Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201807262/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2017 heeft het algemeen bestuur geweigerd aan de vereniging omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van een moerascipres op het perceel tussen het gebouw Plantage Doklaan 41-75 en het gebouwgedeelte Plantage Kerklaan 169-199 te Amsterdam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807262/1/A1.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Vereniging van Eigenaren 'De Plantage' (hierna: de vereniging), gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2018 in zaak nr. 18/2018 in het geding tussen:

de vereniging

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam (thans: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2017 heeft het algemeen bestuur geweigerd aan de vereniging omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van een moerascipres op het perceel tussen het gebouw Plantage Doklaan 41-75 en het gebouwgedeelte Plantage Kerklaan 169-199 te Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 februari 2018 heeft het algemeen bestuur het door de vereniging daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2018 heeft de rechtbank het door de vereniging daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vereniging hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vereniging heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2019, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. V.J. Oranje, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Kramer en P. Enthoven, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vereniging heeft op 31 augustus 2017 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het kappen van een moerascipres op het perceel. De boom is ongeveer 20 m hoog en heeft een diameter van 60 cm.

    Bij advies van 30 januari 2017 heeft een bomendeskundige van de gemeente het algemeen bestuur geadviseerd om de omgevingsvergunning te weigeren, omdat het een gezonde, grote boom is, die van belang is voor de leefbaarheid van de omgeving. Volgens hem is de aard van de overlast zeer gering. Verder volgt uit het advies dat de boom niet tegen het woongedeelte staat, de wortelopdruk kan worden verminderd door de verharding aan te passen en een paar wortels te snoeien en de kleine twijgen die de gevel raken kunnen worden weggesnoeid. Uit het advies volgt voorts dat de kosten voor het snoeien van de boom ongeveer € 570,00 per jaar zullen bedragen en dat dit ook geen reden is om de boom te kappen.

    Bij besluit van 11 oktober 2017 heeft het algemeen bestuur geweigerd de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen. In de motivering van dat besluit heeft het verwezen naar het hier voor genoemde advies van de bomendeskundige.

    Bij besluit van 13 februari 2018 heeft het algemeen bestuur het door de vereniging tegen het besluit van 11 oktober 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.    Bij uitspraak van 24 juli 2018 heeft de rechtbank het door de vereniging tegen het besluit van 13 februari 2018 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank komt samengevat tot het oordeel dat het algemeen bestuur in redelijkheid heeft kunnen komen tot de uitkomst van de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit van 13 februari 2018.

Beoordeling van het hoger beroep

3.    De vereniging betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het algemeen bestuur niet in redelijkheid de omgevingsvergunning voor de boom heeft kunnen weigeren, Volgens haar heeft het algemeen bestuur de belangen van de vereniging onvoldoende gewogen. Daartoe voert zij aan dat artikel 5 van de Bomenverordening 2014 zo moet worden uitgelegd, dat de daar genoemde weigeringsgronden kunnen leiden tot het weigeren van de omgevingsvergunning, maar dat daaraan altijd een zorgvuldige belangenafweging ten grondslag moet liggen. Een zorgvuldige belangenafweging ontbreekt volgens haar, omdat het algemeen bestuur niet alle belangen tezamen heeft afgewogen. Het kan wellicht zo zijn dat de argumenten apart bezien niet doorslaggevend zijn om de omgevingsvergunning te weigeren, maar wanneer alle argumenten bij elkaar bezien zouden worden, had het algemeen bestuur volgens haar niet in redelijkheid tot weigering van de omgevingsvergunning over kunnen gaan. Verder is de rechtbank het algemeen bestuur ten onrechte gevolgd in de aanname dat de boom ongeveer 50 jaar oud is. Volgens haar is de boom jonger, wat betekent dat de boom nog veel groter kan worden. Dat had het algemeen bestuur volgens de vereniging ook bij de belangenafweging moeten betrekken.

3.1.    Artikel 3, eerste lid, van de Bomenverordening 2014 luidt:

"Het is verboden zonder vergunning of jaarvergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen."

    Artikel 5 luidt:

"1. De vergunning of jaarvergunning kan worden geweigerd in verband met:

a. de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;

b. de waarde van de houtopstand voor het stadsschoon of het landschap;

c. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

d. de waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid.

2. Behoudens verplanten wordt de vergunning of jaarvergunning geweigerd voor zover dit het vellen van een houtopstand betreft die voorkomt op de lijst van beschermwaardige houtopstanden als bedoeld in artikel 10; hiervan kan alleen worden afgeweken als sprake is van zwaarwegende omstandigheden.

3. Bij de toepassing van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden houdt het college rekening met het bomenbeleidsplan dat is vastgesteld."

    Paragraaf 4.2.1 van het Bomenbeleid Stadsdeel Centrum luidt:

"Weigeren of verlenen

Het dagelijks bestuur kan een vergunning weigeren op grond van natuur- en milieuwaarden, waarden van stadsschoon, landschappelijke waarden, de status van beschermd stadsgezicht van de binnenstad, cultuurhistorische waarden, waarden van recreatie en leefbaarheid. Bij weigering moet zoveel mogelijk naar bestemmings-, beleids-, of (her)inrichtingsplannen verwezen worden.

(…)

Criteria om een vergunning te weigeren

De beoordeling van een kapaanvraag moet consequent en goed gemotiveerd zijn. Bovendien moet de beoordeling voor iedereen inzichtelijk zijn. De beoordeling van de kapaanvraag vindt plaats aan de hand van een standaard beoordelingsformulier en alle kapaanvragen worden voorzien van een advies van de bomendeskundige van het stadsdeel. In specifieke gevallen kan de bomendeskundige van het stadsdeel een extern advies vragen. Hieronder zijn de weigeringsgronden opgesomd met daarbij een toelichting wat hier onder verstaan wordt. Het zijn gronden waarop de kapvergunning kan worden geweigerd. De opsomming is niet uitputtend, maar is bedoeld als voorbeeld. Bij beoordelingen van kapaanvragen is altijd sprake van maatwerk per situatie.

1. Natuur- en milieuwaarden van de boom. (…)

2. Waarden van stadsschoon. Hiervan is sprake als:

- de boom onderdeel is van een rijksmonument;

- de boom onderdeel is van de hoofdbomenstructuur;

- de boom bijzonder is vanwege zeldzaamheid in hoogte, dikte, vorm, leeftijd en soort;

- de boom karakteristiek is voor een plek;

- de boom onderdeel vormt van andere stedelijke structuur

- beeldbepalende waarde; Hiervan is sprake als: de boom karakteristiek is voor een wijk of voor een plek, of wanneer de boom deel uitmaakt van de hoofdboomstructuur.

- De status van beschermd stadsgezicht van (delen van) de binnenstad;

3. Cultuurhistorische waarden. (…)

4. Waarden van leefbaarheid. (..)

Criteria om een vergunning te verlenen

Er zijn ook gegronde reden om een kapvergunning te verstrekken. Een kapvergunning kan om de volgende reden verleend worden. Ook hier geldt weer dat de opsomming niet uitputtend is, maar is bedoeld als voorbeeld. Bij beoordelingen van kapaanvragen is altijd sprake van maatwerk per situatie.

1. Het is nodig voor de duurzame instandhouding van een (monumentale) groenstructuur;

2. Vanwege veiligheidsredenen; (…);

3. De boom veroorzaakt aantoonbare schade aan bebouwing, het riool, huisaansluitingen;

4. De boom verkeert in een onomkeerbaar slechte conditie, of heeft geen toekomstverwachting van meer dan 5 jaar;

5. Er wordt een walmuurvernieuwing uitgevoerd en de boom staat op de te vernieuwen fundering.

6. De boom veroorzaakt ernstige (onoplosbare) beheertechnische problemen, zoals bijvoorbeeld concurrentie met andere bomen, ze gaan elkaar in de weg staan, of onoplosbare bestratingsopdruk.

7. De boom wordt verplant.

8. Vanwege ruimtelijke ontwikkelingen.

9. De boom is opschot (…)."

3.2.    Anders dan de vereniging betoogt, heeft het algemeen bestuur overeenkomstig artikel 5 van de Bomenverordening een afweging gemaakt van alle belangen. Het betoog faalt in zoverre.

3.3.    De vereniging heeft ter zitting gesteld dat met name de overlast van de boom, door de wortelopdruk een probleem is. Door de wortelopdruk is de bestrating aangetast en is de ingang van het gebouw moeilijk te bereiken, aldus de vereniging. Verder is de boom volgens de vereniging te groot voor de plek waar deze staat.

    Het college heeft, onder meer ter zitting, toegelicht dat het uitgangspunt is dat de boom, ongeacht de leeftijd ervan, een gezonde beeldbepalende boom is en dat het beleid wordt gevoerd om gezonde bomen te behouden. De boom heeft een toekomstverwachting van ongeveer 15 jaar. De door de vereniging genoemde overlast door wortelopdruk kan volgens het college door het treffen van maatregelen grotendeels worden weggenomen. Volgens het college zijn de problemen in ieder geval niet zo groot dat dit zou moeten leiden tot het kappen van een gezonde boom. Het college verwijst in dit verband naar het advies van de bomendeskundige van 30 januari 2017. Het college heeft ter zitting verder toegelicht dat het ook heeft laten meewegen dat niet wordt voldaan aan de in het Bomenbeleid opgenomen criteria voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van de boom. Ook in het overigens door de vereniging gestelde ziet het college geen reden om tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning over te gaan.

    De Afdeling is, gezien het voorgaande, met de rechtbank van oordeel dat het college alle belangen voldoende heeft afgewogen en in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door het college gestelde over de toestand van de boom en de te nemen herstel- en onderhoudsmaatregelen niet juist is. Het heeft in het in zoverre door de vereniging aangevoerde geen aanleiding hoeven zien de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

    Het betoog faalt.

4.    Het betoog van de vereniging, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door wel omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van bomen aan de Frederik Hendrikstraat, slaagt niet. Ter zitting is door het college toegelicht dat de situatie daar anders is. De bomen hadden het naastgelegen fiets- en voetpad aangetast door ernstige wortelopdruk. Om dit te herstellen waren er werkzaamheden noodzakelijk. Na een uitgevoerde bomeneffectanalyse is gebleken dat de bomen niet behouden konden blijven.

Conclusie en slot

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Pans    w.g. Kamphorst-Timmer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

776.