Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
201710103/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:5691, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2016 heeft het college naar aanleiding van het verzoek van [appellant] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) meegedeeld dat de NAW-gegevens van [appellant] in het postregistratiesysteem zijn verwerkt. Het college heeft kopieën van de brieven waarvoor die gegevens zijn verwerkt, bij het besluit gevoegd. Het college heeft voorts meegedeeld dat de NAW-gegevens van [appellant] verder aan niemand zijn verstrekt en dat zijn persoonsgegevens ook niet op andere wijze zijn verwerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2019/9 met annotatie van
JBP 2019/29
Module Privacy & AVG 2019/2505
Module Privacy & AVG 2019/3075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710103/1/A3.

Datum uitspraak: 23 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 november 2017 in zaak nr. 17/1810 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2016 heeft het college naar aanleiding van het verzoek van [appellant] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) meegedeeld dat de NAW-gegevens van [appellant] in het postregistratiesysteem zijn verwerkt. Het college heeft kopieën van de brieven waarvoor die gegevens zijn verwerkt, bij het besluit gevoegd. Het college heeft voorts meegedeeld dat de NAW-gegevens van [appellant] verder aan niemand zijn verstrekt en dat zijn persoonsgegevens ook niet op andere wijze zijn verwerkt.

    Daarnaast heeft het college overwogen dat er sprake is van misbruik van recht en dus aan [appellant] geen dwangsom wordt toegekend wegens het niet tijdig beslissen.

Bij besluit van 23 februari 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een verzoek om schadevergoeding gedaan.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Huisman, zijn verschenen.

Overwegingen

Toepasselijk recht

1.    Op 25 mei 2018 is Verordening 2016/679 (Algemene Verordening Gegevensbescherming; hierna: de AVG) in werking getreden en is de Wbp ingetrokken. Op dit geding is de Wbp van toepassing.

Bestreden onderdeel uitspraak - verantwoordelijke

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht heeft gesteld dat het niet als verantwoordelijke in de zin van de Wbp is aan te merken voor de persoonsgegevens die op het VNG-forum zijn geplaatst.

Hoger beroep- verantwoordelijke

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet als verantwoordelijke kan worden aangemerkt. Een verwerkingshandeling is toerekenbaar aan de organisatie die de handeling verricht. [appellant] dient als betrokkene controle te hebben over de verwerking van zijn persoonsgegevens. Het recht op inzage geeft daar uitvoering aan. Het is om die reden dat het begrip verantwoordelijke ruim moet worden uitgelegd, aldus [appellant]. Hij stelt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbp volgt dat degene die bepaalt of en welke persoonsgegevens worden verwerkt en op welke wijze, met welke middelen en voor welk doel die gegevens worden verwerkt, aangemerkt kan worden als verantwoordelijke. Dat ook de VNG verantwoordelijke is voor het VNG-forum betekent niet dat het college geen verantwoordelijke is voor de door het college geplaatste persoonsgegevens.

3.1.    Artikel 1, aanhef en onder b en d, van de Wbp luidde, ten tijde van belang:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

[…]

d. verantwoordelijke: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ieder ander die of het bestuursorgaan dat, alleen of te zamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt."

    Artikel 35 luidde ten tijde van belang:

"1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

[…]

4. Desgevraagd doet de verantwoordelijke mededelingen omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens."

3.2.    Als gemeenteambtenaren, zoals hier wordt gesteld, berichten op een forum in beheer bij de VNG plaatsen, moet het handelen van deze ambtenaren worden toegerekend aan het college van de gemeente waarvoor zij werkzaam zijn en moet dat college in zoverre als verantwoordelijke in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, worden aangemerkt. De rechtbank heeft dat miskend.

    Het betoog van [appellant] slaagt.

Bestreden onderdeel uitspraak - dwangsom en proceskosten

4.    De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar zich niet richtte tegen de weigering een dwangsom vast te stellen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het college een oordeel heeft gegeven over de proceskosten nu het advies van de bezwaarschriftencommissie om de proceskosten niet te vergoeden, is overgenomen. Het in het besluit op bezwaar terugkomen op het standpunt dat [appellant] misbruik van recht maakt met zijn verzoek, betreft volgens de rechtbank niet het tegemoetkomen aan [appellant] bezwaren. Het college heeft daarom terecht geen vergoeding in de proceskosten toegekend.

Hoger beroep - dwangsom en proceskosten

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij zich niet kon verenigen met het besluit omtrent de ingebrekestelling en de dwangsom. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college in het besluit op bezwaar wel heeft besloten op het verzoek om proceskostenvergoeding.

5.1.    In het bezwaarschrift staat niet vermeld dat [appellant] niet kan instemmen met het besluit geen dwangsom vast te stellen. Ook zijn er geen gronden aangevoerd tegen het niet vaststellen van een dwangsom. In het aanvullende stuk in bezwaar van [appellant] van 29 december 2016 is een reactie gegeven op het verweerschrift van het college. In die brief stelt [appellant] weliswaar dat het feit dat [appellant] een ingebrekestelling heeft ingediend erop duidt dat hij een besluit wenst en voorts dat het indienen van een ingebrekestelling de enige juridische mogelijkheid is om een besluit af te dwingen, maar dit betoog is een reactie op het standpunt van het college dat het zenden van ingebrekestellingen erop duidt dat [appellant] misbruik van recht maakt en enkel uit is op het innen van dwangsommen. Het is geen grond gericht tegen het niet vaststellen van een dwangsom. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het bezwaar zich niet richtte tegen het besluit geen dwangsom vast te stellen. Het betoog faalt.

    In het besluit op bezwaar staat dat het college overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft besloten om het bezwaar ongegrond te verklaren. Voor de motivering is verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 2 februari 2017 dat bij het besluit is gevoegd. Daarin staat dat als het advies gevolgd wordt, het bestreden besluit niet wordt herroepen en daarom geen proceskosten hoeven te worden vergoed. De bezwaarschriftencommissie adviseert het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen. Het college heeft het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college daarmee het verzoek om proceskosten heeft afgewezen. Het betoog faalt.

Verzoek om schadevergoeding

6.    [appellant] heeft verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wbp en artikel 82 van de AVG omdat zijn persoonsgegevens in strijd met de Wbp zijn verwerkt.

6.1.    Artikel 49 van de Wbp luidde, ten tijde van belang:

"1. Indien iemand schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften zijn de volgende leden van toepassing, onverminderd de aanspraken op grond van andere wettelijke regels.

2. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.

3. De verantwoordelijke is aansprakelijk voor de schade of het nadeel, voortvloeiende uit het niet-nakomen van de in het eerste lid bedoelde voorschriften. […]

[…]"

Artikel 82 van de AVG luidt:

"1.Eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.

2.Elke verwerkingsverantwoordelijke die bij verwerking is betrokken, is aansprakelijk voor de schade die wordt veroorzaakt door verwerking die inbreuk maakt op deze verordening. Een verwerker is slechts aansprakelijk voor de schade die door verwerking is veroorzaakt wanneer bij de verwerking niet is voldaan aan de specifiek tot verwerkers gerichte verplichtingen van deze verordening of buiten dan wel in strijd met de rechtmatige instructies van de verwerkingsverantwoordelijke is gehandeld.

[…]"

6.2.    Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft het college geen inzage gegeven of en welke persoonsgegevens van [appellant] op het VNG-forum zijn verwerkt. Het college heeft, voor zover zodanige gegevens zijn verwerkt, geen overzicht gegeven van de gegevens, en evenmin een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Daarom is op dit moment niet vast te stellen of het college op het VNG-forum persoonsgegevens heeft verwerkt in strijd met de Wbp. Het college zal dit bij de nieuwe beslissing op bezwaar moeten betrekken. Gelet daarop wijst de Afdeling het verzoek tot schadevergoeding af.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 23 februari 2017, kenmerk 17h0001803/hl70006873, van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 november 2017 in zaak nr. 17/1810;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk van 23 februari 2017, kenmerk 17h0001803/hl70006873;

V.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

VI.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2048,00 (zegge: tweeduizend achtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 plus beroep (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

w.g. Borman    w.g. Rietberg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019

725.