Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1752

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201806250/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:3179, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 21 december 2017 heeft het college [appellant A] en [appellant B] onder oplegging van een dwangsom gelast het strijdige gebruik van de percelen [locatie 1] onderscheidenlijk [locatie 2] te Huissen te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806250/1/A1.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Huissen, gemeente Lingewaard,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 17 juli 2018 in zaak nrs. 18/2647, 18/2648, 18/1238 en 18/1255 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 21 december 2017 heeft het college [appellant A] en [appellant B] onder oplegging van een dwangsom gelast het strijdige gebruik van de percelen [locatie 1] onderscheidenlijk [locatie 2] te Huissen te staken en gestaakt te houden.

Bij afzonderlijke besluiten van 10 april 2018 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] tegen de besluiten van 21 december 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2018 heeft de rechtbank de door [appellant A] en [appellant B] tegen de besluiten van 10 april 2018 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2019, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat te Deventer, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door T.J.E. Lodders LL.B., zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant A] en [appellant B] hebben kassen in Huissen. Zij stellen dat zij niet voldoende inkomsten genereren uit de tuinbouw en gebruiken een deel van de kassen als caravanstalling. Omdat dit gebruik in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, heeft het college hen in de besluiten van 21 december 2017, die bij besluiten van 10 april 2018 in stand zijn gelaten, gelast dit gebruik te staken en gestaakt te houden.

    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college bevoegd is om handhavend op te treden en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die aan gebruikmaking van deze bevoegdheid in de weg staan. De beroepen van [appellant A] en [appellant B] tegen de besluiten van 10 april 2018 zijn om die reden ongegrond verklaard.

De bevoegdheid van het college

2.    Vast staat, en dat is tussen partijen ook niet in geschil, dat het stallen van caravans in een kas in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Lingewaard" op de percelen rustende bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw". Gelet hierop is het college bevoegd om handhavend op te treden.

Beginselplicht tot handhaving

3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Concreet zicht op legalisering

4.    [appellant A] en [appellant B] betogen tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat concreet zicht op legalisering bestaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2616), volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. In de besluiten van 10 april 2018 heeft het college het standpunt ingenomen dat het niet bereid is mee te werken aan de verlening van omgevingsvergunningen in afwijking van het bestemmingsplan, omdat dit zou indruisen tegen het gemeentelijke en provinciale beleid. De stelling van [appellant A] en [appellant B] dat de opbrengsten van de caravanstalling worden gebruikt voor het ontwikkelen van alternatieve teelten en dat die ontwikkeling past in het gemeentelijke beleid zodat om die reden concreet zicht op legalisering bestaat, heeft de rechtbank terecht niet gevolgd. Zij heeft terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste omgevingsvergunningen niet zullen kunnen worden geweigerd.

Evenredigheid

5.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Zij wijzen er op dat er sinds de jaren '90 plannen waren voor de herontwikkeling van de Rietkamp, het gebied waarvan de kassen deel uitmaken. Volgens hen was het de ambitie van de gemeente en de provincie om in Bergerden een concentratiegebied voor glastuinbouw te creëren. De Rietkamp zou worden gebruikt wanneer in het concentratiegebied te weinig ruimte beschikbaar was. De gewenste herstructurering is volgens [appellant A] en [appellant B] niet van de grond gekomen. Het gevolg daarvan is volgens hen dat tuinders nauwelijks belangstelling hebben voor het concentratiegebied Bergerden, zodat de beoogde functie van de Rietkamp als 'overloopgebied' niet nodig is. Daarbij komt dat zowel het gebied de Rietkamp als de bedrijven van [appellant A] en [appellant B] niet geschikt zijn voor moderne glastuinbouw. In juli 2017 is daarom een living lab-project gestart waarbij ook de gemeente Lingewaard is betrokken, aldus [appellant A] en [appellant B]. Dit project is erop gericht om kleinschalige tuinbouwbedrijven als dat van [appellant A] en [appellant B] onder meer door het verstrekken van subsidies te begeleiden naar het kweken van innovatieve en nieuwe producten. [appellant A] en [appellant B] hebben zich bereid verklaard mee toe doen aan het project. Zij kunnen daarmee echter nog geen kostendekkend inkomen genereren en zijn daarvoor aangewezen op de inkomsten die zij verwerven door middel van de caravanstalling. Deze inkomsten zijn volgens [appellant A] en [appellant B] nog tot medio augustus 2020 noodzakelijk. Zij voeren verder aan dat met het project zwaarwegende maatschappelijke en economische belangen zijn gemoeid en dat handhavend optreden deze belangen schaadt, terwijl de gewenste herstructurering van het gebied daardoor niet wordt bevorderd. Ten slotte wijzen [appellant A] en [appellant B] er op dat niet door derden is verzocht om handhavend optreden. Volgens hen geven deze omstandigheden aanleiding om de overtreding te gedogen.

5.1.    Het onder 5. weergegeven betoog hebben [appellant A] en [appellant B] ook in hun bezwaarschriften tegen de besluiten van 10 december 2017 aangevoerd. In de besluiten van 10 april 2018 is het college niet ingegaan op dit betoog over de evenredigheid van het handhavend optreden. Het heeft alleen vermeld dat het feit dat gesprekken worden gevoerd tussen de gemeente en de tuinders over alternatieve teelten niet betekent dat caravans mogen worden gestald en dat van gewekt vertrouwen geen sprake is.

    Het college heeft de door [appellant A] en [appellant B] beschreven gang van zaken rondom de gewenste herstructurering en hun deelname aan het living lab-project, waarbij ook de gemeente Lingewaard is betrokken, niet betwist. Gelet hierop en nu in de besluiten op bezwaar niet kenbaar is afgewogen hoe deze belangen van [appellant A] en [appellant B] zijn betrokken bij de besluitvorming van het college, zijn die besluiten in zoverre onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt. Hetgeen [appellant A] en [appellant B] voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 april 2018 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 17 juli 2018 in zaken nrs. 18/2647, 18/2648, 18/1238 en 18/1255;

III.    verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV.    vernietigt het beide besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard van 10 april 2018, kenmerk 57341;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.094,10 (zegge: tweeduizend vierennegentig euro en tien cent), waarvan € 2.048,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard aan [appellant A] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard aan [appellant B] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Duifhuizen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

724.