die ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor de drie agrarische bestemmingen identiek zijn. In hun brief van 19 augustus 2018 hebben [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] op verzoek van de Afdeling meegedeeld dat zij in het bijzonder overlast vrezen van drie intensieve veehouderijen. Een daarvan, gelegen in het extensiveringsgebied, zou volgens hen voornemens zijn om uit te breiden. Daarnaast stellen zij dat diverse artikelonderdelen die ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor de drie agrarische bestemmingen ten onrechte identiek zijn. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] wensen dat in de extensiveringsgebieden en de verwevingsgebieden geen afwijkingsbevoegdheden worden opgenomen die kunnen leiden tot meer bebouwing.

32.2. Het plan voorziet in de omgeving van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] in de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschappelijke en natuurwaarden" en "Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden". [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] vergelijken de regeling voor deze bestemmingen met de regeling voor de bestemming "Agrarisch".

De planregeling voor de bestemming "Agrarisch" is neergelegd in artikel 3 van de planregels. De planregeling voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke en natuurwaarden" is neergelegd in artikel 6 van de planregels. De planregeling voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden" is neergelegd in artikel 7 van de planregels.

32.3. Over de bouwmogelijkheden bij recht uit artikel 3, lid 3.2.3, van de planregels, en de vergelijkbare bepalingen uit de artikelen 6 en 7, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat de agrarische bestemmingen uit de artikelen 3, 6 en 7 van de planregels bij recht - dat wil zeggen direct en zonder toepassing van bijvoorbeeld afwijkingsbevoegdheden - vergelijkbare bouwmogelijkheden bieden. Dat de raad de onder het vorige plan toegekende, ongebruikte bouwrechten van agrariërs in dit plan heeft willen respecteren, acht de Afdeling niet in strijd met de goede ruimtelijke ordening. Hierbij merkt de Afdeling op dat de omvang van de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden voor een groot deel wordt bepaald door de omvang van de bouwvlakken. Deze zijn per bedrijf verschillend en aan de plaatselijke situatie aangepast.

Over de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden uit artikel 3, lid 3.3.9, lid 3.3.12 en lid 3.6.1, en de vergelijkbare bepalingen uit de artikelen 6 en 7, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat de artikelen 3, 6 en 7 van de planregels vergelijkbare bouwmogelijkheden via afwijking en wijziging bieden. Het gaat hier om bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders. Wanneer in een concreet geval aan die bevoegdheden toepassing wordt gegeven, zal - zoals de raad ook heeft gesteld - een ruimtelijke afweging plaatsvinden waarbij rekening zal worden gehouden het onderscheid tussen extensiveringsgebieden en verwevingsgebieden; landbouwontwikkelingsgebieden komen in het plangebied niet voor.

De Afdeling ziet in wat zij hiervoor heeft overwogen dan ook geen reden voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het onderscheid tussen landbouwontwikkelingsgebieden, extensiveringsgebieden en verwevingsgebieden zoals neergelegd in onder meer de Omgevingsverordening Gelderland.

De bestemming "Wonen"

33. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] voeren verschillende beroepsgronden aan tegen de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 22, lid 22.3.4, van de planregels, die het mogelijk maakt dat binnen de bestemming "Wonen" de oppervlakte aan bijgebouwen tot 400 m2 wordt vergroot.

[appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] betogen dat toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid kan leiden tot een ongewenste concentratie aan verstening. Als gevolg daarvan vrezen zij voor een verminderd woon- en leefklimaat in de vorm van uitzicht, schaduw en privacy. Daarnaast vrezen zij voor wateroverlast en een aantasting van de natuurwaarden.

Ook betogen [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] dat ten onrechte sloopmeters ter plaatse van andere gronden, waaronder gronden met een agrarische bestemming op grote afstand, kunnen worden ingezet om meer bijgebouwen toe te staan ter plaatse van gronden met de bestemming "Wonen". In dit verband vrezen zij voor een ongewenste verplaatsing van "sloopmeters" naar het extensiveringsgebied.

33.1. Het plan voorziet voor de gronden van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] en de naastgelegen gronden in de bestemming "Wonen". De planregeling voor deze bestemming is neergelegd in artikel 22 van de planregels.

Op grond van artikel 22, lid 22.2.2, aanhef en onder j, van de planregels is de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde woning behorende bijgebouwen, hooibergen en overkappingen begrensd tot 70 m2 dan wel de in de planregels genoemde grotere oppervlakte.

Lid 22.3.4, van de planregels luidt:

"Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 22.2.2, onder j, ten behoeve van het toestaan van een grotere oppervlakte aan (bestaande) bijgebouwen, mits:

a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit en mits de architectonische en/of cultuurhistorische waarden van de bebouwing niet in onevenredige mate worden geschaad;

b. de maximale gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen en overkappingen bij een woning niet meer bedraagt dan 400 m², met dien verstande dat niet meer dan 50 % van het perceel, binnen de bestemming wonen achter de voorgevelrooilijn, mag worden bebouwd;

c. er sprake is van vermindering (door sloop) van bestaande gebouwen waarbij geldt dat voor iedere 1 m² nieuwbouw er 2 m² sloop moet plaatsvinden, met dien verstande dat:

1. geen sloop van gebouwen hoeft plaats te vinden voor het vergroten van de maximale oppervlakte aan bijgebouwen tot 150 m2 indien deze vergroting van de oppervlakte dient ter vervanging van een gelijke oppervlakte aan gebouwen die behoren bij de betreffende woning;

[…]

5. de te slopen gebouwen moeten zijn gelegen binnen het buitengebied van de gemeente Nijkerk, dan wel binnen het reconstructiegebied Gelderse Vallei/Utrecht-Oost, opgenomen in het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost, vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland op 22 december 2004 en 26 januari 2005, voor zover dit reconstructiegebied is gelegen binnen de provincie Gelderland;

[…]".

33.2. De betogen dat toepassing van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 22, lid 22.3.4, van de planregels kan leiden tot een ongewenste concentratie aan verstening en een verplaatsing van sloopmeters naar het extensiveringsgebied falen. De Afdeling komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen.

In dit verband stelt de Afdeling voorop dat het hier gaat om een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders, en wel een algemene afwijkingsbevoegdheid die niet gaat over een specifieke locatie.

De Afdeling is van oordeel dat de raad bij een dergelijke afwijkingsbevoegdheid in beginsel kan volstaan met de afweging of deze bevoegdheid in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast. De raad mag hiermee volstaan, omdat gelet op lid 22.3.4, onder a, geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan het landschap en de beeldkwaliteit en de architectonische en cultuurhistorische waarden van de bebouwing niet in onevenredige mate mogen worden geschaad. De nadere afweging mag dus aan het college worden gelaten.

De Afdeling ziet in wat [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] hebben aangevoerd daarmee geen grond voor het oordeel dat de afweging van de raad op dit punt gebrekkig zou zijn. Hun bezwaren gaan in het bijzonder over de gevolgen van de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in het concrete geval. Die gevolgen staan hier niet ter beoordeling. Het is immers aan het college van burgemeester en wethouders om, wanneer in een concreet geval toepassing aan de afwijkingsbevoegdheid wordt gegeven, rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de concrete gevolgen voor het woon- en leefklimaat, wateroverlast, natuurwaarden en het voorkomen van een ongewenste verplaatsing van sloopmeters naar het extensiveringsgebied. Tegen het resultaat van die concrete afweging kunnen belanghebbenden te zijner tijd rechtsmiddelen aanwenden.

34. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] betogen dat artikel 22, lid 22.3.4, onder c, onder 1, van de planregels gelet op de frase "geen sloop van gebouwen hoeft plaats te vinden" onduidelijk is.

34.1. Een redelijke uitleg brengt naar het oordeel van de Afdeling met zich dat met artikel 22, lid 22.3.4, onder c, onder 1, van de planregels is bedoeld dat tot 150 m2 aan bijgebouwen voor iedere 1 m² nieuwbouw er 1 m² sloop moet plaatsvinden, in plaats van voor iedere 1 m² nieuwbouw 2 m² sloop. Het betoog dat deze planregel onduidelijk is faalt.

35. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] betogen dat artikel 22, lid 22.3.4, onder c, onder 5, van de planregels ten onrechte een uitruil met bouwrechten van buiten de gemeente Nijkerk toestaat, terwijl het gemeentebestuur of een regionaal samenwerkingsverband hiertoe niet bevoegd zijn. In zoverre achten [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] dit artikel in strijd met de "Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten" uit 2008. Ook achten zij de nadere invulling daarvan uit 2012 in strijd met het beleid uit 2008.

35.1. De Afdeling stelt vast dat het "Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016" in de plaats is gekomen van het door [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] genoemde beleid uit 2008 en 2012. Dit beleid heeft mede betrekking op het inzetten van sloopmeters als compensatie voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij woonfuncties. Ook is in het beleid vermeld dat het mogelijk is om sloopmeters uit te wisselen tussen locaties, waaronder locaties van de andere deelnemende gemeenten. Weliswaar is het gemeentebestuur van Nijkerk slechts voor zijn eigen grondgebied bevoegd, maar dat neemt niet weg dat het gemeentebestuur ervoor kan zorgen dat alleen toepassing aan de afwijkingsbevoegdheid wordt gegeven als voldoende verzekerd is dat de vereiste sloop daadwerkelijk zal plaatsvinden.

36. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] achten de voorwaarden uit artikel 22, lid 22.3.4, onder c, onder 5, van de planregels, zoals hierboven weergegeven onder 33.1, in strijd met het vrije verkeer van goederen uit de artikelen 28 en 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

36.1. Artikel 22, lid 22.3.4, van de planregels gaat over het publiek recht om te mogen bouwen en de voorwaarden waaronder dat recht kan worden toegekend. Alleen al omdat dit publieke recht niet gaat over grensoverschrijdend verkeer van goederen tussen lidstaten van de Europese Unie kan een beroep op de artikelen 28 en 34 van het Verdrag niet slagen.

37. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] voeren dezelfde beroepsgronden aan voor de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 22, lid 22.3.1, van de planregels. Met toepassing daarvan kan de inhoud van een woning worden vergroot in ruil voor het inzetten van sloopmeters. Het oordeel hierover komt overeen met het oordeel over lid 22.3.4 van de planregels in overweging 33 tot en met 36.1. Kortheidshalve verwijst de Afdeling hiernaar.

De betogen falen.

Algemene afwijkingsregels

38. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] betogen ten slotte dat het plan ten onrechte voorziet in een algemene afwijkingsbevoegdheid om de goot- en bouwhoogte met 10 procent te verhogen. Hierbij voeren zij aan dat daar ten onrechte geen voorwaarden bij zijn gegeven. Zij vrezen een onevenredige inbreuk op het woongenot en achten het plan in zoverre rechtsonzeker.

38.1. Artikel 34, lid 34.1, van de planregels luidt:

"Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van dit plan:

(…)

c. voor afwijkingen van bepalingen, gesteld ten aanzien van goot- en bouwhoogten, tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven goot- en bouwhoogten;"

38.2. Artikel 34, lid 34.1, van de planregels is een voor bestemmingsplannen gebruikelijke bepaling. De Afdeling acht deze bepaling niet onduidelijk en evenmin rechtsonzeker. Voor nadere voorwaarden zoals door [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] gewenst ziet de Afdeling geen aanleiding, zeker omdat voor zo’n afwijking in concrete gevallen een omgevingsvergunning zal moeten worden verleend waartegen rechtsmiddelen open staan. Het betoog faalt.

Conclusie

39. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] ongegrond.

40. Voor het beroep van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] is deze uitspraak een einduitspraak.

40.1. Voor [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 7], [appellant sub 3], [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] en [appellante sub 6A] en [appellante sub 6B] ongegrond;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 5] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nijkerk van 30 mei 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Landelijk" voor de gronden van [appellante sub 5] aan de [locatie 8] te Nijkerkerveen;

IV. draagt de raad van de gemeente Nijkerk op:

a. om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van een plan voor het onder III. bedoelde plandeel te nemen en

b. om het onder IV.a bedoelde plan op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mee te delen;

V. treft de voorlopige voorziening dat op het perceel aan de [locatie 8] te Nijkerkerveen eveneens buitenopslag is toegestaan op de gronden zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

VI. bepaalt dat de onder V. opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het moment van inwerkingtreding van het door de raad van de gemeente Nijkerk nieuw te nemen besluit;

VII. draagt de raad van de gemeente Nijkerk op:

a. om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak de onder 5.4, 6.3, 9.4, 10.2 en 17.3 genoemde gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Nijkerk van 30 mei 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" te herstellen met inachtneming van hetgeen over die gebreken in deze uitspraak is overwogen, en

b. de Afdeling en de betrokken partijen de uitkomst van de onder VII.a opgenomen opdracht mee te delen en een nieuw of gewijzigd besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Nijkerk tot vergoeding van bij [appellante sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Nijkerk aan [appellante sub 5] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Hupkes

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019

635.