Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201800720/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2017 heeft de raad van de gemeente Franekeradeel (thans: de raad van de gemeente Waadhoeke) het bestemmingsplan "Franeker - Industrieterrein West Kiesterzijl" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800720/1/R3.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Franeker respectievelijk gevestigd te Franeker, gemeente Waadhoeke, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant])

appellanten,

en

de raad van de gemeente Waadhoeke,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2017 heeft de raad van de gemeente Franekeradeel (thans: de raad van de gemeente Waadhoeke) het bestemmingsplan "Franeker - Industrieterrein West Kiesterzijl" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door [appellant A] en bijgestaan door mr. E. Erkamp, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Braakensiek, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Artikel 8:51d van de Awb luidt, voor zover thans van belang: "Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen."

Inleiding

2.    Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor de westzijde van het gezoneerde "Industrieterrein West", aan de weg Kiesterzijl in het westen van Franeker. Op dit deel van het industrieterrein zijn enkele woningen gesitueerd. In het plan is aan deze woningen de functieaanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Voor het gebruik van deze woningen als burgerwoning voorziet de planregeling in een zogenoemde uitsterfconstructie. Daarnaast is voor dit deel van het industrieterrein de maximaal toegestane milieucategorie op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" aangepast. Net buiten het plangebied bevindt zich aan de westzijde de woning op het perceel [locatie 1], die in het daarvoor geldende bestemmingsplan als burgerwoning is bestemd.

3.    [appellant] woont respectievelijk is gevestigd op het perceel [locatie 2] te Franeker (hierna: het perceel). Het bedrijf van [appellant] richt zich op sleep- en duwvaart, berging en transporten, exploitatie van en handel in schepen en overige vaartuigen, verhuur van aannemersmateriaal, scheepsreparatie, de sloop van schepen en de exploitatie van een winterstalling voor schepen.

Intrekking

4.    Ter zitting heeft [appellant] het beroep ingetrokken, voor zover in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 4, van de planregels de opgenomen omschrijving van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - scheepvaartbedrijf" niet alle bedrijfsactiviteiten van [appellant] omvat.

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Maximaal toegestane milieucategorie en beperking bedrijfsvoering

6.    [appellant] voert aan dat de raad in het plan de maximaal toegestane milieucategorie op zijn perceel ten onrechte heeft verlaagd van milieucategorie 4.2 naar milieucategorie 3.2. [appellant] stelt dat hij hierdoor wordt beperkt in de exploitatiemogelijkheden van zijn bedrijfsvoering. In het vorige bestemmingsplan "Industrieterrein West" waren volgens [appellant] de gebruiksmogelijkheden op zijn perceel veel ruimer dan op grond van het bestreden plan zijn toegestaan.

Daarnaast is volgens [appellant] niet onderzocht wat de gevolgen zijn van de verlaging van de maximaal toegestane milieucategorie voor zijn bedrijf. Daartoe stelt [appellant] dat hij nu aan strengere normen moet voldoen met name op het gebied van geluid. Volgens [appellant] blijft er door de verlaging van de maximaal toegestane milieucategorie te weinig geluidsruimte over om zijn bestaande bedrijfsactiviteiten te ontplooien, omdat hij niet kan voldoen aan de geluidnormen die gelden voor een bedrijf dat behoort tot milieucategorie 3.2.

6.1.    De raad stelt zowel in de plantoelichting als in het verweerschrift dat de verlaging van de maximaal toegestane milieucategorie te maken heeft met de woonbestemming voor het perceel [locatie 1] te Franeker. Gelet op de hedendaagse eisen die aan milieuzonering worden gesteld, acht de raad het niet langer aanvaardbaar dat op korte afstand van dit perceel een bedrijf met milieucategorie 4.2 is toegestaan. Daarom heeft de raad in het plan geregeld dat de maximaal toegestane milieucategorie in zwaarte afloopt naar de woning, waardoor het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woning voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast stelt de raad dat de gevolgen van de verlaging van de maximaal toegestane milieucategorie voor het bedrijf van [appellant] wel zijn onderzocht. Hij verwijst hiervoor naar paragraaf 4.1 van de plantoelichting.

6.2.    Aan het overgrote deel van de gronden van het perceel van [appellant] zijn in het plan de bestemming "Bedrijventerrein", de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" en de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - scheepvaartbedrijf" toegekend. Op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 3, van de planregels zijn op gronden binnen de bestemming "Bedrijventerrein" met de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" uitsluitend bedrijven toegestaan die zijn genoemd in bijlage 1 van de planregels onder de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2. Op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 4, van de planregels zijn op gronden binnen de bestemming "Bedrijventerrein" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - scheepvaartbedrijf" uitsluitend bedrijven ten behoeve van de sleep- en duwvaart, berging en transport en exploitatie van en handel in schepen en overige vaartuigen, verhuur van aannemersmateriaal alsmede scheepsreparatie/scheepssloop en exploitatie van een winterstalling toegestaan.

6.3.    Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de raad ten onrechte de maximaal toegestane milieucategorie op zijn perceel heeft verlaagd, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de maximaal toegestane milieucategorie van 3.2 aan het perceel is toegekend voor toekomstige bedrijfsactiviteiten bij de vestiging van een ander bedrijf en dat deze milieucategorie niet voor de bedrijfsactiviteiten van [appellant] geldt. Ter zitting heeft de raad verklaard dat niet alle binnen de bedrijfsvoering van [appellant] verrichte activiteiten behoren tot milieucategorie 3.2. Daarom heeft de raad de bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten van [appellant] door middel van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - scheepvaartbedrijf" als zodanig bestemd. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 4, van de planregels opgenomen omschrijving van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - scheepvaartbedrijf" alle bedrijfsactiviteiten van [appellant] omvat.

6.4.    In de plantoelichting staat dat bij het toekennen van de maximaal toegestane milieucategorie aan het perceel van [appellant] rekening is gehouden met de woonbestemming die is toegekend aan het perceel [locatie 1] te Franeker, dat ten westen van het plangebied ligt. Daarbij is volgens de plantoelichting de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure) toegepast.

In de VNG-brochure staat dat de richtafstanden met één afstandstap kunnen worden verlaagd, zonder dat het ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. In de plantoelichting van het bestreden plan staat dat in het plangebied woningen op een gezoneerd industrieterrein zijn gesitueerd. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er sprake is van een gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. De richtafstand uit de VNG-brochure voor toegestane bedrijfsactiviteiten ten opzichte van de woning op het perceel [locatie 1] kan dan ook met één afstandstap verlaagd worden. Zodoende geldt voor bedrijfsactiviteiten die behoren tot milieucategorie 3.2 een richtafstand van 50 m. De afstand van de gronden van het perceel van [appellant] waaraan blijkens de verbeelding de maximaal toegestane milieucategorie 3.2 is toegekend, tot het perceel [locatie 1] bedraagt ongeveer 65 m. Daarmee wordt aan de richtafstand voor milieucategorie 3.2 voldaan, waarmee ter plaatse van deze burgerwoning van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat mag worden uitgegaan. Voor de voorheen aan de gronden van het perceel toegekende milieucategorie 4.2 geldt een richtafstand van 200 m, waarmee in het licht van de VNG-brochure voor de woning [locatie 1] niet werd voldaan aan het vereiste van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

6.5.    Voor zover [appellant] stelt dat er met twee maten wordt gemeten, omdat in het bestemmingsplan "Franeker Zuid" de betonmortelcentrale Dyckerhoff Basal, die aan de overkant van de haven is gevestigd, is verlaagd van milieucategorie 4.2 naar 4.1 en niet is verlaagd naar milieucategorie 3.2, overweegt de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de situatie van [appellant]. Alhoewel op de percelen van de betonmortelcentrale Dyckerhoff Basal de maximaal toegestane milieucategorie ook is verlaagd en aan allebei de bedrijven een maatbestemming is toegekend, is de betonmortelcentrale gesitueerd buiten het bestreden plangebied, namelijk in het gebied waarvoor het bestemmingsplan "Franeker Zuid" geldt, dat is vastgesteld op 17 mei 2018. Daarnaast is de betonmortelcentrale op een grotere afstand van de maatgevende woning op het perceel [locatie 1] gesitueerd, dan het perceel waarop het bedrijf van [appellant] is gesitueerd. Verder is de betonmortelcentrale een ander soort bedrijf dan het bedrijf van [appellant]. Ook is aan het verlagen van de maximaal toegestane milieucategorie voor de betonmortelcentrale ten behoeve van het bestemmingsplan "Franeker Zuid" een afzonderlijke beoordeling ten grondslag gelegd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie.

6.6.    Gelet op het vorenstaande heeft de raad uit een oogpunt van het bereiken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning [locatie 1] voor de betreffende gronden van het perceel [locatie 2] in redelijkheid kunnen kiezen voor een maximaal toegestane milieucategorie van 3.2 voor toekomstige bedrijfsactiviteiten bij de vestiging van een ander bedrijf. Onder deze omstandigheden heeft de raad een beperking van de voorheen maximaal toegestane milieucategorie 4.2 in redelijkheid niet onaanvaardbaar hoeven achten.

6.7.    Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat niet is onderzocht wat de gevolgen zijn van de verlaging van de maximaal toegestane milieucategorie voor zijn bedrijf, omdat hij door de verlaging van de maximaal toegestane milieucategorie moet voldoen aan strengere normen, met name op het gebied van geluid, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals onder 6.3 is overwogen, geldt voor de toegestane bedrijfsactiviteiten van [appellant] niet de beperking van de maximaal toegestane milieucategorie 3.2, zodat in verband hiermee voor zijn bedrijfsvoering ook geen andere of strengere normen gelden. De aan de betreffende gronden van het perceel [locatie 2] als maatwerkbestemming toegekende functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - scheepvaartbedrijf" is bepalend voor de exploitatiemogelijkheden van het bedrijf van [appellant]. De raad heeft ter zitting toegelicht dat bij het toekennen van een maatwerkbestemming aan de betreffende gronden van het perceel van [appellant] rekening is gehouden met de bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten. Hiervoor heeft de raad aansluiting gezocht bij de aan [appellant] verleende milieuvergunning van 30 januari 2006. [appellant] heeft niet weersproken dat deze milieuvergunning de voor zijn bedrijfsvoering geldende vergunning is. Voor de toegestane bedrijfsactiviteiten is [appellant] gehouden aan de in de voorschriften van deze vergunning opgenomen maximaal toegestane geluidniveaus. Deze geluidniveaus gelden ter plaatse van verschillende immissiepunten, onder andere de woning [locatie 1]. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] bij de uitoefening van zijn bedrijfsactiviteiten ook moet voldoen aan de voor het industrieterrein geldende geluidzone. Hierdoor zijn de op de gronden van het perceel van [appellant] mogelijke bedrijfsactiviteiten wat de toegestane geluidbelasting betreft reeds begrensd. Voor zover [appellant] vreest als gevolg van het plan beperkt te worden in zijn uitbreidingsmogelijkheden, is niet gebleken van concrete plannen waarmee de raad in zoverre rekening had dienen te houden.

6.8.    Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] met de aan de betreffende gronden van het perceel [locatie 2] toegekende functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" en de toegekende functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - scheepvaartbedrijf" niet wordt beperkt in de exploitatiemogelijkheden van zijn bedrijfsvoering.

De betogen falen.

6.9.    Ter zitting heeft [appellant] in het licht van zijn beroepsgrond over de beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn bedrijf door de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - scheepvaartbedrijf" aangevoerd, dat deze functieaanduiding ten onrechte niet aan bepaalde stroken grond is toegekend die eveneens tot zijn bedrijf behoren.

6.10.    Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht en onder 6.7 is overwogen, heeft hij met de als maatwerkbestemming in het plan opgenomen functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - scheepvaartbedrijf" beoogd alle op de gronden van het perceel van [appellant] bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten als zodanig te bestemmen. Hierbij heeft de raad expliciet verklaard dat de op 30 januari 2006 aan [appellant] verleende milieuvergunning hiervoor leidend is.

6.11.    De Afdeling stelt op grond van deze milieuvergunning vast dat de bedrijfsactiviteiten van [appellant] zich uitstrekken tot de gronden, kadastraal bekend gemeente Franeker, sectie D, nummers 481, 482, 483, 449 gedeeltelijk en 490. Vast staat echter dat op de verbeelding bij het plan aan de gronden, kadastraal bekend gemeente Franeker, sectie D, nummer 490 en aan een deel van de gronden, kadastraal bekend gemeente Franeker, sectie D, nummer 482, niet de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - scheepvaartbedrijf" is toegekend. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij op deze gronden voor zijn bedrijfsvoering containers en materialen heeft opgeslagen. Anders dan de raad heeft beoogd, zijn niet alle bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten van [appellant], zoals opgenomen in de milieuvergunning, als zodanig bestemd. Het plan is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

Bedrijfswoningen

7.    [appellant] stelt dat de raad ten onrechte aan de woningen binnen het plangebied gelegen op de percelen Kiesterzijl [nrs.] de functieaanduiding "bedrijfswoning" heeft toegekend. [appellant] stelt dat de woningen, die al jarenlang onder het overgangsrecht vallen, op korte termijn van het bedrijventerrein moeten worden verwijderd.

Daarnaast voert [appellant] aan dat de raad geen dan wel onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het toekennen van deze functieaanduiding "bedrijfswoning" aan de bedoelde woningen voor de omliggende bedrijven, zoals het bedrijf van [appellant]. Zo stelt [appellant] dat hij de richtwaarden die vanuit een goede ruimtelijke ordening gelden voor het aspect geluid zal overschrijden. [appellant] doelt op de door de raad genoemde richtwaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Verder stelt [appellant] dat hij voor de bedrijfswoningen niet kan voldoen aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. Hij vreest dat de bewoners van de woningen op het bedrijventerrein zullen gaan klagen over geluidoverlast van zijn bedrijfsactiviteiten en om handhaving zullen vragen.

Voorts stelt [appellant] dat in de uitsterfconstructie in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 8, van de planregels ten onrechte een termijn van 1,5 jaar is opgenomen waarin het gebruik van de woning gestaakt moet zijn, voordat de woning niet langer als burgerwoning in gebruik mag zijn. Hij acht deze termijn veel te lang, in aanmerking genomen dat deze woningen feitelijk al als burgerwoning worden gebruikt.

7.1.    De raad stelt zowel in de plantoelichting als in het verweerschrift dat de woningen binnen het plangebied al jaren onder het overgangsrecht vallen. Volgens de raad was een voortzetting van het overgangsrecht voor deze situatie geen goede optie. Omdat volgens de raad niet gegarandeerd kan worden dat het gebruik van alle burgerwoningen binnen 10 jaar zal worden beëindigd, heeft de raad gekozen voor een uitsterfconstructie. Daarnaast stelt de raad dat de in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 8, van de planregels opgenomen termijn van 1,5 jaar een beleidsmatige afweging is geweest, die past bij de beleidsvrijheid in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Verder stelt de raad dat de gevolgen van het toekennen van de functieaanduiding "bedrijfswoning" voor de omliggende bedrijven wel is onderzocht. Daarbij stelt de raad zich op het standpunt dat de percelen waaraan de functieaanduiding "bedrijfswoning" is toegekend geen invloed hebben op de bedrijfsvoering van de naburige bedrijven. Daarnaast stelt de raad dat de richtafstanden uit de VNG-brochure alleen van belang zijn bij het toekennen van een maximaal toegestane milieucategorie aan het perceel. De richtwaarden uit de Handreiking die vanuit een goede ruimtelijke ordening voor de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen op het bedrijventerrein zijn gehanteerd, worden volgens de raad niet overschreden. Daarnaast stelt de raad dat gelet op het relativiteitsvereiste dit punt buiten beschouwing moet worden gelaten. Het belang van het woon- en leefklimaat van de woningen op het bedrijventerrein is volgens de raad geen belang van [appellant].

7.2.    Artikel 3.2.2, aanhef en lid 3, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) luidt: "Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan bestaand gebruik, worden in een bestemmingsplan de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van gebruik opgenomen:

Overgangsrecht gebruik

3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten."

Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 8, van de planregels luidt: "De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. gebouwen ten behoeve van:

8. bedrijfswoningen, ter plaatse van de aanduiding    'bedrijfswoning', met dien verstande dat het gebruik als    woning is toegestaan maar dat indien het gebruik van de    woning gedurende minimaal 1,5 jaar is gestaakt, het gebouw    niet meer in gebruik mag worden genomen ten behoeve van    bewoning anders dan bewoning in het kader van de uitoefening van een bedrijf."

7.3.    Voor zover de raad heeft aangevoerd dat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het besluit vanwege deze beroepsgrond, overweegt de Afdeling als volgt.

7.4.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

7.5.    [appellant] vreest dat hij de richtwaarden uit de Handreiking die de raad vanuit een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid heeft gehanteerd zal overschrijden. Het belang waarvoor [appellant] bescherming zoekt is daarmee gelegen in het voorkomen van negatieve gevolgen van zijn bedrijfsvoering voor het woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen op het bedrijventerrein. Als [appellant] niet voldoet aan de geluidnormen, kan om handhaving worden gevraagd en wordt [appellant] geschaad in de uitoefening van zijn bedrijf. [appellant] heeft er daarom belang bij dat het woon- en leefklimaat bij de woningen op het bedrijventerrein aanvaardbaar is. Gelet hierop vormt het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste ten aanzien van de aangevoerde beroepsgrond geen beletsel voor vernietiging van het besluit.

7.6.    Niet in geschil is dat het gebruik van de woningen is aangevangen vóór de vaststelling van het vorige plan. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan Franeker - Industrieterrein West", onherroepelijk geworden op 21 mei 2009, waren de woningen op de percelen wegbestemd en was aan deze percelen ook de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Het gebruik van de woningen werd door het overgangsrecht van het vorige plan beschermd.

7.7.    Gebruik dat onder het overgangsrecht valt mag in beginsel niet opnieuw onder het overgangsrecht worden gebracht. Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van bestaand legaal gebruik kan slechts onder bijzondere omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat zicht bestaat op beëindiging van het legale gebruik binnen de planperiode. Indien dit niet het geval is, betekent dit niet dat het gebruik als zodanig moet worden bestemd. Gebruik in strijd met een geldende bestemming of gebruik dat onder het overgangsrecht valt, doet namelijk op zichzelf geen gerechtvaardigde verwachtingen ontstaan over een toe te kennen bestemming. Als het als zodanig bestemmen van legaal gebruik niet langer in overeenstemming wordt geacht met een goede ruimtelijke ordening, het belang van de beoogde andere bestemmingsregeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen en het niet aannemelijk is dat er concreet zicht bestaat op beëindiging van het bestaande gebruik binnen de planperiode, kan de raad overwegen een uitsterfregeling voor dit gebruik in het plan op te nemen die enerzijds recht doet aan de bestaande rechten en belangen en anderzijds perspectief biedt om te komen tot de gewenste nieuwe situatie. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 20 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8880, is een uitsterfregeling een bijzondere vorm van positief bestemmen, waarbij het gebruik, indien dit is beëindigd, niet opnieuw een aanvang mag nemen.

7.8.    Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat hij gekozen heeft voor een uitsterfregeling voor de woningen binnen het plangebied, omdat hij het niet wenselijk vindt dat de woningen nogmaals onder het overgangsrecht vallen en omdat volgens de raad niet gegarandeerd kan worden dat het gebruik van alle burgerwoningen binnen 10 jaar zal worden beëindigd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in het plan voor de burgerwoningen binnen het plangebied een uitsterfregeling op te nemen.

7.9.    Voorts is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid aanleiding heeft kunnen zien om hervatting van het gebruik van de woningen in beginsel niet toe te staan als dat gebruik langer dan 1,5 jaar is beëindigd. De wetgever heeft in artikel 3.2.2, lid 3, van het Bro voor gebruik dat onder het algemene overgangsrecht valt een beschermingstermijn van één jaar redelijk geacht. Bij een uitsterfregeling gaat het om dezelfde vraag, namelijk hoe lang gebruik mag zijn onderbroken voordat het moet worden beschouwd als definitief beëindigd. Gelet op de omstandigheden dat het gebruik van de woningen al jarenlang onder het overgangsrecht valt en dat het gaat om een bestaande situatie, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de uitsterfregeling in dit plan niet in redelijkheid voor een termijn van 1,5 jaar heeft kunnen kiezen.

7.10.    Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat hij niet meer kan voldoen aan de richtafstanden uit de VNG-brochure en dat hij met zijn bedrijfsvoering de richtwaarden uit de Handreiking zal overschrijden, overweegt de Afdeling als volgt. De VNG-brochure geeft aanbevelingen voor aan te houden afstanden tussen bedrijven en milieugevoelige bestemmingen. Zoals blijkt uit eerdere uitspraken van de Afdeling - onder meer uit de uitspraak van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2892 - zijn de richtafstanden in de VNG-brochure bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties, als hier aan de orde. Daarnaast zijn de richtafstanden uit de VNG-brochure niet bedoeld voor bedrijfswoningen op bedrijventerreinen en kan voor een bedrijfswoning op een bedrijventerrein in het algemeen een grotere milieubelasting aanvaardbaar worden geacht dan voor een burgerwoning. Het laten voortbestaan van een bestaande situatie kan echter onder omstandigheden in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, indien blijkt dat de nadelige gevolgen hiervan zo groot zijn dat dit in redelijkheid niet aanvaardbaar kan worden geacht. Uit de Handreiking blijkt dat voor (bedrijfs)woningen gelegen op een gezoneerd industrieterrein, waarvan hier sprake is, formeel geen geluidgrenswaarden zijn te stellen, maar dat geadviseerd wordt te streven naar een maximaal geluidniveau van 65 dB(A).

7.11.    [appellant] heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad de milieugevolgen vanwege zijn bedrijf voor de desbetreffende woningen had moeten onderzoeken. De enkele stelling van [appellant] dat hij in de bestaande situatie niet kan voldoen aan de richtwaarden uit de Handreiking, is daarvoor onvoldoende. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zoals onder 6.7 is geoordeeld, [appellant] gehouden is aan de aan hem verleende milieuvergunning van 30 januari 2006. In deze milieuvergunning zijn voor verschillende immissiepunten en de woningen [locaties] maximaal toegestane geluidniveaus opgenomen waaraan het bedrijf van [appellant] is gehouden. Daarnaast moet [appellant] bij de uitvoering van zijn bedrijfsactiviteiten voldoen aan de voor het industrieterrein geldende geluidzone. Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn hiermee de bedrijfsactiviteiten van [appellant] wat de toegestane geluidbelasting betreft reeds begrensd. Mede gelet hierop zijn er geen aanwijzingen dat ter plaatse van de op het gezoneerde industrieterrein gelegen woningen niet aan een maximaal geluidniveau van 65 dB(A) kan worden voldaan.

7.12.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gevolgen van de aanwezigheid van het bedrijf van [appellant] in de buurt van de woningen op de percelen Kiesterzijl [nrs.] binnen het plangebied wat het aspect geluid betreft dermate groot zijn dat de raad niet in redelijkheid de bestaande situatie van deze woningen als zodanig heeft kunnen bestemmen.

7.13.    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een uitsterfregeling heeft kunnen opnemen waarbij het gebruik van de woningen niet is toegestaan als dat gebruik langer dan 1,5 jaar is beëindigd.

Het betoog faalt.

Waardedaling perceel

8.    [appellant] stelt dat hij als gevolg van het plan schade lijdt, die is gelegen in een waardedaling van zijn perceel. Daartoe stelt hij dat hij zijn perceel nu niet kan verkopen omdat er niet langer een maximaal toegestane milieucategorie van 4.2 aan is toegekend en dat zijn perceel is gevestigd in de nabijheid van percelen waarop de functieaanduiding "bedrijfswoning" is toegekend. [appellant] stelt dat de raad met hem naar een oplossing moet zoeken, bijvoorbeeld dat [appellant] op zijn perceel een tweede bedrijfswoning kan realiseren.

8.1.    De raad stelt dat [appellant] een verzoek tot planschadevergoeding kan indienen. Verder stelt de raad dat niet inhoudelijk wordt ingegaan op de door [appellant] voorgestelde oplossing, omdat de planschadevergoeding geen deel uitmaakt van deze procedure.

8.2.    Ten aanzien van het betoog van [appellant] met betrekking tot de waardedaling van zijn perceel acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. De Afdeling tekent hierbij aan dat voor eventuele tegemoetkoming in planschade een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden bestaat.

Het betoog faalt.

Parkeergelegenheid en toegangsweg

9.    [appellant] verzoekt zijn zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast stelt [appellant] dat de raad te gemakkelijk voorbij gaat aan hetgeen [appellant] in zijn zienswijze heeft gesteld over de toegangsweg en het gebrek aan voldoende parkeerplaatsen. Daartoe stelt [appellant] dat het niet zo kan zijn dat er meerdere bedrijfswoningen mogelijk worden gemaakt omdat niet is uitgesloten dat er zich in de toekomst ook bedrijven zullen vestigen, zonder dat er zorg wordt gedragen voor voldoende parkeergelegenheid en voor een veilige toegang tot het bedrijventerrein van [appellant].

9.1.    Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat er onvoldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor de bedrijfswoningen binnen het plangebied, overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder c, van de planregels voor het bouwen van gebouwen het bebouwingspercentage van een bouwvlak per bouwperceel ten hoogste 60% mag bedragen. In de plantoelichting staat dat het maximum bebouwingspercentage per bouwvlak moet voorkomen dat de percelen in het plangebied volledig bebouwd worden, waardoor er voor parkeren geen ruimte meer overblijft. Daarnaast is het op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de planregels mogelijk om parkeervoorzieningen te realiseren bij de onder artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels genoemde bouwwerken.

9.2.    Voor zover [appellant] stelt dat de toegangsweg tot zijn bedrijf niet voldoende is gewaarborgd, overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels de mogelijkheid bestaat om bij de artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels genoemde bouwwerken wegen, straten en paden te realiseren. Gelet hierop is het mogelijk om nieuwe ontsluitingswegen te realiseren. Daarbij heeft de raad ter zitting toegelicht dat het bestemmingsplan geen nieuwe bedrijfswoningen toestaat waardoor de toegang tot het bedrijventerrein van [appellant] blijft gewaarborgd.

9.3.    Gelet op het vorenstaande heeft de raad in zoverre in redelijkheid geen strijd met een goede ruimtelijke ordening hoeven aannemen.

9.4.    Voor zover [appellant] in het beroepschrift voor de overige gronden verzoekt de inhoud van zijn zienswijze als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de reactienota zienswijzen bestemmingsplan "Franeker - Industrieterrein West Kiesterzijl" behorende bij het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in zijn beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

9.5.    De betogen falen.

Slotoverweging

10.    Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 6.11 een passende bestemming toe te kennen aan de gronden, kadastraal bekend gemeente Franeker, sectie D, nummer 490 en op een deel van de gronden, kadastraal bekend gemeente Franeker, sectie D, nummer 482, en daarbij rekening te houden met de bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten van [appellant], alsmede aan de Afdeling en de andere partijen de uitkomst van voormelde opdracht mede te delen en een nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

11.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van de overwegingen 6.11 en 10 het daar omschreven gebrek in het besluit van 2 november 2017 te herstellen, en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. S.J.E. von Horstink-von Meyenfeldt en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Plambeck

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

159-867.