Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201806322/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Verlengde Oude Veenendaalseweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806322/1/R2.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Rhenen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Rhenen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Verlengde Oude Veenendaalseweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2019, waar de raad, vertegenwoordigd door J.A.W. Peek, is verschenen. Voorts is ter zitting [partij] en [bedrijf], initiatiefnemer, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in de realisatie van een woning op het perceel gelegen achter het perceel aan de [locatie] te Rhenen.

    [appellant] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied en zij vrezen voor de aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Belanghebbendheid

3.    De raad stelt dat het beroep, voor zover ingesteld door [persoon A] en [persoon B], niet-ontvankelijk is, aangezien zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpplan.

3.1.    Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

    [persoon A] en [persoon B] hebben geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren hebben gebracht.

    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Indien het ontwerpplan op onderdelen gewijzigd is vastgesteld is het beroep slechts ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerpplan zijn aangebracht en het aannemelijk is dat [persoon A] en [persoon B] hierdoor in een ongunstiger positie zijn geraakt.

    De Afdeling stelt vast dat de verbeelding bij het plan ten opzichte van het ontwerpplan is gewijzigd, waarbij de raad het bouwvlak op het perceel achter het perceel aan de [locatie] heeft verkleind. Gelet hierop is niet aannemelijk dat [persoon A] en [persoon B] daardoor in een nadeliger positie komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpplan.

    Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door [persoon A] en [persoon B], is niet-ontvankelijk.

4.    Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ontvankelijk, zal in het vervolg worden aangeduid als het beroep van [appellant]. Het beroep van [appellant] zal hierna inhoudelijk worden besproken.

Bouwmogelijkheden

5.    [appellant] kan zich niet verenigen met de omvang van de in het plan toegelaten bebouwing, omdat dit volgens hem zal leiden tot aantasting van zijn leefomgeving en privacy. Hij stelt dat er geen reden is om, zoals in het plan is gebeurd, een grotere omvang aan bebouwing toe te staan dan in de in 2003 verleende, en ongebruikte, bouwvergunning was toegestaan.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan voorziene bebouwing vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is en de leefomgeving en de privacy van [appellant] niet onaanvaardbaar worden aangetast. Voor zover [appellant] wijst op de in 2003 verleende en in 2017 ingetrokken bouwvergunning, stelt de raad dat de bouwmogelijkheden in het plan ten opzichte van die situatie maar beperkt zijn vergroot.

5.2.    Artikel 3.2, lid 3.2.1, van de planregels luidt: "Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:

    a. woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

    b. ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand" mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd, met dien verstande dat;

        1. woningen worden afgedekt met een kap waarvan de dakhelling niet minder dan 20 graden mag bedragen;

        2. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m)"."

    Artikel 3.2, lid 3.2.2, van de planregels luidt: "Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen gelden de volgende regels:

    a. bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak en het achtererfgebied;

    b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,3 m;

    c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m;

    d. het bebouwingspercentage van het achtererfgebied mag maximaal 25% van de bij de woning behorende kadastrale percelen bedragen, met dien verstande dat het maximale oppervlak aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 150 m² mag bedragen."

5.3.    De Afdeling stelt vast dat het plan voor gronden aan de Verlengde Oude Veenendaalseweg voorziet in de bestemming "Wonen". Het plan staat op het deel van deze gronden waaraan een bouwvlak is toegekend, één vrijstaande woning met een maximum goothoogte van 4,5 m en een maximum bouwhoogte van 7 m toe. Voorts staat het plan binnen het bouwvlak en het achtererfgebied, bij de woning behorende bouwwerken toe tot een maximaal oppervlak van 150 m² in totaal, en met een maximale goot- en bouwhoogte van 3,3 m en 4,5 m.

    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad deze bouwmogelijkheden ter plaatse passend en ruimtelijk aanvaardbaar vindt. De raad vindt voorts dat het woon- en leefklimaat van [appellant] daardoor niet onaanvaardbaar wordt aangetast. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen. Daartoe heeft de raad belang kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het perceel van [appellant] niet grenst aan het perceel waarop de nieuwe woning is voorzien en op een afstand van ongeveer 32 m tot de plangrens en ongeveer 44 m tot het bouwvlak ligt. Daarbij is sprake is van een woonomgeving waar voornamelijk grotere vrijstaande woningen staan en sluit de in het plan voorziene woning daarbij aan. Ook heeft de raad, onweersproken, gesteld dat de in het plan opgenomen maximaal toegestane bouw- en goothoogten gebruikelijk zijn in de omgeving van het plangebied. Voorts heeft de raad er ten aanzien van het maximaal toegestane oppervlak aan bijgebouwen, op kunnen wijzen dat deze past binnen gemeentelijk beleid en dat het maximaal toegestane oppervlak gelet op de grootte van het perceel passend is.

    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen stellen dat de het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare aantasting van de leefomgeving en de privacy van [appellant]. De enkele stelling dat het plan een beperkt grotere woning toestaat in vergelijking met een voormalig vergunde en niet gerealiseerde situatie, is daartoe onvoldoende.

    Het betoog faalt.

Inlassing zienswijze

6.    Voor zover [appellant] in zijn beroepschrift heeft verwezen naar de inhoud van zijn zienswijze over het plan, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzenota is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in zijn beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

    Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

7.    Het beroep, voor zover ingesteld door [appellant], is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.     verklaart het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door [persoon A] en [persoon B], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.

w.g. Van Ravels    w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

458-914.