Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1746

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201808264/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:10723, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee padelbanen op het tennispark aan het [locatie 1] te Wassenaar (hierna: het project).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2019/8191
JM 2019/94 met annotatie van Arents, F.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808264/1/A1.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Wassenaar,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 september 2018 in zaak nr. 17/7349 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee padelbanen op het tennispark aan het [locatie 1] te Wassenaar (hierna: het project).

Bij besluit van 8 maart 2018 heeft het college het besluit van 24 oktober 2017 aangepast.

Bij uitspraak van 7 september 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M.C.J. van de Ven, J. Stephan, N.A. Dijkstra en E. Blankert, bijgestaan door mr. P.H.J. van Aardenne, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] ter zitting als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het project voorziet in het realiseren van twee padelbanen op het tennispark "De Oude Eik" gelegen op het perceel [locatie 1] te Wassenaar. De padelbanen zijn voorzien op een stuk grond dat grenst aan de achterzijde van het perceel van [appellant] aan de [locatie 2] te Wassenaar. De afstand van het perceel waarop de padelbanen zijn voorzien (hierna: het perceel) tot aan de woning van [appellant] is ongeveer 48 m. De padelbanen zijn ieder 20 m lang en 10 m breed en worden omheind door een hekwerk met een hoogte van maximaal 4 m, dat deels bestaat uit hekken. De achterwanden en een klein deel van de zijwanden van de padelbanen zijn van glas. Aan de constructie worden vier palen vastgemaakt, waarin verlichting wordt geplaatst op een hoogte van ongeveer 6 m. De bebouwde oppervlakte van het terrein na de uitvoering van het project bedraagt 450 m2. De bodem van de padelbanen bestaat uit zand met daarbovenop lavasintels, die ter verharding met een wals worden samengeperst. De padelbanen worden niet voorzien van een overkapping.

2.    Het project is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Ammonslaantje-Maaldrift 2013" waarin het perceel de bestemming "Sport" heeft. Bij besluit van 24 oktober 2017, gewijzigd bij besluit van 8 maart 2018, is het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voor het project van het bestemmingsplan afgeweken. Onder verwijzing naar een voor het project opgestelde ruimtelijke onderbouwing stelt het college zich op het standpunt dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

3.    De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het besluit van 24 oktober 2017 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project voor het realiseren van de twee padelbanen op meer punten in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan dan in de bij het besluit van 24 oktober 2017 behorende ruimtelijke onderbouwing is onderkend. In dat verband wijst hij er op dat op het perceel de bestemming "Sport" rust, met de functieaanduiding "tennisbanen (tn)". Volgens hem kan een padelbaan niet gelijkgesteld worden met een tennisbaan, omdat de ruimtelijke uitstraling ervan anders is. Verder is het college er ten onrechte van uitgegaan dat een padelbaan kan worden aangemerkt als een overig bouwwerk als bedoeld in artikel 7.2, vijfde lid, aanhef en onder f, van de planregels. Ten slotte is het project volgens hem in strijd met het bestemmingsplan, omdat het maximum aantal van zeven tennisbanen op het tennispark met het verlenen van omgevingsvergunning voor de padelbanen wordt overschreden, aldus [appellant].

4.1.    Het college is voor het project van het bouwplan afgeweken van artikel 7.2, zesde lid, van de planregels, omdat voor een deel van de wanden van de padelbanen niet is voldaan aan het vereiste dat minimaal 75% van de verticale projectie open moet zijn. Het is ook afgeweken van het bepaalde in artikel 7.2, zevende lid, van de planregels, omdat het project is voorzien buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken en groter is dan 20 m².

4.2.    Artikel 7.1 van de planregels luidt:

"De voor "Sport (S)" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    Sportvelden ter plaatse van de functieaanduiding (spv);

b.    Tennisbanen ter plaatse van de functieaanduiding (tn);

c.    Gebouwen ten dienste van de bestemming sport zoals een clubgebouw, kantine, kinderopvang, kleedruimten, sanitaire voorzieningen, bergruimten, ondergeschikte sportgerelateerde detailhandel en dienstverlening mits het assortiment aansluit bij deze sportvoorzieningen;

d.    Bedrijfswoningen alleen ter plaatse van de functieaanduiding (bw) op de verbeelding;

e.    Water;

f.    Toegangswegen, erven, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming."

    Artikel 7.2, vijfde lid, luidt:

"Ten aanzien van de bouwhoogte van overige bouwwerken geldt dat:

a.    de bouwhoogte van ballenvangers maximaal 15 m mag bedragen;

b.    de bouwhoogte van erfafscheidingen langs het sportveld maximaal 2 m mag bedragen;

c.    de bouwhoogte van toegangshekken maximaal 2 m mag bedragen;

d.    de bouwhoogte van de tribune maximaal 5 m mag bedragen;

e.    de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 10 m mag bedragen;

f.    de bouwhoogte van overige andere bouwwerken maximaal 4,5 m mag bedragen."

    Het zesde lid luidt:

"Erf- en terreinafscheidingen, ballenvangers en toegangshekken dienen vanaf de grond een open constructie te hebben, met dien verstande dat 75% van de verticale projectie open moet zijn."

    Het zevende lid luidt:

"Van overige bouwwerken waarvan redelijkerwijs een inhoud kan worden gemeten zoals tribunes, mag de totale oppervlakte buiten het bouwvlak maximaal 20 m bedragen."

    Het achtste lid luidt:

"Het bouwen binnen 5 m van de oeverlijn van de bestemming Water is niet toegestaan en uitsluitend na een algemene ontheffing mogelijk als beschreven in artikel 22, eerste lid, onder j."

4.3.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de padelbanen waarvoor omgevingsvergunning is verleend in overeenstemming zijn met de bestemming "Sport" en de functieaanduiding "tennisbanen (tn)". Padel is een racket- en balsport voor 2 spelers of voor paren, waarbij een bal, gelijkend op een tennisbal met een racket over een net gespeeld dient te worden. Het wordt wel aangeduid als een mix tussen tennis en squash. De ruimtelijke uitstraling van de padelbanen waarvoor in dit geval omgevingsvergunning is gevraagd, verschilt niet zodanig van de tennisbanen die het bestemmingsplan toelaat, dat het daarmee niet op één lijn gesteld kan worden. Weliswaar worden de padelbanen deels omringd door een dichte wand en tennisbanen door een hekwerk, maar de dichte wand is in dit geval doorzichtig en heeft daardoor geen wezenlijke andere ruimtelijke gevolgen dan de hekwerken die ter plaatse zijn toegestaan. Ook de geluidsbelasting van padelbanen is in zijn algemeenheid niet zodanig, dat kan worden gezegd dat om die reden sprake zou zijn van wezenlijk andere ruimtelijke gevolgen dan bij tennisbanen het geval zijn. Anders dan [appellant] betoogt, was het college niet gehouden in zoverre van het bestemmingsplan af te wijken, omdat de padelbanen niet onder de functieaanduiding "tennisbanen (tn)" zouden vallen.

    In artikel 1 van de planregels is bouwwerk gedefinieerd als een bouwkundige constructie van enige omvang, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. De wanden van de padelbanen zijn gelet op deze definitie een bouwwerk als bedoeld in de planregels. De wanden zijn geen bouwwerk als bedoeld in artikel 7.2, vijfde lid, onder a tot en met e, van de planregels. De rechtbank heeft de wanden van de padelbanen terecht als overige bouwwerken, als bedoeld in artikel 7.2, vijfde lid, onder f, van de planregels, aangemerkt. Het project is ook in zoverre niet in strijd met het bestemmingsplan.

    Tot slot schrijft het bestemmingsplan, anders dan [appellant] betoogt, geen maximum aantal tennisbanen voor, zodat het project ook in zoverre niet in strijd is met het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

5.    Het betoog van [appellant], dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project in strijd is met de bestemming "Water" slaagt niet. De door [appellant] bedoelde sloot die zich bevindt tussen zijn perceel en het perceel waarop de padelbanen zijn voorzien, heeft in het bestemmingsplan niet de bestemming "Water". De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat in deze procedure niet voorligt of de sloot niet ook de bestemming "Water" had moeten krijgen. In het door [appellant] overigens in dit verband aangevoerde wordt ook geen grond gevonden voor het oordeel dat het niet is toegestaan de padelbanen binnen de afstand van 5 m van de sloot te realiseren.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met een goede ruimtelijke ordening de omgevingsvergunning voor de twee padelbanen heeft verleend, omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de te verwachten geluidsoverlast voor appellant. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar een rapport van de Nederlandse Stichting Geluidshinder van 11 oktober 2018. Daarin wordt geconcludeerd dat de omgevingsvergunning geen behuizing voor de padelbaanactiviteiten waarborgt die tegemoet komt aan de planologische geluidbeschermingsrechten van de woning van [appellant] op het perceel [locatie 2] te Wassenaar. Er wordt volgens [appellant] meer geluidshinder veroorzaakt dan is toegestaan in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Volgens [appellant] heeft het college geen aansluiting mogen zoeken bij de grenswaarden die het Activiteitenbesluit milieubeheer geeft. [appellant] stelt zich verder op het standpunt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met impulsgeluiden die inherent zijn aan padel.

6.1.    Zoals in 4.1 is overwogen, is het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo voor het project afgeweken van artikel 7.2, zesde lid, van de planregels, omdat voor een deel van de wanden van de padelbanen niet is voldaan aan het vereiste dat minimaal 75% van de verticale projectie open moet zijn. Het is ook afgeweken van het bepaalde in artikel 7.2, zevende lid, van de planregels, omdat het project is voorzien buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken en groter is dan 20 m².

    Zoals volgt uit 4.3 heeft de rechtbank terecht overwogen dat de dichte wanden van de padelbanen als overige bouwwerken kunnen worden aangemerkt. Voor overige bouwwerken geldt niet het bepaalde in artikel 7.2, zesde lid, van de planregels dat minimaal 75% van de verticale projectie open moet zijn. Het college heeft in de ruimtelijke onderbouwing toch onderzocht of het toestaan van de padelbanen waarvan meer dan 75% van de verticale projectie open is, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het project is daarnaast in strijd met het bestemmingsplan vanwege de forse overschrijding van het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Deze forse overschrijding van het bouwvlak is noodzakelijk om de padelbanen te realiseren, onder meer vanwege de oppervlakte van de baan. Het college heeft in dit verband een akoestisch onderzoek laten doen door S&W Consultancy, welk onderzoek op 15 juli 2016 is uitgebracht (hierna: het akoestisch onderzoek).

6.2.    In het akoestisch onderzoek is voor de beoordeling van de directe geluidhinder getoetst aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het Activiteitenbesluit milieubeheer zondert een aantal geluidbronnen uit van de beoordeling. Het betreft onder meer het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor horeca-, sport- of recreatieactiviteiten.

6.3.    In het akoestisch rapport is aangesloten bij de grenswaarden die zijn opgenomen in afdeling 2.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, meer specifiek in tabel 2.17a. Verder zijn piekniveaus ten gevolge van het in de openlucht verrichten van sportactiviteiten, waaronder stemgeluid, meegenomen. In het rapport wordt geconcludeerd dat, ook wanneer de piekniveaus van het stemgeluid worden meegenomen, zonder aanvullende voorzieningen kan worden voldaan aan de grenswaarden in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In een "Memo impulstoeslag" van 28 januari 2019 wordt door S&W Consultancy toegelicht dat voor het repeterend impulsachtige geluid dat optreedt door het slaan van de ballen tegen de wanden en de vloer van padelbanen een strafcorrectie van 5 dB moet worden toegepast op het bronvermogen. Deze is ook toegepast. In de memo wordt verder toegelicht dat de berekeningen in het akoestisch rapport een worst-case benadering zijn.

6.4.    Bij het verlenen van omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo moet het college beoordelen of de geluidgevolgen van de met de omgevingsvergunning voorziene ontwikkeling aanvaardbaar zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft, zoals hier voor is overwogen, onderzoek laten verrichten naar de afwijkingen van het bestemmingsplan die essentieel zijn voor de sport padel en heeft naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek beoordeeld of de geluidgevolgen die het project met zich brengen ruimtelijk aanvaardbaar zijn.

6.5.    Gelet op het gestelde in 6.3, overweegt de Afdeling dat het college zich heeft kunnen baseren op het akoestisch rapport en de aanvullende memo van 28 januari 2019, waarin is aangesloten bij de grenswaarden in afdeling 2.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en waarbij de activiteiten die worden uitgesloten van de beoordeling in het Activiteitenbesluit milieubeheer, in dit geval het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sportactiviteiten, in het toetsingskader zijn betrokken. Ter zitting is door het college toegelicht dat is uitgegaan van de maximale waarden die voor tennis gelden, omdat er geen  betrouwbare metingen bekend zijn van padelbanen. Anders dan [appellant] heeft betoogd, zijn hierbij ook de impulsgeluiden die inherent zijn aan padel betrokken. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd met een goede ruimtelijke ordening is verleend, omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de te verwachten geluidsoverlast. Het door [appellant] overgelegde rapport van de NSG is geen reden voor een ander oordeel.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant]en betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het college ten onrechte de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) aangegeven richtafstanden niet in acht heeft genomen. Er van uitgaande dat het perceel is gelegen binnen de gebiedstypering ‘rustige woonwijk’ had een richtafstand van 50 m in acht genomen moeten worden. Het college had bovendien moeten aansluiten bij het Stappenplan dat deel uitmaakt van de VNG-brochure.

7.1.    Het college heeft aangesloten bij de aanbevolen richtafstanden die gelden voor "tennisbanen (met verlichting)", milieucategorie 3.1. Het college heeft toegelicht dat, om tegemoet te komen aan de omwonenden, het er vanuit is gegaan dat het gebied waarin de padelbanen zijn voorzien, wordt, ondanks een verscheidenheid aan functies aldaar, aangemerkt als ‘rustige woonwijk’. De VNG-brochure hanteert in een dergelijk geval een richtafstand van 50 m tot aan woningen vanwege het aspect geluid. De woning van [appellant] is gelegen op ongeveer 48 m van de voorziene padelbanen. Het college betwist niet dat er daarmee niet aan deze aanbevolen richtafstand wordt voldaan. Het heeft het echter niet onredelijk geacht om in dit geval van de richtafstanden af te wijken. Hierbij heeft meegespeeld dat het slechts een geringe afwijking betreft en dat ter plaatse al zeer lange tijd een tennispark is gevestigd die gelijke, of mogelijk zelfs zwaardere ruimtelijke effecten op de woning van [appellant] zou kunnen hebben. Verder heeft bij de besluitvorming van het college meegespeeld dat door S&W is aangetoond dat ook met het in de zin van het Activiteitenbesluit onverplicht meenemen van piekniveaus ten gevolge van het in de openlucht verrichten van sportactiviteiten, waaronder stemgeluid, wordt voldaan aan de grenswaarden in afdeling 2.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

    De Afdeling stelt voorop dat de VNG-brochure richtlijnen en geen wettelijke normen bevat. Ook als de VNG-brochure wel wordt toegepast dan zijn er voor het college mogelijkheden om van de aanbevolen richtafstanden af te wijken. Vast staat dat het college een kleinere afstand aanhoudt dan de afstand die de VNG-brochure aanbeveelt. Gelet op de door het college gegeven motivering, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het bouwplan niet voldoet aan de aanbevolen richtafstanden in de VNG-brochure. Het college heeft kunnen aansluiten bij de richtafstanden die gelden voor "tennisbanen (met verlichting)", omdat er geen specifieke richtafstanden gelden voor padelbanen en heeft voorts voldoende gemotiveerd dat en waarom in dit geval van de aanbevolen richtafstand wordt afgeweken. Het volgen van het stappenplan in paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure is niet wettelijk voorgeschreven, zodat daaraan geen zelfstandige betekenis toekomt.

    Het betoog faalt.

8.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het de groene buffer die is gelegen tussen Wassenaar en Katwijk aantast, slaagt niet. Ter zitting is gebleken dat het plan om een groene buffer aan te wijzen nog niet is vastgesteld. Alleen al om deze reden hoefde het college dit niet bij zijn besluitvorming te betrekken.

9.    Het betoog van [appellant], dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bij het besluit behorende ruimtelijke onderbouwing niet juist is, omdat daarin wordt gesteld dat geen archeologisch onderzoek nodig is, terwijl dat later wel is uitgevoerd, behoeft geen bespreking. [appellant] heeft deze grond, zo volgt uit de aangevallen uitspraak, ter zitting bij de rechtbank ingetrokken. De rechtbank is daar vervolgens in de aangevallen uitspraak terecht ook niet op ingegaan. Er bestaat daarom geen aanleiding om dit in hoger beroep alsnog inhoudelijk te bespreken.

10.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn grond over de parkeersituatie ter plaatse. Hij wijst op het door hem aangevoerde, dat de achteruitrijruimte bij de oostelijke rijweg 5 m bedraagt en bij de westelijke rijweg nog minder. Volgens de parkeernormen zouden deze beide banen volgens de NEN-2443 6 m moeten zijn, rekenend met tweezijdige haakse parkeervakken en met tweerichting verkeer. Hierdoor is het aantal daadwerkelijk te realiseren parkeerplaatsen lager. Verder heeft men er geen rekening mee gehouden dat padel altijd een dubbelspel is, anders dan tennis, waardoor er gemiddeld meer bezoekers zijn. Dat betekent dat er ook meer parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, aldus [appellant].

10.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de weg staat aan een inhoudelijke bespreking van deze grond van [appellant]. Daartoe stelt het college dat de afstand tussen de parkeerplaats van het tennispark en het perceel van [appellant] over de openbare weg 600 m bedraagt. Dat [appellant] hinder zal ondervinden van parkerende auto’s van bezoekers van de tennisbaan is volgens het college niet waarschijnlijk.

10.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

10.3.    De afstand van het perceel van [appellant] tot aan de ingang van de tennisvereniging is ongeveer 600 m. De Maaldrift is een smalle landweg, met een grasberm en aansluitend daarop een sloot of greppel. Het is een strook asfalt die niet is voorzien van belijning, fietspaden en/of parkeervakken. Parkeren op de Maaldrift ter hoogte van het perceel van [appellant] is alleen mogelijk in de onverharde berm naast de sloot of greppel. Ter zitting is gebleken dat de kans op overlast van parkerende auto’s van het tennispark op de Maaldrift nabij het perceel van [appellant] niet aanwezig is. De Afdeling acht het daarom uitgesloten dat [appellant] overlast zal ondervinden van een eventueel tekort aan parkeerplaatsen op het perceel van het tennispark. Het relativiteitsvereiste staat in zoverre aan vernietiging van het besluit van 24 oktober 2017, aangepast bij besluit van 8 maart 2018, in de weg.

    Ook het betoog van [appellant] over de afmetingen van de parkeerplaatsen kan niet tot vernietiging van het besluit van 24 oktober 2017, aangepast bij besluit van 8 maart 2018, leiden. De regels die betrekken hebben op de afmetingen van parkeerplaatsen strekken niet tot de bescherming van de belangen van [appellant], maar van degenen die gebruik maken van de parkeerplaatsen.

11.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen. In dat verband stelt hij dat het bij de omgevingsvergunning behorende lichthinderrapport, opgesteld door Aerolux B.V. van 20 februari 2018 alleen betrekking heeft op de toevoeging van de padelbanen en geen rekening houdt met de al aanwezige lichtmasten. Verder voert hij daartoe aan dat er onvoldoende rekening mee is gehouden dat een dergelijke uitbreiding van het tennispark voor hem niet voorzienbaar was. Toen hij het perceel [locatie 2] kocht was het perceel waarop de padelbanen zijn voorzien nog groen en stond er alleen betonnen dierenhok. Omdat het perceel te klein is voor een tennisbaan, had hij er niet vanuit hoeven gaan dat er een padelbaan zou komen, aldus [appellant].

11.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij het afwegen van de verschillende belangen van belang heeft mogen achten dat het bestemmingsplan het toelaat dat op het perceel lichtmasten van 10 m hoog worden gebouwd. De ruimtelijke afweging over de aanvaardbaarheid van lichtmasten met deze hoogte is bij de vaststelling van het bestemmingsplan reeds gemaakt. Het project voorziet in lichtmasten van 6 m hoog. Dat is minder dan wanneer de maximale planologische mogelijkheden worden benut. Dat het lichtrapport van Aerolux B.V. alleen betrekking heeft op de toe te voegen padelbanen is daarom te verklaren. In zoverre heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de belangen van [appellant] onvoldoende heeft meegewogen.

    Het betoog faalt in zoverre.

11.2.    Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] met een uitbreiding van het tennispark rekening had moeten houden. Het tennispark is al jaren ter plaatse gevestigd. Het gedeelte van het perceel waarop de padelbanen zijn voorzien is weliswaar te klein voor een tennisbaan, maar het college heeft er terecht op gewezen dat daar op grond van het bestemmingsplan wel een of meer minitennisbanen of een oefenmuur mogen worden gerealiseerd. De rechtbank heeft in het door [appellant] aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in zoverre zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen bij het verlenen van omgevingsvergunning voor de twee padelbanen.

    Het betoog faalt ook in zoverre.

12.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad van de gemeente Wassenaar weliswaar een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven, maar dat de raad dat besluit heeft genomen op basis van onjuiste informatie van het college. In dat verband wijst hij erop dat de ruimtelijke onderbouwing fouten bevat en de raad op basis van deze foutieve ruimtelijke onderbouwing een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven.

12.1.    De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad op basis van onjuiste informatie bij besluit van 10 oktober 2017 een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven. De raad had ten tijde van het besluit tot afgeven van een verklaring van geen bedenkingen de beschikking over de bij het besluit behorende ruimtelijke onderbouwing en de nota waarin de zienswijze van [appellant] is beantwoord. Zoals volgt uit deze uitspraak heeft het college zijn besluit om omgevingsvergunning kunnen baseren op de bij het besluit van 24 oktober 2017 behorende ruimtelijke onderbouwing. Dat er in de ruimtelijke onderbouwing abusievelijk wordt geschreven dat de wanden van de padelbanen als ballenvangers fungeren, zoals door het college is erkend, betekent niet dat de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat het college niet de beschikking had over een verklaring van geen bedenkingen van de raad, omdat deze op onjuiste informatie zou zijn gebaseerd.

    Het betoog faalt.

13.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. In dat verband wijst hij er op dat de padelbaan binnen 2 m van de erfgrens wordt gerealiseerd, wat volgens hem in strijd is met artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), omdat daarmee uitzicht op zijn erf wordt gecreëerd. Verder wijst hij op artikel 5:59 van het BW. Door het realiseren van de padelbanen kan hij geen werkzaamheden aan de mandelige sloot meer uitvoeren.

13.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in onder meer de uitspraak van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:382, is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

13.2.    De rechtbank heeft in het door [appellant] aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat er een evidente privaatrechtelijke belemmering aan verlening van omgevingsvergunning voor de padelbanen in de weg staat. Het door [appellant] bedoelde artikel 5:50, eerste lid, van het BW heeft betrekking op vensters of andere muuropeningen binnen 2 m van de erfgrens. Een padelbaan met omheining heeft geen venster of een andere muuropening. Het door [appellant] over artikel 5:59 van het BW aangevoerde levert ook geen evidente privaatrechtelijke belemmering op. Niet is gebleken dat door het realiseren van de padelbanen [appellant] of [vergunninghouder] geen werkzaamheden aan de mandelige sloot meer kunnen uitvoeren, nu het project niet voorziet in enige wijziging aan de slootzijde aan de kant van [appellant].

    Het betoog slaagt niet.

14.    Het betoog van [appellant], dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er feitelijk onvoldoende ruimte is om de padelbanen te realiseren, slaagt niet. Het college is gehouden een besluit te nemen op de aanvraag. Uit de aanvraag en daarbij behorende gegevens en bescheiden, waaronder meetresultaten die in opdracht van [vergunninghouder] zijn uitgevoerd, heeft het college terecht niet de conclusie getrokken dat het project, gelet op de beschikbare ruimte, niet uitvoerbaar is. De door [appellant] overgelegde metingen van Google Maps maken dit niet anders.

15.    [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar een alternatieve plaats voor de padelbanen op het perceel. Hij wijst er op dat de padelbanen op de huidige tennisbanen 1, 2 of 3 kunnen worden gerealiseerd. Volgens hem heeft niemand daar bezwaar tegen.

15.1.    Het college dient te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project, zoals daarvoor vergunning is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren, (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2830).

15.2.    Het door [appellant] voorgestelde alternatief leidt er toe dat er een tennisbaan moet worden opgegeven. Bij realisering van de padelbanen zoals aangevraagd is dit niet het geval. Alleen al om deze reden kan met het door [appellant] geboden alternatief geen gelijkwaardig resultaat worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

    Het betoog slaagt niet.

Conclusie en slot

16.    Het hoger beroep is ongegrond.

17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Kamphorst-Timmer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

776.