Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201806146/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:5983, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2017 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding rondom het perceel [locatie 1] te Limmen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806146/1/A1.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Limmen, gemeente Castricum,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2018 in zaak nr. 17/4764 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Castricum.

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2017 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding rondom het perceel [locatie 1] te Limmen, afgewezen.

Bij besluit van 5 september 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [belanghebbende] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2019, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kuijpers-IJmker en M. Aardenburg, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het perceel in kwestie is in eigendom van [belanghebbende]. Rondom het perceel is een erfafscheiding gerealiseerd, die het perceel scheidt van de naastgelegen percelen [locatie 2] en [locatie 3] en, aan de achterzijde, van het perceel van [appellant] aan het [locatie 4]. [appellant] stelt hinder te ervaren door de erfafscheiding omdat deze leidt tot een verslechtering van zijn uitzicht en een vermindering van de lichtinval in zijn eetkeuken.

    [appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding omdat deze volgens hem ten onrechte zonder een op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleende omgevingsvergunning voor bouwen is opgericht. Het college heeft dit verzoek bij het besluit van 7 maart 2017 afgewezen op de grond dat geen sprake is van een overtreding. De erfafscheiding is volgens het college niet hoger dan 2 m en mag daarom op grond van artikel 2, aanhef en twaalfde lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) zonder omgevingsvergunning worden gebouwd. Het college heeft dit standpunt in het besluit van 5 september 2017 gehandhaafd.

2.    Ingevolge artikel 2, aanhef en twaalfde lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor is een omgevingsvergunning voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding niet vereist, mits - voor zover thans van belang - deze niet hoger is dan 2 m.

    Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van deze bijlage worden hoogten gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.

2.1.    De rechtbank heeft, in de kern weergegeven, het volgende overwogen. Het is niet in geschil dat de percelen [locatie 2], [locatie 1] en [locatie 3] zijn of worden opgehoogd na voltooiing van de bouw van de woningen op deze percelen. Deze ophoging houdt verband met de afwerking van de percelen als bouwkavels en past ook bij het verdere verloop van het terrein. Daarom moeten de opgehoogde of op te hogen perceeldelen worden aangemerkt als de aansluitende afgewerkte terreinen die bij de vaststelling van de hoogte van de erfafscheiding tot uitgangspunt worden genomen. Daarvan uitgaande is de erfafscheiding niet hoger dan 2 m. Volgens de rechtbank heeft het college zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat voor het bouwen van de erfafscheiding geen omgevingsvergunning is vereist, zodat er geen sprake is van een overtreding.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat bij het bepalen van de hoogte van de erfafscheiding niet moet worden gemeten vanaf de opgehoogde terreinen, maar vanaf 1,75 m boven Normaal Amsterdams Peil. Dat peil is volgens [appellant] namelijk genoemd in het bestemmingsplan. Daaraan kan niet afdoen dat in een bouwvergadering op 4 mei 2012 is bepaald dat onder meer de woningen in kwestie hoger worden aangelegd, aldus [appellant]. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank de ophoging buiten beschouwing had moeten laten omdat de percelen kunstmatig zijn opgehoogd. [appellant] heeft verder ter zitting nader toegelicht dat het perceel richting de zijde waaraan het met dat van [appellant] grenst, licht afloopt. Die omstandigheid is ten onrechte bij de wijze van meten buiten beschouwing gebleven.

3.1.    Over het laatste betoog van [appellant], overweegt de Afdeling het volgende. In de nota van toelichting bij artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 139), is benadrukt dat het bouwwerk rondom gemeten moet voldoen aan de hoogtebepalingen en dat dus niet moet worden gemeten met een gemiddelde terreinhoogte of vanaf het laagste punt van het aansluitend afgewerkt terrein. Met andere woorden: op ieder punt van het bouwwerk moet, gemeten vanaf het afgewerkt terrein, aan de van toepassing zijnde hoogtebepaling worden voldaan. Bij een aflopend terrein betekent dit dat de maximale hoogte van een bouwwerk als het ware het hoogteverloop van het terrein volgt. Het college heeft terecht op deze wijze gemeten.

3.2.    Over het betoog dat niet vanaf het juiste peil is gemeten, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het onder 2 weergegeven wettelijk kader volgt dat de hoogte van de erfafscheiding wordt gemeten met toepassing van artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor. Volgens deze bepaling moet worden gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein. Zoals ook blijkt uit de nota van toelichting, gaat het om de staat van het terrein zoals dat na voltooiing van de bouw is afgewerkt. In aanvulling op deze algemene meetbepaling is in dit onderdeel van het Bor het criterium toegevoegd dat niet bij het verdere verloop van het terrein passende ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk buiten beschouwing moeten blijven. In dat geval dient te worden gemeten vanaf de oorspronkelijke, vóór de plaatsgevonden ophoging of verdieping aanwezige, als natuurlijk aan te merken terreinhoogte, aldus de nota van toelichting. Deze aanvulling is toegevoegd om ongewenste omzeiling van de hoofdregel, de algemene meetbepaling, te voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan het aanleggen van een kunstmatige plaatselijke ophoging, uitsluitend met het oog op verhoogde plaatsing van een bouwwerk. Hierdoor oogt de op de verhoging geplaatste bebouwing hoger dan passend is bij het verdere verloop van het terrein. Daarom moet in dergelijke gevallen bij de bepaling van de bouwhoogte zo’n terreinverhoging buiten beschouwing blijven.

3.3.    Zoals hiervoor, onder 3.2., is overwogen, gaat het bij de bepaling van de hoogte van de erfafscheiding om de hoogte ten opzichte van het terrein zoals dat na voltooiing van de bouw is afgewerkt. Dat, zoals [appellant] betoogt, in de waterparagraaf in de bijlage van de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld dat de planhoogte op 1,75 m boven Normaal Amsterdams Peil is vastgesteld, is bij de hoogtebepaling dus niet van belang.

    Het perceel is al gedeeltelijk opgehoogd en afgewerkt. Een deel zal nog op dezelfde wijze worden opgehoogd en afgewerkt, zoals dat ook al bij de naastgelegen percelen [locatie 2] en [locatie 3] is gebeurd. Aan de voet van de erfafscheiding bevinden zich verder geen ophogingen of verdiepingen die niet bij het verdere verloop van het terrein passen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college bij de bepaling van de hoogte van de erfafscheiding terecht het afgewerkt terrein - dus de perceelhoogte na voltooiing van de werkzaamheden - als uitgangspunt heeft genomen. Uitgaande van dit terrein is de erfafscheiding op geen enkel punt hoger dan 2 m.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat voor de bouw van de erfafscheiding geen omgevingsvergunning is vereist.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt verder dat het college niet tijdig op zijn bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2017 heeft beslist. Het college heeft daarom een dwangsom verbeurd, maar heeft deze ten onrechte nog niet vastgesteld, aldus [appellant].

4.1.    [appellant] heeft deze grond eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom het betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, hetgeen [appellant] uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

5.    [appellant] heeft de Afdeling tot slot verzocht om de beslissing die is genomen in de bouwvergadering van 4 mei 2012 over het peil voor de nieuwbouwwoningen als onrechtmatig aan te merken en om vast te stellen dat deze woningen daardoor te hoog zijn. Verder heeft [appellant] de Afdeling verzocht het college op te dragen om de hoogte van de wegen uit te voeren overeenkomstig het bestemmingsplan en om te stoppen met het uitvoeren van plannen die in strijd zijn met het bestemmingsplan.

5.1.    In dit geding is het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek met betrekking tot de erfafscheiding aan de orde. Het betoog van [appellant] over het peil van de nieuwbouwwoningen en de uitvoering van het bestemmingsplan houdt daarmee geen verband en kan verder onbesproken blijven.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Helder    w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

262-912.