Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1749

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201806613/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij ongedateerd besluit, door [appellante] op 25 juli 2017 ontvangen, heeft het college het verzoek van [appellante] om vernietiging van vertrouwelijke medische rapporten afgewezen en het verzoek om een dwangsom toe te kennen eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806613/1/A3.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2018 in zaak nr. 18/50 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, door [appellante] op 25 juli 2017 ontvangen, heeft het college het verzoek van [appellante] om vernietiging van vertrouwelijke medische rapporten afgewezen en het verzoek om een dwangsom toe te kennen eveneens afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bezwaar gemaakt. Zij heeft vervolgens op 28 december 2017 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 7 februari 2018 heeft het college het ongedateerde besluit ingetrokken en medegedeeld dat de medische gegevens uit 2008/2009 uit het dossier van [appellante] zullen worden verwijderd.

Bij besluit van 27 maart 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 5 april 2018 heeft het college besloten een dwangsom van € 1.260,- aan [appellante] toe te kennen wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar.

Bij uitspraak van 29 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de gevraagde verklaring voor recht dat het college vanaf 2008 in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens heeft gehandeld, het beroep voor het overige gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2018 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft bij besluit van 17 september 2018 opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2018 beslist.

[appellante] heeft tegen dit besluit gronden ingediend.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2019, waar [appellante] is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 20 april 2017 heeft [appellante] het college verzocht om twee medische rapporten uit 2008, een medisch rapport uit 2009 en één arbeidsdeskundigenrapport uit 2009, in hun geheel, met alle informatie daarin, in de papieren dossiers en ook in alle digitale systemen van de afdeling Werk en Inkomen en alle afdelingen van de gemeente of waar ze dan ook mogelijk terechtgekomen zijn, te vernietigen zonder back-up of enige informatie daarvan elders te bewaren. Ter toelichting op haar verzoek heeft [appellante] medegedeeld dat ze vindt dat de gemeente sinds 2008 een ernstige inbreuk op haar privacy heeft gemaakt door haar medische dossiers digitaal te verwerken en op te slaan. Deze verwerking vond destijds plaats in het kader van haar bijstandsuitkering. Volgens [appellante] mogen alleen medische deskundigen haar dossiers inzien en haar gegevens verwerken en niet de ambtenaren van de gemeente. Volgens [appellante] is zij door de langdurige inbreuk op haar privacy erg benadeeld en in haar persoon ernstig aangetast.

Besluitvorming college

2.    Het college heeft bij ongedateerd besluit het verzoek van [appellante] afgewezen, omdat reeds bij besluit van 6 maart 2015 negatief op haar verzoek is beslist. Aangezien [appellante] geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, heeft het college geen aanleiding gezien terug te komen op dat eerdere besluit.

    Het college heeft vervolgens bij besluit van 7 februari 2018 het ongedateerde besluit ingetrokken en [appellante] medegedeeld dat de medische gegevens uit 2008/2009 uit het dossier van [appellante] zullen worden verwijderd. In het besluit op bezwaar van 27 maart 2018 heeft het college het bezwaar van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belang meer heeft bij een beoordeling van haar bezwaar nu volledig is tegemoet gekomen aan haar verzoek, aldus het college.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] in haar beroepschrift onder meer heeft verzocht om een verklaring voor recht dat het college onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. De rechtbank heeft hierover overwogen dat dit vermeende onrechtmatig handelen betrekking heeft op feitelijk handelen of nalaten door het college en niet op een besluit. Zij heeft vervolgens overwogen dat de bestuursrechter niet bevoegd is om te oordelen over de vraag of dit feitelijk handelen of nalaten van het college onrechtmatig is. Uit het door [appellante] gedane beroep op een vonnis van de civiele rechter, waar zij en de gemeente bij waren betrokken, kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat de bestuursrechter bevoegd is. In die uitspraak heeft de civiele rechter slechts overwogen dat het college een besluit op haar verzoek tot verwijdering van de medische gegevens dient te nemen. [appellante] zal, indien zij een verklaring voor recht wenst, een vordering bij de civiele rechter moeten indienen, aldus de rechtbank.

    De rechtbank heeft over het besluit op bezwaar van 27 maart 2018 overwogen dat het college ter zitting heeft toegelicht dat het verzoek van [appellante] zo is opgevat dat het uitsluitend zag op de brongegevens, namelijk de vier genoemde rapporten. Deze brongegevens zijn verwijderd uit de fysieke en digitale klantendossiers met betrekking tot de Participatiewet. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat [appellante] het college heeft verzocht de vier rapporten in hun geheel, met alle informatie daarin, in de papieren dossiers en ook in alle digitale systemen van de afdeling Werk en Inkomen en alle afdelingen van de gemeente of waar ze dan ook mogelijk terechtgekomen zijn, te vernietigen zonder back-up of enige informatie daarvan elders te bewaren. Dat betekent dat ook verwerkingen van de rapporten onder de reikwijdte van het verzoek vallen. Door slechts uit te gaan van vernietiging van de brongegevens uit het klantendossier heeft het college het verzoek van [appellante] te beperkt geïnterpreteerd. Voor zover over de inhoud van dat verzoek onduidelijkheid bestond, had het op de weg van het college gelegen om daarover opheldering te vragen bij [appellante], aldus de rechtbank.

    De rechtbank heeft daarom het beroep in zoverre gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Hoger beroep [appellante]

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht om een verklaring voor recht af te geven dat de gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld wegens het sinds 2008 opvragen en verwerken van medische gegevens. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellante] dit betoog als volgt verduidelijkt. Volgens haar heeft zij niet zozeer gevraagd om een verklaring voor recht, maar om een oordeel van de bestuursrechter over de handelwijze van het college. In het bijzonder wil zij dat de bestuursrechter zich uitspreekt over het feit dat haar medische persoonsgegevens zijn gebruikt door de gemeente en over de in haar ogen onheuse bejegening en de gebrekkige communicatie aan de zijde van het college. De rechtbank had wel degelijk de ruimte om zich hierover uit te spreken, aangezien het hier gaat om de handelwijze van een bestuursorgaan, aldus [appellante].

4.1.    De Afdeling overweegt dat de bestuursrechter niet bevoegd is een uitspraak te doen over de vraag of feitelijk handelen van een bestuursorgaan als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Hiertoe is de civiele rechter bevoegd. De bestuursrechter is alleen bevoegd te oordelen over een besluit van een bestuursorgaan. Om vast te stellen of in deze zaak de bestuursrechter bevoegd is zich uit te spreken over de handelwijze van het college moet dus worden vastgesteld of het verzoek van [appellante] ziet op het feitelijk handelen van het college of op een besluit.

    [appellante] heeft gevraagd om een oordeel te geven over de volgens haar onrechtmatige verwerking van haar medische gegevens alsook de gestelde onheuse bejegening en de gebrekkige communicatie door het college. Op het moment dat [appellante] dit verzoek deed, had het college al een besluit genomen om haar medische gegevens te verwijderen. De vraag of het college de medische gegevens onrechtmatig had verwerkt, was op dat moment dan ook niet meer aan de orde. De bestuursrechter is dus niet bevoegd daarover te oordelen. Een dergelijk oordeel, juridisch aangemerkt als een verklaring voor recht, behoort dus, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, tot de bevoegdheid van de civiele rechter. De bestuursrechter is ook niet bevoegd over de gestelde onheuse bejegening en gebrekkige communicatie van het college te oordelen, omdat dit ook geen betrekking heeft op een besluit van het college. Voor zover [appellante] van plan is om een schadevergoeding op grond van een onrechtmatige daad te vorderen, zal zij zich daarvoor eveneens tot de civiele rechter moeten wenden.

    Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank in haar uitspraak ten onrechte geen termijn heeft genoemd voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

5.1.    In de Algemene wet bestuursrecht is vermeld binnen welke termijn een bestuursorgaan een besluit op bezwaar dient te nemen. Gelet hierop bestond er voor de rechtbank geen aanleiding in haar uitspraak te vermelden binnen welke termijn het college een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen.

    Het betoog faalt.

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voert hiertoe aan dat de rechtbank zich had moeten uitspreken over het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar door het college.

6.1.    Het college heeft bij besluit van 27 maart 2018 alsnog op het bezwaar van [appellante] beslist. Dit betekent dat [appellante] geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep van [appellante] gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

    Het betoog faalt.

7.    Voor zover [appellante] heeft betoogd dat de rechtbank zich niet heeft uitgesproken over eerdere verzoeken die zij bij de gemeente heeft ingediend, overweegt de Afdeling dat dit buiten de omvang van het geding valt. In deze procedure staat uitsluitend de besluitvorming van het college op haar verzoek van 20 april 2017 ter beoordeling. 

Conclusie hoger beroep

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

Nieuw besluit op bezwaar college

9.    Bij besluit van 17 september 2018 heeft het college, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2018 beslist. Het college heeft [appellante] bericht dat alle ambtelijke procedures zijn doorlopen die noodzakelijk zijn voor het verwijderen van gegevens uit het dossier en dat alle betrokken ambtenaren hun akkoord inmiddels hebben geven om alle back-ups en verwerkingen van de vier medische rapporten te kunnen verwijderen. In dit verband heeft het college erop gewezen dat op 11 september 2018 door de afdeling Functioneel Beheer van de gemeente Rotterdam een akkoord is gegeven aan het bedrijf Wigo4 om de verwerkingen en back-ups te verwijderen.

Beroepsgronden [appellante]

10.    [appellante] kan zich niet verenigen met het nieuwe besluit op bewaar. Zij voert aan dat het college in het nieuwe besluit op bezwaar geen antwoord heeft gegeven op de vraag waarom de gemeente haar medische gegevens meer dan tien jaar heeft bewaard. Voorts voert zij aan dat het college geen bewijs heeft overgelegd dat de medische gegevens daadwerkelijk zijn verwijderd. Ook heeft het college volgens [appellante] niet onderzocht of de medische gegevens bij andere instanties terecht zijn gekomen.

10.1.    De stelling van [appellante] dat het college in het nieuwe besluit op bezwaar geen antwoord heeft gegeven op de vraag waarom de gemeente haar medische gegevens meer dan tien jaar heeft bewaard, is bij dit besluit niet aan de orde. Het college diende immers uitsluitend een besluit te nemen op haar verzoek om haar medische gegevens te verwijderen.

    De stelling van [appellante] dat het college geen bewijs heeft overgelegd dat de medische gegevens daadwerkelijk zijn verwijderd, ziet op de feitelijke uitvoering van het besluit van 17 september 2018. De Afdeling kan daarover geen oordeel geven.

    Over de stelling van [appellante] dat het college niet heeft onderzocht of de medische gegevens bij andere instanties terecht zijn gekomen, overweegt de Afdeling dat het college gemotiveerd heeft gesteld dat niet is gebleken is dat de medische gegevens zijn gedeeld met partijen buiten de gemeente.

    Het betoog faalt.

Conclusie

11.    Het hoger beroep van [appellante] is, zoals in overweging 8 is overwogen, ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd. Het beroep van [appellante] tegen het nieuwe besluit op bezwaar is eveneens ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 17 september 2018 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Kramer    w.g. Soffner

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

818.