Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1768

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201806314/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:4822, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2017 heeft de minister, voor zover thans van belang, [wederpartij] een bestuurlijke boete ter hoogte van € 14.400,00 opgelegd wegens het zesmaal begaan van de in artikel 18b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: de Wmm) bedoelde overtreding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806314/1/A3.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2018 in zaak nr. 17/5981 in het geding tussen:

[wederpartij], handelend onder de naam [bedrijf], gevestigd te [plaats],

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2017 heeft de minister, voor zover thans van belang, [wederpartij] een bestuurlijke boete ter hoogte van € 14.400,00 opgelegd wegens het zesmaal begaan van de in artikel 18b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: de Wmm) bedoelde overtreding.

Bij besluit van 30 augustus 2017 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2018 heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 augustus 2017 vernietigd en in de zaak voorzien door het besluit van 16 mei 2017 te herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2019, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. Odijk, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. I. Kayhan, rechtsbijstandverlener te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op 24 september 2016 hebben arbeidsinspecteurs van de Inspectie SZW een onderzoek verricht in de onderneming van [wederpartij]. Dit onderzoek is op 4 oktober 2016 gevolgd door een administratief onderzoek bij de boekhouder van [wederpartij]. De uit deze onderzoeken naar voren gekomen bevindingen zijn neergelegd in een door een arbeidsinspecteur op ambtseed opgemaakt boeterapport van 23 januari 2017. Op grond van deze bevindingen heeft de minister [wederpartij] bij brief van 7 april 2017 in kennis gesteld van zijn voornemen om een boete ter hoogte van € 14.400,00 op te leggen wegens het aan zes werknemers pas op 26 september 2016 en daarmee niet tijdig betalen van het over onderscheidenlijk de maanden juli en augustus 2016 verschuldigde loon. Volgens de minister is [wederpartij] aldus de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon niet nagekomen, hetgeen in artikel 18b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmm als overtreding is aangemerkt. Bij het besluit van 16 mei 2017 heeft de minister de voorgenomen boete opgelegd. Dit besluit heeft de minister bij het besluit van 30 augustus 2017 gehandhaafd.

2.    De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2907, heeft geoordeeld dat [wederpartij] de in artikel 18b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmm bedoelde overtreding niet heeft begaan, omdat de Wmm ten tijde van belang niet voorschreef dat het wettelijk minimumloon op een bepaald moment uiterlijk moet zijn voldaan. De rechtbank heeft miskend dat in de arbeidsovereenkomsten die [wederpartij] met de zes betrokken werknemers heeft gesloten een uiterste betaalmoment is opgenomen, [wederpartij] zich daaraan niet heeft gehouden en evenmin schriftelijk een verlenging van de betaaltermijn is overeengekomen. Pas op 26 september 2016, na het begin van het onderzoek door de Inspectie SZW, is [wederpartij] tot betaling overgegaan, aldus de staatssecretaris. Het is volgens de staatssecretaris de bedoeling van de wetgever om in een dergelijke situatie de werkgever beboetbaar te laten zijn. Anders zou een werkgever kunnen wachten met betalen totdat de Inspectie SZW een onderzoek begint, zonder dat dit voor die werkgever consequenties heeft. Volgens de staatssecretaris ziet de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017 op een uitzonderlijk geval en kan deze niet op deze zaak worden toegepast. Hierbij verwijst hij naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2516, waarin is overwogen dat het de uitdrukkelijke wens van de wetgever is geweest dat voor het bepalen of een werkgever zijn verplichting is nagekomen om het minimumloon te voldoen, wordt aangesloten bij de termijnen voor loonbetaling zoals neergelegd in de artikelen 616 en 623 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW).

2.1.    Artikel 7, eerste lid, van de Wmm luidde ten tijde van belang: "De werknemer die de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt heeft voor de arbeid door hem in dienstbetrekking verricht, jegens de werkgever recht op een loon ten minste tot het bedrag, bij of krachtens de volgende artikelen onder de benaming minimumloon vastgesteld."

    Het per 1 januari 2018 toegevoegde zesde lid luidt: "De werkgever is met toepassing van artikel 623 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek verplicht het minimumloon tijdig te voldoen."

    Artikel 7a, eerste lid, luidt: "In afwijking van artikel 620 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek geschiedt de voldoening van het verschuldigde minimumloon door girale betaling overeenkomstig artikel 114 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek."

    Artikel 18b, eerste lid, aanhef en onder a, luidt: "Als overtreding wordt aangemerkt […] het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld in artikel 7 en 7a[.]"

    Artikel 616 van Boek 7 van het BW luidt: "De werkgever is verplicht de werknemer zijn loon op de bepaalde tijd te voldoen."

    Artikel 623, eerste lid, luidt: "De werkgever is verplicht het in geld naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen telkens na afloop van het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, met dien verstande dat het tijdvak voor voldoening niet korter is dan één week en niet langer is dan één maand."

    Het tweede lid luidt: "Het tijdvak na afloop waarvan het loon moet worden voldaan, kan bij schriftelijke overeenkomst worden verlengd, maar niet langer dan tot een maand wanneer het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, een week of korter is, en tot niet langer dan tot een kwartaal wanneer het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, een maand of langer is."

2.2.    In de uitspraak van 25 oktober 2017 heeft de Afdeling het volgende overwogen:

    "Ingevolge artikel 5:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt een bestuurlijke sanctie slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. In artikel 18b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmm wordt het niet of onvoldoende nakomen van de op de werkgever rustende verplichting tot girale betaling van het minimumloon als overtreding aangemerkt. Hoewel bij het berekenen van het verschuldigde minimumloon - en derhalve voor het vaststellen van mogelijke onderbetaling - op grond van artikel 8 van de Wmm de uitbetalingstermijn een factor vormt en artikel 9 en 11 van de Wmm voor bijzondere gevallen bepalen wanneer de uitbetaling van het minimumloon moet geschieden, noemt de wet niet het uitbetalingstijdstip waarop het minimumloon moet zijn voldaan. Gelet op het bepaalde in artikel 5:4, tweede lid, van de Awb, is het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om de overtreden bepaling ruimer uit te leggen door daarbij de civielrechtelijk geldende termijnen voor loonbetaling als bedoeld in artikel 7:616 en 7:623 van het Burgerlijk Wetboek te betrekken. Nu het uitbetalingstijdstip niet in de Wmm omschreven staat, kan het niet tijdig betalen van het wettelijk minimumloon niet als overtreding worden aangemerkt of, zoals de minister stelt, worden gelijkgesteld met 100% onderbetaling van het minimumloon. De bedoeling van de wetgever volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18b van de Wmm en het schrappen van artikel 18c (oud) van de Wmm, maken het voorgaande niet anders."

2.3.    Anders dan de staatssecretaris stelt, heeft de hiervoor weergegeven overweging een algemene strekking die ook op deze zaak van toepassing is. De minister heeft het door [wederpartij] niet tijdig betalen van het loon ten onrechte als niet-betalen aangemerkt. Dat het voor [wederpartij] mogelijk was om de oplegging van een boete te voorkomen door naar aanleiding van het door de Inspectie SZW ingestelde onderzoek alsnog tot loonbetaling over te gaan, doet hieraan niet af. Dat is een gevolg van de wijze waarop de Wmm ten tijde van belang was geformuleerd. De wetgever heeft per 1 januari 2018 een zesde lid aan artikel 7 van de Wmm toegevoegd, waarin is bepaald dat de werkgever verplicht is met toepassing van artikel 623 van Boek 7 van het BW het minimumloon tijdig te voldoen. Dat in de door [wederpartij] met de betrokken werknemers gesloten arbeidsovereenkomsten een uiterste betaaldatum is opgenomen, maakt evenmin dat de hiervoor weergegeven overweging niet van toepassing is. De Wmm schreef ten tijde van belang niet voor dat de werkgever zich aan het met de werknemer overeengekomen betaalmoment houdt. De Afdeling ziet in de verwijzing van de staatssecretaris naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 mei 2018, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, geen aanleiding om van de uitspraak van 25 oktober 2017 terug te komen. De daarin vermelde wens van de wetgever kan er niet aan afdoen dat in de tekst van de Wmm ten tijde van belang geen uitbetalingstijdstip was bepaald en het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is om bij de uitleg van de artikelen 7, 7a en 18b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmm civielrechtelijk geldende termijnen voor loonbetaling te betrekken.

    De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat [wederpartij] geen overtreding heeft begaan.

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [wederpartij], handelend onder de naam [bedrijf], in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Hartsuiker

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

620.