Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201803703/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2019/8196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803703/1/R1.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

2.    [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen: [appellant sub 2]), wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

en

de raad van de gemeente Wijdemeren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2019, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. M. Peeters, advocaat te Someren, [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], bijgestaan door M. Peeters, voornoemd, en de raad, vertegenwoordigd door Y.A.M. Ekelschot, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet op het perceel [locatie] in de bouw van 3 recreatiewoningen. Het plangebied is gelegen in de nabijheid van Nieuw-Loosdrecht en Hilversum. De omgeving van het plangebied bestaat uit een bosrijk woongebied waar onder meer woningen aanwezig zijn die veelal zijn ontstaan als recreatiewoning. Tevens is in de omgeving een sportcomplex aanwezig, dat onder meer bestaat uit tennisbanen, voetbalvelden en hockeyvelden. De initiatiefnemer van het plan woont op het perceel [locatie] en is voorts eigenaar van het achterliggende perceel, het plangebied, dat nu in gebruik is als tuin bij zijn woning.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn eigenaren van percelen in de nabijheid van het plangebied en verzetten zich tegen het plan, omdat zij vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Provinciale Ruimtelijke Verordening

3.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan in strijd met artikel 18, derde lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: de PRV) van de provincie Noord-Holland is vastgesteld. Zij voeren aan dat het plan een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, zodat ook toepassing dient te worden gegeven aan de vereisten zoals opgenomen in artikel 5c van de PRV. In dat verband hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ter zitting gewezen op de uitspraken van de Afdeling van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1340, en 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:125.

3.1.    Artikel 18, derde lid, van de PRV luidt: "Een bestemmingsplan dat - na toepassing van artikel 5a of artikel 5c - de oprichting van een nieuw complex van recreatiewoningen mogelijk maakt, stelt regels ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie van het complex en het voorkomen van permanente bewoning van de recreatiewoningen."

Artikel 5c luidt:

"1. Een bestemmingsplan maakt een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied uitsluitend mogelijk binnen een bestaand bouwblok dat al voorziet in een stedelijke functie. Het aantal woningen mag hierbij niet toenemen.

2. In afwijking van het eerste lid is bebouwing buiten het bestaande bouwblok mogelijk, mits het bebouwd oppervlak niet wordt vergroot.

3. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, indien dit op grond van een ander artikel in deze verordening is toegestaan."

Ingevolge artikel 2, onder w, wordt onder een kleinschalige ontwikkeling verstaan: "nieuwe bebouwing voor stedelijke functies die gelet op de kleinschaligheid en beperkte ruimtelijke gevolgen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening."

Ingevolge artikel 2, onder j, wordt onder bestaand stedelijk gebied verstaan: "gebied als bedoeld in artikel 1.1.1 eerste lid onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening." Op grond van artikel 1.1.1 eerste lid, onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) wordt onder bestaand stedelijk gebied verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

3.2.    Bij de beantwoording van de vraag of het plangebied als een bestaand stedelijk gebied kan worden aangemerkt, moet worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied al een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, dan wel of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur (uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724).

In het vorige plan, "Loosdrecht landelijk gebied noordoost", vastgesteld op 29 mei 2008, was aan het plangebied de bestemming "Groenvoorzieningen" toegekend. Volgens dat plan waren de voor "Groenvoorzieningen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen, bermen, bermsloten, beplanting, paden, speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarnaast was in dat plan opgenomen dat op deze gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mochten worden gebouwd, onder de voorwaarde dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3 m mag bedragen. In het plan dat nu ter beoordeling staat, is aan het plangebied de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie" toegekend. De Afdeling stelt vast dat het perceel te midden van een woonwijk ligt en dat het hoort tot de gronden bij [locatie]. Ook is in de plantoelichting vermeld dat het perceel nu gebruikt wordt als tuin bij de woning aan de [locatie] en dat in het overgrote deel van het perceel beplanting aanwezig is. Gelet op de bestemming in het vorige plan, de ligging van het perceel en het huidige gebruik overweegt de Afdeling dat het hier gaat om stedelijk groen behorend bij een bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing. De Afdeling ziet in de genoemde uitspraken geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. In de uitspraak van 29 april 2015 was een veel groter gebied met een agrarische bestemming aan de orde. Ook kon het gebied op grond van het voorheen geldende plan niet worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Die situatie doet zich hier niet voor. In de uitspraak van 20 januari 2016 was het plangebied, gelet op de ligging daarvan aangrenzend aan de woonbebouwing, beschouwd als stedelijk groen, behorend bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Hieruit volgt niet, anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen, dat het voorliggende plangebied niet als stedelijk groen, behorend bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing kan worden beschouwd. De conclusie over het geheel is daarmee dat het plangebied deel uitmaakt van een bestaand stedelijk gebied en dat het plan geen kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand gebied als bedoeld in artikel 5c, eerste lid, van de PRV mogelijk maakt. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 18, derde lid, van de PRV is vastgesteld.

Het betoog faalt.

4.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen verder dat het plan in strijd met artikel 18, vijfde lid, van de PRV is vastgesteld, omdat het plan ten onrechte niet voldoet aan de uitgangspunten zoals vermeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Zij voeren aan dat het voorliggende plan weliswaar niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, maar dat een plan dat voorziet in een recreatiewoning, gelet op artikel 18, vijfde lid, van de PRV, te allen tijde dient te worden getoetst aan artikel 15 van de PRV.

4.1.    Artikel 18 van de PRV heeft als opschrift: “Recreatiewoningen”.

 Artikel 18, vijfde lid, luidt: “Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing.”

 Artikel 15, zoals dit gold ten tijde van de vaststelling van het plan, luidt:

1. "Een bestemmingsplan dat in het landelijk gebied voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5a of een nieuw landgoed als bedoeld in artikel 13a, voldoet aan de uitgangspunten zoals vermeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (PS d.d. 21 juni 2010) ten aanzien van:

a. de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen en aardkundige waarden als bedoeld in artikel 8;

b. de kernkwaliteiten van de bestaande dorpsstructuur waaraan wordt gebouwd;

c. de openheid van het landschap daarbij inbegrepen stilte en duisternis;

d. de historische structuurlijnen;

e. cultuurhistorische objecten.

[...].”

4.2.    De tekst van artikel 18, vijfde lid, van de PRV biedt naar het oordeel van de Afdeling geen aanknopingspunten voor de uitleg van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat artikel 15 in geval van recreatiewoningen altijd moet worden toegepast, dus ook als het niet gaat om landelijk gebied of een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De enkele vermelding van het begrip "overeenkomstige" in artikel 18, vijfde lid, geeft daarvoor geen aanleiding. Nu de PRV geen artikelsgewijze toelichting bij artikel 18 kent, kan voor een dergelijke uitleg ook niet daarbij worden aangesloten. Verder volgt uit de tekst van en de toelichting bij artikel 15, anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen, dat de genoemde eisen betrekking hebben op ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied. Nu de PRV - de toelichting daarbij in aanmerking genomen - geen aanknopingspunten biedt voor een uitleg als voorgestaan door [appellant sub 1] en [appellant sub 2], dient aan artikel 15 in samenhang gelezen met artikel 18, vijfde lid, toepassing te worden gegeven indien wordt voldaan aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in artikel 15. Nu niet in geschil is dat het voorliggende plan niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en het evenmin gaat om een ontwikkeling in landelijk gebied, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 18, vijfde lid, en artikel 15, eerste lid, van de PRV is vastgesteld.

Het betoog faalt.

Behoefte

5.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de behoefte aan de realisatie van de 3 recreatiewoningen. Zij voeren aan dat de recreatiewoningen worden gerealiseerd nabij het recreatiepark De Wilde Roos en dat mede in verband daarmee moet worden getwijfeld aan de toegevoegde waarde van de nieuwe recreatiewoningen. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestaat ook los daarvan onvoldoende vraag naar recreatiewoningen.

5.1.    In de plantoelichting is opgenomen dat de gemeente Wijdemeren een recreatieve gemeente is en onder meer als doel heeft het verbreden van het recreatieve aanbod en het recreatief aantrekkelijker maken van de gemeente. Verder volgt uit de plantoelichting dat regelmatig verzoeken binnenkomen om medewerking te verlenen aan de omzetting van een recreatiewoning naar een bewoonde woning. De raad heeft toegelicht dat dit plan voorziet in het verbreden van het recreatief aanbod en dat de beoogde recreatiewoningen voor korte perioden zullen worden verhuurd, terwijl het nabij gelegen recreatiepark, waarop [appellant sub 1] en [appellant sub 2] doelen, recreatiewoningen in het koopsegment heeft. Gelet op de geringe omvang van de voorziene ontwikkeling en de gegeven toelichting heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat behoefte aan de voorziene recreatiewoningen voldoende is onderbouwd.

Het betoog faalt.

Permanente bewoning

6.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen dat de recreatiewoningen na verloop van tijd permanent zullen worden bewoond. Daarover voeren zij aan dat de gemeente een recreatiefonds heeft met als doel het omzetten van recreatiewoningen naar woningen voor permanente bewoning. In de plantoelichting wordt verwezen naar dit recreatiefonds, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Zij betogen dat in het plan ten onrechte niet is opgenomen dat de recreatiewoningen door middel van het recreatiefonds niet omgezet mogen worden naar een woning voor permanente bewoning.

6.1.    In artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels is opgenomen dat het gebruiken of laten gebruiken van de recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning niet is toegestaan. In de plantoelichting wordt verwezen naar de "Structuurvisie Wijdemeren" waarin onder meer is vermeld dat medewerking kan worden verleend aan de omzetting van een recreatiewoning naar een woonbestemming en dat daarvoor een bijdrage aan het recreatiefonds kan worden verlangd. De raad heeft toegelicht dat die mogelijkheid kan worden ingezet als sprake is van een bestemmingswijziging. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het huidige plan niet toelaat wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen en dat nadere afwegingen nodig zijn voor een bestemmingswijziging. De Afdeling overweegt dat eventuele toekomstige plannen hier niet ter beoordeling voorliggen en daarom niet aan de orde kunnen komen.

Het betoog faalt.

Planregels

7.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de planregels onvolledig zijn en niet aansluiten bij de plantoelichting. Zij voeren aan dat artikel 1, lid 1.32, van de planregels leidt tot rechtsonzekerheid, omdat onduidelijk is wat onder "kortdurend recreatief bewonen" moet worden verstaan. Ook is ten onrechte het maximale aantal gebruikers niet vastgelegd in de planregels, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Verder voeren zij aan dat in de planregels ten onrechte niet is opgenomen op welke wijze de recreatiewoningen moeten worden gerealiseerd, terwijl in de plantoelichting staat dat de recreatiewoningen moeten aansluiten op de directe omgeving.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat uit de definitie van het begrip "recreatiewoning" en de relevante planregels voldoende volgt dat de recreatiewoningen bedoeld zijn voor kortdurend recreatief verblijf. De beperking van het gebruik, het aantal verblijvende personen, volgt uit de toegelaten oppervlakte van de recreatiewoningen, aldus de raad. Over de overige aspecten stelt de raad dat die betrekking hebben op de welstandstoets.

7.2.    Ingevolge artikel 1, lid 1.32, van de planregels wordt onder recreatiewoning verstaan: "een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar kortdurend recreatief te worden bewoond."

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, zijn de voor "Recreatie-Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor de bedrijfsmatige exploitatie van recreatiewoningen.

Artikel 3, lid 3.3, luidt: "Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van recreatiewoningen anders dan bedoeld in lid 3.1. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

a. het gebruik of laten gebruiken van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning;

b. het gebruik of laten gebruiken van bijgebouwen als zelfstandige woning of als afhankelijke woonruimte;

c. het gebruik of laten gebruiken van recreatiewoningen voor de huisvesting van elders werkzaam zijnde arbeiders;

d. het gebruik van gronden en bouwwerken anders dan ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie."

Artikel 3, lid 3.2.2, luidt: "Voor het bouwen van recreatiewoningen en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij de recreatiewoning gelden de volgende bepalingen:

a. het aantal recreatiewoningen mag niet meer dan 3 bedragen;

b. het oppervlak van een recreatiewoning bedraagt ten hoogste 72 m2;

c. de bouwhoogte van een recreatiewoning mag ten hoogste 4 m bedragen;

d. de goothoogte van een recreatiewoning mag ten hoogste 3 m bedragen;

[...]."

7.3.    In artikel 1, lid 1.32, van de planregels is bepaald dat de recreatiewoningen bedoeld zijn voor kort recreatief verblijf. Verder volgt uit de planregels, anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen, dat het gebruik voor niet-recreatieve doeleinden uitgesloten is. Over het maximale aantal gebruikers heeft de raad toegelicht dat de afmetingen zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels de recreatiewoningen geschikt maken voor zes personen. Nu in de planregels is bepaald dat de oppervlakte van een recreatiewoning ten hoogste 72 m² bedraagt, heeft de raad in redelijkheid kunnen uitgaan van maximaal zes gebruikers per woning. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad een nadere regeling in het plan daarom niet noodzakelijk hoeven achten. Gelet hierop ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het begrip "recreatiewoning" leidt tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog faalt in zoverre.

7.4.    Over het aansluiten van de recreatiewoningen op de directe omgeving overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels is de maximale maatvoering voor de bouw van de recreatiewoningen neergelegd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de toegestane maatvoering voldoende is geregeld in het plan. Daarbij merkt de Afdeling op dat de plantoelichting geen onderdeel uitmaakt van het plan en niet juridisch bindend is. De kritiek van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gaat vooral om aspecten van de welstandstoets. Pas bij de eventuele aanvraag om een omgevingsvergunning kan een welstandstoets worden verricht, zodat in deze procedure niet wordt toegekomen aan vragen over de welstand. Dit betekent dat wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in dat opzicht hebben aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

Parkeren

8.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat in artikel 9, lid 9.2.1, van de planregels onvoldoende is gewaarborgd dat de benodigde parkeerplaatsen zullen worden voorzien. Zij voeren aan dat onduidelijk is wat onder "indien de omvang, het gebruik of de bestemming van een gebouw of terrein daartoe aanleiding geeft" moet worden verstaan. In de planregels moet daarom worden opgenomen dat minimaal twee parkeerplaatsen per recreatiewoning gerealiseerd moeten worden, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

8.1.    Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor ‘Recreatie-Verblijfsrecreatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[...];

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen."

Artikel 9, lid 9.2.1, luidt: "Indien de omvang, het gebruik of de bestemming van een gebouw of terrein daartoe aanleiding geeft, dient, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de Beleidsregel parkeernormen gemeente Wijdemeren. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging."

8.2.    Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen, is de raad niet in alle gevallen verplicht om in de planregels over parkeren concrete parkeernormen op te nemen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is een zogenoemde dynamische verwijzing naar beleidsregels op grond van artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro in beginsel toegestaan. Wel moet duidelijk zijn naar welke beleidsregels wordt verwezen. De Afdeling wijst bij wijze van voorbeeld op haar uitspraak van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:607. Naar het oordeel van de Afdeling is dat bij artikel 9, lid 9.2.1, van de planregels het geval, nu daarin wordt verwezen naar het gemeenlijk parkeerbeleid "de Beleidsregel parkeernormen gemeente Wijdemeren" en in de planregel is opgenomen dat voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de parkeernormen in dat beleid. Gelet hierop ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende is gewaarborgd dat het benodigde aantal parkeerplaatsen zal worden gerealiseerd.

Het betoog faalt.

Ontsluiting

9.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat de recreatiewoningen in gebruik kunnen worden genomen zonder dat de ontsluitingsweg, zoals die is opgenomen in de inrichtingsschets in de plantoelichting, gerealiseerd is. Daarom moet de realisatie van de ontsluitingsweg in het plan worden geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

9.1.    In de plantoelichting is vermeld dat ten behoeve van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen een nieuwe in- en uitrit wordt gerealiseerd aan de zuidoostzijde van het plangebied en dat daarvoor op het perceel aan de [locatie] tussen de bestaande bebouwing en de perceelgrens een strook met een breedte van ongeveer 2 m beschikbaar is. De raad heeft toegelicht dat de aanleg van een ontsluiting aan de zuidoostzijde van het plangebied voor de hand ligt en de voorkeur heeft, maar dat hij dit niet noodzakelijk acht voor de aanvaardbaarheid van het plan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dat standpunt niet mocht innemen. Voorts laat de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie" de aanleg van een toegangsweg ter plaatse toe, aldus de raad. De Afdeling acht dat standpunt, gelet op artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels, juist. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gelet op het voorgaande, in redelijkheid kunnen afzien van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels.

Het betoog faalt.

Soortenbescherming

10.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen dat de vogelnesten in het plangebied als gevolg van het plan zullen worden verstoord en vernield, omdat de aanbeveling in het onderzoeksrapport over de bezette nesten niet in het plan is gewaarborgd. Zij voeren aan dat in het plan ten onrechte niet is uitgesloten dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen zullen worden uitgevoerd.

10.1.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

10.2.    Bij de voorbereiding van het plan is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten en naar beschermde nesten, holen en vaste rust- en voortplantingslocaties die door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten vernield of verstoord zouden kunnen worden. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in de "Quickscan Natuurwaardenonderzoek [locatie], Loosdrecht" van Natuurbank Overijssel van 1 juni 2017 (hierna: de Quickscan). Het onderzoek bestond uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek op 29 mei 2017. In de Quickscan is vermeld dat het plangebied behoort tot het functioneel leefgebied van onder meer sommige beschermde vogelsoorten en dat het mogelijk is dat vogels ieder jaar nestelen in het plangebied. Dat zijn soorten waarvan uitsluitend de bezette nesten beschermd zijn. Verder is in de Quickscan vermeld dat nadelige effecten kunnen worden uitgesloten als de bezette vogelnesten worden beschermd. Daarom moeten de voor de verwezenlijking van het plan noodzakelijke werkzaamheden, zoals het rooien van beplanting, buiten de broedtijd van vogels worden uitgevoerd. Omdat dit kan, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Wat betreft het betoog over het opnemen van een verplichting in het plan overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat het opnemen van een voorwaardelijke verplichting uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk is, omdat in de Wnb een algemene zorgplicht is opgenomen. Dat betekent dat er alleen gekapt mag worden buiten het broedseizoen, aldus de raad. Dit acht de Afdeling niet onjuist, zodat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat bij een eventuele overtreding van de bepalingen uit de Wnb handhavend kan worden opgetreden.

Het betoog faalt.

Bijgebouwen en overkappingen

11.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] richten zich tegen artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels voor zover daarin overkappingen en bijgebouwen voor recreatiewoningen mogelijk worden gemaakt en tegen artikel 3, lid 3.2.3, onder b, van de planregels. Zij voeren aan dat de bouwmogelijkheid voor een recreatieve bestemming ten onrechte meer omvat dan het geval is bij een woonbestemming. In dat kader voeren zij aan dat het perceel waar de beoogde recreatiewoningen worden voorzien in hetzelfde gebied ligt als waar hun woningen staan, zodat dezelfde uitgangspunten moeten worden gehanteerd voor het realiseren van bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

11.1.    Artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels luidt: "Voor het bouwen van recreatiewoningen en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij de recreatiewoning gelden de volgende bepalingen:

[...];

e. per recreatiewoning is één bijgebouw met een oppervlak van maximaal 6 m2 en een bouwhoogte van maximaal 2,25 m toegestaan."

Artikel 3, lid 3.2.3, onder b, luidt: "de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m."

11.2.    De raad heeft toegelicht dat voor bijgebouwen en overkappingen aansluiting is gezocht bij het plan "Loosdrecht landelijk gebied noordoost-2012" en de omliggende bestemmingen. Het gaat daarbij om algemene bouwregels voor recreatiewoningen, aldus de raad. Verder heeft de raad toegelicht dat het niet voor de hand ligt om aan te sluiten bij een woonbestemming, zoals die rust op de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Die woningen zijn ontstaan als recreatiewoning en later omgezet naar woningen voor permanente bewoning, waarbij die omzetting alleen mogelijk werd geacht met "bevriezing" van de toenmalige maten van bijgebouwen en overkappingen. De Afdeling acht het standpunt van de raad niet onredelijk. Gelet hierop heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de situatie bij de recreatiewoningen niet overeenkomt met de situatie bij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

Het betoog faalt.

Groen

12.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voor aantasting van het groen in en nabij het plangebied. Zij voeren aan dat op het perceel bomen aanwezig zijn die volgens de inrichtingsschets in de plantoelichting behouden blijven, terwijl dit niet is opgenomen in de planregels. Ook zal groen verdwijnen door het bouwverkeer dat het plangebied moet bereiken, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. In het plan is volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het behoud van het groen. Verder voeren zij aan dat in de planregels moet worden opgenomen dat er een groene afscheiding tussen de recreatiewoningen en hun woonbestemming komt, zodat de recreanten geen zicht hebben op hun percelen.

12.1.    In artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels is vermeld dat de voor "Recreatie-Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd zijn voor de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen. De raad heeft toegelicht dat de recreatiewoningen passend zijn in de omgeving. Volgens de raad kenmerken het perceel en de omgeving zich weliswaar door veel groen, maar is het plan ruimtelijk aanvaardbaar zonder maatregelen over het in stand houden van dat groen. Verder heeft de raad toegelicht dat het in stand houden van het aanwezige groen ook niet is geregeld in andere plannen die voor het gebied gelden. De Afdeling acht het standpunt van de raad niet onredelijk. De raad heeft toegelicht dat een groene afscheiding mede gelet op de afstand tussen de recreatiewoningen en de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet noodzakelijk is ter waarborging van hun privacy. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in het plan. Overigens heeft de raad toegelicht dat de eigenaar van het perceel niet van plan is om de bomen te kappen, omdat het groen een toegevoegde recreatieve waarde geeft aan het perceel.

Het betoog faalt.

Conclusie

13.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

195-909.