Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1761

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201710209/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710209/1/R2.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Someren,

appellant,

en

de raad van de gemeente Someren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [partij A] en [partij B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.A.M Kuijken en drs. L.H. Giessen, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. M. Peeters, advocaat te Someren, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Someren-Heide. Het plan voorziet in de wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming voor het perceel [locatie 1] te Someren. De initiatiefnemers wonen 45 jaar op genoemd adres en zijn in 2010 gestopt met hun agrarische bedrijfsvoering. Op de gronden staan momenteel een bedrijfswoning en bijbehorende bedrijfsgebouwen. Een deel van de bebouwing zal worden gesloopt en een ander deel zal in gebruik genomen worden als burgerwoning en als bijgebouw.

[appellant] woont ten westen van het plangebied aan de [locatie 2] te Someren en exploiteert daar een agrarisch bedrijf. Hij kan zich niet verenigen met het plan en vreest met name voor een beperking van zijn bedrijfsvoering.

2.    De relevante wet- en regelgeving is bijgevoegd in de bijlage behorende bij deze uitspraak.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ingetrokken beroepsgrond

4.    Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond die betrekking had op het onderzoek naar flora en fauna ingetrokken.

Verordening ruimte Noord-Brabant

Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

5.    [appellant] betoogt dat, gelet op artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening ruimte), niet is onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling in de omgeving past en dat de effecten van die ontwikkeling zijn onderzocht.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat in de toelichting is ingegaan op het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en dat is beschreven dat de ontwikkeling in de omgeving past.

5.2.    In de toelichting bij artikel 3.1, derde lid, onder a, van de Verordening ruimte is vermeld met welke waarden voor de in het plan begrepen gronden en naaste omgeving rekening moet worden gehouden. Volgens de toelichting gaat het voor een deel om waarden die zijn beschreven in de verordening, zoals: het Natuur Netwerk Brabant, het watersysteem, de groenblauwe mantel en de cultuurhistorische en aardkundige waarden. Hierbij stelt de provincie informatie beschikbaar die bij de ruimtelijke afweging kan worden betrokken.

In de toelichting bij artikel 3.1, derde lid, onder b is vermeld dat een ontwikkeling moet passen in de omgeving. Naast het aspect of de bebouwing vanuit haar verschijningsvorm inpasbaar is, kunnen ook afwegingen vanuit milieu en volksgezondheid hierbij een rol spelen. Voorts is in de toelichting vermeld dat het aan de gemeenten is om in de toelichting van het plan nader af te wegen en te onderbouwen welke aspecten een rol spelen bij de beoogde ontwikkeling. De provincie vraagt specifiek in te gaan op omliggende functies in het gebied maar ook of een nieuwe functie past binnen toekomstige (gewenste) ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied.

5.3.    In de plantoelichting is ingegaan op de aanvaardbaarheid van de beoogde ontwikkeling voor de gronden in het plangebied en de omgeving. Hierbij zijn onder meer het ruimtebeslag van de ontwikkeling, de ontstaansgeschiedenis van het gebied en de cultuurhistorische, archeologische en ecologische waarden ter plaatse betrokken. Voorts is in de plantoelichting weergegeven welke agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied gevestigd zijn en welke gevolgen de beoogde ontwikkeling heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van die agrarische bedrijven.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening ruimte.

Het betoog faalt.

Kwaliteitsverbetering van het landschap

6.    [appellant] betoogt dat, gelet op artikel 3.2, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening ruimte, niet is onderbouwd dat de voorgestelde fysieke kwaliteitsverbetering past binnen de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid in het gebied. Voorts is de berekening voor die kwaliteitsverbetering niet onderbouwd met objectieve gegevens, zoals een taxatie, en is niet gebleken dat de kwaliteitsverbetering financieel is geborgd.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat is aangesloten bij de provinciale handreiking voor fysieke kwaliteitsverbetering en dat de verbetering is geborgd in de planregels. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat er geen verplichting bestaat om de fysieke kwaliteitsverbetering te onderbouwen met een taxatie.

6.2.    In de toelichting bij artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening ruimte staat dat voor de kwaliteitsverbetering van het landschap in 2011 een handreiking kwaliteitsverbetering voor het landschap is opgesteld, waarin verschillende methodieken zijn uitgewerkt.

De toelichting bij artikel 3.2, tweede lid, van de Verordening ruimte vermeldt dat de gemeente in de toelichting op het plan aangeeft dat de inzet van de kwaliteitsverbetering past binnen het beleid voor een gebied of de omgeving, bijvoorbeeld door aan te geven dat de maatregelen passen bij het aanwezige landschapstype of door te verwijzen naar een landschapsplan of gemeentelijke structuurvisie waarin landschapsdoelen zijn opgenomen.

6.3.    In de plantoelichting is ingegaan op de kwaliteitsverbetering van het landschap. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat de gemeente Someren ten tijde van de vaststelling van het plan geen eigen beleid had over fysieke kwaliteitsverbetering, en dat de omvang van de kwaliteitsverbetering altijd per geval wordt bekeken. Daarbij heeft de raad aangesloten bij het provinciaal beleid dat is opgenomen in de "Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap, De rood-met-groenkoppeling" van 1 november 2011 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de handreiking). In de plantoelichting is vermeld dat in de handreiking een basisinspanning van 20% van de waardevermeerdering van de grond redelijk wordt geacht. Vervolgens is uiteengezet hoe de bestemmingswinst is berekend en welke waarden voor die berekening zijn gebruikt. De Afdeling overweegt dat het bij de gekozen methodiek, anders dan [appellant] betoogt, niet vereist is dat de huidige en toekomstige waarde van het perceel wordt onderbouwd met een taxatie, omdat de gekozen methodiek uitgaat van forfaitaire bedragen. De uitkomst van de berekening is dat als basisinspanning een kwaliteitsverbetering ter waarde van een bedrag van minimaal € 24.244,00 dient te worden geleverd. In de plantoelichting is vermeld dat de kwaliteitsverbetering is gelegen in de sloop van overtollige bebouwing en in de aanplant en het onderhoud van landschapselementen, zoals een heg, bomen en een struweelhaag. De ontwikkeling draagt daardoor bij aan de ontstening in het buitengebied. De raad heeft voor de waarde van de kwaliteitsverbetering aansluiting gezocht bij de subsidieregeling "Groen Blauw Stimuleringskader" van de provincie Noord-Brabant. De totale waarde van de kwaliteitsverbetering bedraagt € 25.153,28 en is daarmee hoger dan de genoemde basisinspanning. [appellant] heeft deze berekening niet met gegevens onderbouwd bestreden.

Voor zover [appellant] betoogt dat de kwaliteitsverbetering niet financieel is geborgd, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de waarde van de kwaliteitsverbetering forfaitair is en dat er geen feitelijke betaling plaatsvindt, maar dat er ter plaatse een fysieke kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd. De uitvoering van de kwaliteitsverbetering is in artikel 3, lid 3.4.1 en artikel 4, lid 4.3.1 van de planregels geborgd door een voorwaardelijke verplichting die inhoudt dat de gronden in strijd met de bestemming worden gebruikt indien de landschappelijke inpassing als bedoeld in bijlage 1 van de planregels niet binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het plan wordt uitgevoerd en in stand wordt gehouden, en indien de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing niet heeft plaatsgevonden. Verder is in artikel 4, lid 4.2.3, onder a, van de planregels bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken maximaal 395 m² is, hetgeen ook uitgaat van sloop van bebouwing.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan artikel 3.2, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening ruimte.

De betogen falen.

Gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning

7.    [appellant] betoogt dat niet aan de voorwaarden uit artikel 7.7, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte wordt voldaan omdat ter plaatse onvoldoende overtollige bebouwing wordt gesloopt.

[appellant] bestrijdt dat de bebouwing die blijft staan cultuurhistorische waarde heeft. [appellant] voert daartoe aan dat in de "Redengevende omschrijving [locatie 1] te Someren" van Monumentenhuis Brabant B.V. (hierna: de redengevende omschrijving) en het "Advies Cultuurhistorie & monumentenzorg" van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (hierna: het advies) onvoldoende is onderbouwd dat de bestaande bebouwing cultuurhistorisch van belang is.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat bebouwing niet overtollig is indien deze cultuurhistorisch waardevol is. Dat de bebouwing cultuurhistorisch waardevol is, is volgens de raad voldoende onderbouwd in de redengevende omschrijving en het advies van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

7.2.    In de toelichting bij artikel 7.7, van de Verordening ruimte wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6.7. In de toelichting op artikel 6.7, vijfde lid, van de Verordening ruimte is vermeld dat de gemeenteraad in het bestemmingsplan bepaalt welke bebouwing overtollig is. In het algemeen is bebouwing overtollig wanneer er geen concrete gebruiksfunctie, gerelateerd aan de woonfunctie, voor bebouwing aanwezig is. In het geval er tevens sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is het beleid gericht op behoud van de bebouwing en geldt het bepaalde in het derde lid.

7.3.    Na herontwikkeling van het plangebied zal de bebouwing op het perceel bestaan uit een vrijstaande woning met een inhoud van maximaal 750 m³ en bijgebouwen met een maximale oppervlakte van 395 m². Daartoe worden overtollige bijgebouwen met een totale oppervlakte van ten minste 216 m² gesloopt. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing zal behouden blijven. In de redengevende omschrijving is onderbouwd dat het boerderijcomplex cultuurhistorisch belang heeft als uitdrukking van de sociaaleconomische en agrarische ontwikkeling van de heideontginning ten zuidwesten van Someren in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Voorts is de boerderij volgens die redengevende omschrijving cultuurhistorisch van belang als voorbeeld van de typologische ontwikkeling van een ontginningsboerderij en architectuurhistorisch van belang als voorbeeld van een boerderij uit 1934 of 1935 in een voor de bouwtijd en omgeving karakteristieke sobere bouwtrant. De inhoud van de redengevende omschrijving is in het advies van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant onderschreven. Weliswaar staat in de redengevende omschrijving dat veel detailleringen verloren zijn gegaan en dat er geen sprake is van zeldzaamheid, maar dat neemt niet weg dat geconcludeerd wordt dat ter plaatse cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig is. De raad heeft de bebouwing die behouden blijft dan ook terecht niet als overtollig aangemerkt. Verder is de sloop van de bebouwing die door de raad wél als overtollig is bestempeld, zoals in 6.3. is overwogen, verzekerd door middel van een voorwaardelijke verplichting die in de artikelen 3, lid 3.4.1 en artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels is opgenomen.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan artikel 7.7, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte.

Het betoog faalt.

Gemeentelijk beleid

Bestendige gemeentelijke praktijk

8.    [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met de bestendige gemeentelijke praktijk dat illegaal ontstane situaties niet worden beloond. Daartoe wijst [appellant] op het beleid over plattelandswoningen. Het bevreemdt hem dat het omzetten van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning een legale situatie vereist, terwijl het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, wat volgens [appellant] grotere gevolgen heeft, geen legale situatie vereist. De raad heeft volgens [appellant] niet deugdelijk gemotiveerd hoe dit plan in verhouding staat tot de genoemde gemeentelijke praktijk.

8.1.    De raad heeft er op gewezen dat het bestendige praktijk is dat na het constateren van een met het bestemmingsplan strijdige situatie een legalisatieonderzoek plaatsvindt om te bekijken of legalisering mogelijk is. [appellant] heeft zijn stelling dat het bestendige gemeentelijke praktijk is dat illegaal ontstane situaties niet met een positieve bestemming worden beloond, onderbouwd met een verwijzing naar een van de beleidsuitgangspunten in het beleid met betrekking tot plattelandswoningen, zoals neergelegd in "De plattelandswoning in Someren". Niet in geschil is dat dat beleid op zichzelf niet van toepassing is op de voorziene ontwikkeling.  Het beleidsuitgangspunt waar [appellant] naar verwijst luidt: "Illegaal ontstane situaties of uitbreidingen worden niet gelegaliseerd door de toekenning van een plattelandswoning." In dit beleid staat dat er een illegale situatie ontstaat wanneer een derde in een bedrijfswoning woont, terwijl die woning alleen bewoond mag worden door degene die een functionele relatie met het agrarisch bedrijf heeft. Om een oplossing te bieden voor deze illegale situatie, heeft de wetgever de zogenoemde Wet plattelandswoningen geïntroduceerd en in navolging daarvan heeft de gemeente concreet beleid opgesteld. De Afdeling overweegt dat het uitgangspunt van dit beleid juist gericht is op het legaliseren van dergelijke situaties. Voorts is in de "Notitie evaluatie beleid plattelandswoningen" van 1 juni 2017 verduidelijkt dat het beleidsuitgangspunt over illegaal ontstane situaties niet ziet op strijdige bewoning, maar op illegale bouwwerken. Anders dan [appellant] stelt vereist het mogelijk maken van een plattelandswoning geen legale gebruikssituatie. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege zijn bestendige gemeentelijke praktijk niet in redelijkheid had kunnen voorzien in het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning.

Het betoog faalt.

Structuurvisie Someren 2028 en overig gemeentelijk beleid

9.    [appellant] betoogt dat de voorziene ontwikkeling ingevolge de "Structuurvisie Someren 2028" (hierna: de structuurvisie) niet passend is in de omgeving. De omgeving waar het plangebied onderdeel van uitmaakt is in de structuurvisie namelijk aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied en gebied met "jonge heideontginningen". Volgens [appellant] doet de voorziene ontwikkeling afbreuk aan de doelstellingen in dat gebied en gaat de ontwikkeling ten koste van de ontwikkelingsruimte van reeds aanwezige bedrijven. Hij verwijst in dat kader ook naar de notitie "Beleid voor niet-agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen"(hierna: de notitie).

De raad heeft volgens [appellant] niet deugdelijk onderbouwd dat de voorziene ontwikkeling gelet op de gebiedsgerichte aanpak in de structuurvisie en de notitie, toelaatbaar en ruimtelijk aanvaardbaar is.

Daarnaast wijst [appellant] op het uitgangspunt in de notitie dat in het buitengebied maximaal 100 m² aan bijgebouwen is toegestaan en dat leegstaande stallen worden gesloopt. Volgens [appellant] voorziet het huidige plan in strijd met dat uitgangspunt in maximaal 395 m² aan bijgebouwen.

[appellant] betoogt voorts dat het plan in strijd is met het beleidsuitgangspunt in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Someren", inhoudende dat bewoning wordt geconcentreerd in dorpskommen om het landelijke karakter in het buitengebied te behouden.

9.1.    Het plangebied is op de bij de structuurvisie behorende kaart aangewezen als een gebied met "jonge heideontginningen" en als "waterwingebied met boringsvrije zone". In de structuurvisie is vermeld dat aan de westzijde van de kern Someren-Heide een landbouwontwikkelingsgebied ligt. Om te voorkomen dat er geurgevoelige functies ontstaan die in de toekomst hinder kunnen ondervinden van het landbouwontwikkelingsgebied, en omdat deze geurgevoelige functies de (milieu)mogelijkheden van het landbouwontwikkelingsgebied kunnen beperken, heeft de raad de principiële keuze gemaakt om aan de westzijde van de Kerkendijk geen nieuwe projectmatige ontwikkelingen op te starten, aldus de structuurvisie. De raad heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat hiermee niet is bedoeld om ontwikkelingen zoals in het voorliggende plan uit te sluiten. Met nieuwe projectmatige ontwikkelingen is bijvoorbeeld een uitbreidingswijk bedoeld. Het plangebied ligt weliswaar aan de westzijde van de Kerkendijk, maar het plan voorziet niet in een dergelijke projectmatige ontwikkeling. Daarnaast is in de notitie over de gebiedsgerichte benadering vermeld dat in sommige gebieden bepaalde functies niet gewenst zijn vanwege de doelstellingen in dat gebied of de ontwikkelingsruimte van reeds aanwezige bedrijven. Over het gebied dat is aangeduid als "jonge heideontginningen" is vermeld dat de agrarische sector en agrarisch verwante activiteiten primair de ruimte krijgen en dat de gemeente terughoudend is in het toestaan van andere functies in deze gebieden.

De raad heeft bezien of de ontwikkeling, zoals in 5.3. is overwogen, passend is in de omgeving door onder meer te onderzoeken of de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven worden belemmerd. Op grond daarvan is geconcludeerd dat omliggende bedrijven door het toekennen van de bestemming "Wonen" niet worden beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het desbetreffende deel uit de structuurvisie en de notitie niet in de weg staan aan de voorziene ontwikkeling.

Met betrekking tot het betoog over de toelichting bij het vorige bestemmingsplan overweegt de Afdeling dat de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden kan vaststellen. Overigens heeft de raad er op gewezen dat het genoemde uitgangspunt uit het vorige bestemmingsplan om bewoning te concentreren in dorpskommen betrekking had op ruimte-voor-ruimte-regelingen en landgoederen, welke geen van beide met voorliggend plan worden mogelijk gemaakt. Bovendien bevatte het vorige plan reeds een wijzigingsbevoegdheid waarmee het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" kon wijzigen naar "Wonen".

Ten aanzien van het betoog dat het plan in strijd met de notitie een grotere oppervlakte dan 100 m² aan bijgebouwen mogelijk maakt, overweegt de Afdeling dat in genoemd beleid tot uitdrukking is gebracht hoe moet worden omgegaan met vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. In het kader van ontstening is in de notitie onder meer de wens uitgesproken dat nieuwe initiatieven bijdragen aan de sloop van stallen. Verder is over bestaande bijgebouwen bij woningen onder meer vermeld dat in het buitengebied, met uitzondering van ruimte-voor-ruimte-woningen, doorgaans maximaal 100 m² aan bijgebouwen is toegestaan. Deze oppervlakte aan bijgebouwen bij woningen wordt in het algemeen als passend en voldoende beoordeeld. De raad heeft er in dit verband op gewezen dat bijgebouwen niet hoeven te worden gesloopt indien deze cultuurhistorische waarde hebben. In 7.3. is al overwogen dat er ter plaatse voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt en dat door de raad voldoende is onderbouwd dat de overige bebouwing cultuurhistorisch waardevol is. De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval 395 m² aan bijgebouwen ter plaatse passend is.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het gemeentelijk beleid.

De betogen falen.

Geurhinder

10.    [appellant] betoogt dat ter plaatse van het plangebied geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd als gevolg van de geurbelasting veroorzaakt door zijn veehouderij. Hij vreest daarom voor klachten van (toekomstige) bewoners en voor een beperking in zijn uitbreidingsmogelijkheden. De onderbouwing van de raad dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de mogelijk gemaakte burgerwoning aanvaardbaar is, is volgens [appellant] ondeugdelijk. Voorts betoogt [appellant] dat het uitgevoerde geuronderzoek te beperkt is omdat alleen geurgevoelige objecten zijn onderzocht. Daarnaast betoogt hij dat de planregel die bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - 1" geen permanent menselijk verblijf is toegestaan, niet handhaafbaar is.

10.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsbelangen van [appellant] niet door dit plan worden geschaad. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat op de gebruikelijke manier zal worden gehandhaafd indien blijkt dat het gedeelte van de woning dat niet permanent mag worden bewoond, wel op die wijze wordt gebruikt.

10.2.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3, overweging 5.3, vastgesteld dat de woning aan het perceel [locatie 1] op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Dit betekent dat de afstand tussen de woning en de veehouderij op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv al vóór de vaststelling van het plan moest worden betrokken bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een veehouderij. Het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel brengt hier geen verandering in, zodat de bestemmingswijziging in dit plan niet leidt tot een verdergaande belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van [appellant].

Het betoog faalt.

10.3.    Met betrekking tot het betoog van [appellant] over het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft in het kader van de beoordeling van het woon- en leefklimaat de geurbelasting ter plaatse van de in het plan mogelijk gemaakte woning onderzocht. Ter zitting is gebleken dat, wat verder ook zij van de meest recente vergunningverlening en opgerichte bebouwing op het perceel van [appellant], van de juiste emissiepunten is uitgegaan. Voorts zijn op zes locaties rondom de woning metingen verricht. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat de geurbelasting in de tuin niet is onderzocht, overweegt de Afdeling dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de geurbelasting in de tuin significant zal afwijken van de geurbelasting die is gemeten op de zes onderzochte locaties.

De voorgrondbelasting op de onderzochte locaties bedraagt 25,2 tot 31,4 ouE/m3 en de achtergrondbelasting bedraagt 21,3 tot 29 ouE/m3. De hoogte van de voorgrondbelasting is berekend met het model "V-Stacks Vergunningen". De achtergrondbelasting is berekend met het model "V-Stacks gebied" waarin alle veehouderijen binnen een straal van 2 km rondom het plangebied zijn ingevoerd. In de plantoelichting is vermeld dat in de "Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij" is bepaald dat bij een voorgrondbelasting tussen de 25,2 tot 31,4 ouE/m3 in een concentratiegebied sprake is van 35 tot 39% geurgehinderden. Bij een dergelijk percentage geurgehinderden is sprake van een extreem slecht woon- en leefklimaat. De raad heeft een extreem slecht woon- en leefklimaat in dit geval aanvaardbaar geacht omdat de gemeten voorgrondbelasting onder de maximale waarde blijft die op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, van de Wgv bij gemeentelijke geurverordening mag worden vastgesteld binnen een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom. Daarnaast heeft de raad het van belang geacht dat de bepalingen over cumulatieve geurhinder in de Verordening ruimte zodanig streng zijn dat het woon- en leefklimaat in de toekomst alleen maar kan verbeteren. Ook heeft de raad het van belang geacht dat verdere leegstand en verpaupering van het buitengebied wordt voorkomen en dat door deze ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse zal worden verbeterd. Voorts heeft de raad het woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar geacht vanwege de ontstaansgeschiedenis van het plangebied. Voorheen was er in het plangebied een intensieve veehouderij gevestigd, en die veehouderij is beëindigd via de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken. Daarna was er tot 2011 een klein aantal rundvee, schapen en paarden vergund, en was het perceel, tot de vaststelling van dit plan, altijd agrarisch bestemd. Volgens de raad mag een dergelijke voormalige bedrijfswoning meer hinder ondervinden van een nabijgelegen agrarisch bedrijf dan bijvoorbeeld een reguliere woning die niet in het buitengebied ligt. Daarnaast ligt het plangebied in een gebied waar de focus op intensieve veehouderijen lag, zodat beleidsmatig is aangestuurd op een relatief hoge geurbelasting in het gebied. Als laatste heeft de raad er met betrekking tot de achtergrondbelasting op gewezen dat de in de "Evaluatie Geurgebiedsvisie Gemeente Someren 2017" aangewezen maximale waarde van 28 ouE/m3 alleen wordt overschreden in het gedeelte van de boerderij waar permanent, of een daarmee vergelijkbare wijze, gebruik voor menselijk wonen of menselijk verblijf niet is toegestaan. De geurbelasting op het gedeelte waar wel permanent mag worden gewoond, bedraagt maximaal 27,7 ouE/m3 en daarmee wordt voldaan aan de door de raad vastgestelde normen voor achtergrondbelasting.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse, wat betreft geur, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

10.4.    Met betrekking tot het betoog van [appellant] over de handhaafbaarheid van de planregel die hoort bij de aanduiding "specifieke vorm van wonen - 1", overweegt de Afdeling als volgt. Aan de woning is in het plan de bestemming "Wonen" toegekend. Binnen die bestemming is een rechthoekig vlak aangeduid als "specifieke vorm van wonen - 1". Ingevolge artikel 4, lid 4.3.2 van de planregels is ter plaatse van die aanduiding permanent, of een daarmee vergelijkbare wijze, gebruik van de bebouwing voor menselijk wonen of menselijk verblijf niet toegestaan. De raad heeft ter zitting toegelicht dat die aanduiding is opgenomen omdat de achtergrondbelasting op dat gedeelte van de woning hoger is dan is vastgesteld in het gemeentelijk beleid. Voorts heeft de raad desgevraagd toegelicht dat gecontroleerd kan worden of het gedeelte van de woning met de aanduiding niet voor permanent verblijf wordt gebruikt, en dat, indien blijkt dat het gedeelte wel voor permanent verblijf wordt gebruikt, daar op zal worden gehandhaafd. De Afdeling ziet daarom in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 4, lid 4.3.2 van de planregels niet handhaafbaar is.

De betogen falen.

Luchtkwaliteit

11.    [appellant] betoogt dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit ter plaatse onvolledig is. Daartoe voert hij aan dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de aanwezigheid van PM2,5 en dat niet het volledige perceel is onderzocht.

11.1.    In de Nota van zienswijzen heeft de raad er op gewezen dat bij de voorbereiding van het besluit onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit ter plaatse van de in het plan voorziene woning. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de plantoelichting. Uit die resultaten volgt dat op vier locaties rondom de woning metingen zijn verricht. De maximale jaargemiddelde concentratie bedraagt 22,05 μg/m³ PM10 ter plaatse van de woning en het aantal overschrijdingsdagen bedraagt maximaal 10,8 dagen. Derhalve wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde en maximale overschrijdingsdagen, aldus de plantoelichting. Voorts staat in de plantoelichting dat gelet op de lage concentratie van PM10, altijd kan worden voldaan aan de normen voor PM2,5.

11.2.    Het bestreden besluit is na 1 januari 2015 genomen en er dient daarom, gelet op de voornoemde bepalingen, aan de genoemde grenswaarde voor PM2,5 te worden voldaan. De Afdeling stelt vast dat daar geen onderzoek naar is verricht. De raad heeft er in de plantoelichting op gewezen dat voor het berekenen van de concentratie PM2,5 nog niet in alle gevallen emissiefactoren bekend zijn en dat de grenswaarde voor PM2,5 geen aanvullende beperkingen oplevert voor de agrarische sector. Voorts heeft de raad in de beantwoording van de zienswijze toegelicht dat de concentraties van PM10 en PM2,5 sterk samenhangen en dat uit de praktijk blijkt dat wanneer aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, eveneens aan de grenswaarde van PM2,5 wordt voldaan. Daartoe verwijst de raad naar een analyse van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, waaruit volgt dat de jaargemiddelde concentratie van PM2,5 gemiddeld 37% lager ligt dan de jaargemiddelde concentratie van PM10. Een en ander wordt onderschreven in de memo "PM2,5 [locatie 1]" van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant van 6 februari 2019. Derhalve heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderbouwd dat, nu aan de grenswaarde voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn zienswijze over de luchtkwaliteit onjuist zou zijn.

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat niet het gehele perceel aan de [locatie 1] is onderzocht, overweegt de Afdeling dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat aan het luchtkwaliteitsonderzoek zodanige gebreken kleven of het zodanige leemten in kennis bevat dat de raad dit onderzoek niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan het plan. Op alle hoeken van de gronden die zijn bestemd als "Wonen" is onderzoek naar de concentratie fijnstof verricht. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de concentratie fijnstof op de gronden die bestemd zijn als "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" significant zal afwijken van de concentratie fijnstof die aanwezig is op de onderzochte gronden met de bestemming "Wonen".

Het betoog faalt.

Conclusie en proceskostenveroordeling

12.    Het beroep van [appellant] is ongegrond.

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Tuit

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

425-881.

 

Bijlage

 

Wet geurhinder en veehouderij

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

concentratiegebied: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied;

[…]

geurgevoelig object: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet daaronder mede begrepen, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van die wet, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf;

geurhinder: gevolgen voor het milieu door de emissie van geur;

[…]

veehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

[…]

Artikel 3

1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;

d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij:

a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

3. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid of de afstand, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geweigerd indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt.

4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voorzover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.

[…]

Artikel 5

1. Onverminderd de artikelen 3 en 4 bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object:

a. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

2. Indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste lid, niet geweigerd indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, niet afneemt en:

a. de geurbelasting op het geurgevoelige object dat binnen de in het eerste lid genoemde afstand is gelegen, en het aantal dieren van één of meer diercategorieën, niet toenemen, of

b. de in artikel 4 bedoelde afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste lid genoemde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.

Artikel 6

1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;

c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;

d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.

2. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat een bij die verordening vast te stellen andere waarde of afstand als bedoeld in artikel 3 of 4 van toepassing is voor geurgevoelige objecten die onderdeel hebben uitgemaakt van een veehouderij.

3. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze:

a. ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 25 meter bedraagt indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

4. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente voor pelsdieren een andere afstand van toepassing is met dien verstande dat deze ten minste de helft bedraagt van de afstand, bedoeld in artikel 4, tweede lid.

[…]

Wet milieubeheer

Bijlage 2 bij de Wet milieubeheer

Paragraaf 4 Grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10); plandrempel, richtwaarden, grenswaarde en blootstellingsconcentratieverplichting voor zwevende deeltjes (PM2,5 )

Voorschrift 4.1

Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

[…]

Voorschrift 4.4

1. Voor zwevende deeltjes (PM2,5 ) geldt met ingang van 1 januari 2015 de volgende grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens: 25 microgram per m³, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

[…]

Verordening ruimte

Artikel 3 Bevordering ruimtelijke kwaliteit

3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat:

a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;

b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

2. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: a. een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald;

b. uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden;

c. ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

d. een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd.

3. Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat:

a. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;

b. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid;

c. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald.

4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een uitwerking van een bestemmingsplan, mits dat niet ouder is dan tien jaar, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet.

3.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap

1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving;

2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording:

a. van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd;

b. dat de in het eerste lid bedoelde verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied.

3. De in het eerste lid bedoelde verbetering kan mede betreffen:

a. de landschappelijke inpassing van bebouwing, voor zover expliciet vereist op grond van deze verordening;

b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;

c. activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen;

d. het wegnemen van verharding;

e. het slopen van bebouwing;

f. een fysieke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones.

4. Indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd en wordt over de werking van dat fonds regelmatig verslag gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg.

5. In afwijking van het bepaalde in dit artikel kan de toelichting van een bestemmingsplan een verantwoording bevatten over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap, die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, bedoeld in artikel 37.4, onder b, worden nagekomen. 6. Het eerste tot en met vijfde lid is niet van toepassing op een uitwerking van een bestemmingsplan, mits dat niet ouder is dan tien jaar, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet.

[…]

Artikel 7 Gemengd landelijk gebied

[…]

7.7 Wonen

1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt dat:

a. alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan;

b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.

2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in de nieuwbouw van ten hoogste één bedrijfswoning ten behoeve van een op grond van deze verordening toegelaten bedrijf binnen het bij dat bedrijf behorende bouwperceel mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a. de noodzaak vanwege de aard van de bedrijfsvoering aanwezig is;

b. de noodzaak van deze nieuwbouw niet het gevolg is van een eerder aanwezige, inmiddels afgestoten bedrijfswoning.

3. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in:

a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het daartoe aangewezen bouwperceel, mits is verzekerd dat:

I. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven;

II. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing indien dit is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing, waarbij artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging) niet van toepassing is.

4. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in het gebruik van een burgerwoning als bedrijfswoning, mits de woning binnen het bouwperceel van het bedrijf wordt gebracht en daarmee een ruimtelijke eenheid vormt.

5. In afwijking van het eerste lid en artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging) kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat:

a. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;

b. overtollige bebouwing wordt gesloopt;

c. de vestiging van andere functies is uitgesloten in het geval er sprake is van afsplitsing van een voormalige bedrijfswoning.

6. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan voorzien in een éénmalige vergroting van de inhoud van een solitaire recreatiewoning met ten hoogste 10 % van de op grond van het per 1 maart 2011 geldende bestemmingsplan toegelaten inhoud.

[…]

Planregels

[…]

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

[…]

3.4 Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Voorwaardelijke verplichting

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming indien:

a. de landschappelijke inpassing conform Bijlage 1 Landschappelijke inpassing en sloop niet is aangelegd binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van dit plan.

b. de landschappelijke inpassing conform Bijlage 1 Landschappelijke inpassing en sloop niet in stand wordt gehouden.

[…]

Artikel 4 Wonen

4.2 Bouwregels

[…]

4.2.3 Bijbehorende bouwwerken

a. de gezamenlijk oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is maximaal 395 m².

[…]

4.3 Specifieke gebruiksregels

4.3.1 Voorwaardelijke verplichting

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming indien:

a. de landschappelijke inpassing conform Bijlage 1 Landschappelijke inpassing en sloop niet is aangelegd binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van dit plan.

b. de landschappelijke inpassing conform Bijlage 1 Landschappelijke inpassing en sloop niet in stand wordt gehouden.

c. sloop van overtollige bedrijfsbebouwing niet heeft plaatsgevonden conform Bijlage 1 Landschappelijke inpassing en sloop binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van dit plan.

4.3.2 Specifieke vorm van wonen - 1

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke van wonen - 1' is het permanent, of een daarmee vergelijkbare wijze, gebruik van de bebouwing voor menselijk wonen of menselijk verblijf niet toegestaan.

[…]