Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
201804533/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:4423, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2016 heeft de CSG de aanvraag van [appellant] voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804533/1/A2.

Datum uitspraak: 23 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 april 2018 in zaak

nr. 18/477 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2016 heeft de CSG de aanvraag van [appellant] voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.

Bij besluit van 7 april 2017 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F. Çelen, advocaat te Rotterdam, en de CSG, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De CSG kent uit het fonds onder meer uitkeringen toe aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.

1.1.    [appellant] heeft op 19 februari 2016 een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds ingediend bij de CSG in verband met een mishandeling op 1 december 2015 als gevolg waarvan hij letsel aan zijn rechterarm en nek heeft opgelopen. Daarnaast heeft hij aangegeven hieraan ook psychisch letsel te hebben overgehouden. Aan het besluit van 25 oktober 2016, gehandhaafd bij het besluit van 7 april 2017, heeft de CSG ten grondslag gelegd dat er onvoldoende objectieve informatie is om aannemelijk te kunnen achten dat hij slachtoffer werd van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: de Wsg). Op grond van het beleid van de CSG is alleen een verklaring van het slachtoffer onvoldoende om de aannemelijkheid te kunnen vaststellen. Verder zijn er aanwijzingen die [appellant]s stelling dat er géén aanleiding was voor de mishandeling, niet ondersteunen. Daarnaast kan medische informatie niet worden gebruikt om de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond aannemelijk te maken, aldus de CSG.

Wettelijk kader

2.    Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg luidt:

"Uit het fonds kunnen uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen."

    Artikel 5 luidt: "Een uitkering kan achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen."

De uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het geweldsmisdrijf dat heeft plaatsgevonden op 1 december 2015 onvoldoende duidelijk zijn geworden, zodat [appellant] niet in aanmerking komt voor een uitkering. Het dossier bevat slechts summiere informatie over de aanleiding voor het geweldsmisdrijf. De enige verklaring over de aanleiding voor de mishandeling is gelegen in [appellant]s eigen verklaring. De CSG heeft kunnen overwegen dat het aandeel van [appellant] in het ontstaan van het geschil niet duidelijk is geworden nu het een geschil betreft dat in de familiesfeer speelt en partijen over en weer aangifte hebben gedaan, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep

4.    [appellant] bestrijdt dit oordeel van de rechtbank. Volgens [appellant] staat in zijn aangifte goed omschreven hoe het geweldsmisdrijf heeft plaatsgevonden, namelijk dat hij zonder aanleiding is aangevallen. Een getuige van dit voorval, [appellant]s zus, heeft dit ook gezien. Haar verklaring is ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Verder heeft [appellant] geprobeerd aannemelijk te maken dat er geen sprake was van problemen tussen hem en de verdachte. Ter onderbouwing hiervoor verwijst hij naar de omstandigheid dat de verdachte uit eigen initiatief in het voordeel van [appellant] wilde getuigen in de strafzaak tegen [appellant]. Dit zou blijken uit het proces-verbaal van de zitting van 6 januari 2015. [appellant] vermoedt dat de dader aanzien wilde verwerven bij motorclub Hells Angels, waar hij lid van is. Dit vermoeden vindt bevestiging in de omstandigheid dat de rechtbank werd omsingeld door leden van deze motorclub en het bericht dat op de dag van het geweldsmisdrijf op de site van vlinderscrime.nl werd geplaatst. Uit dit bericht kan worden opgemaakt dat het geweld van tevoren is gepland. Tot slot wijst [appellant] op de medische stukken waaruit blijkt dat hij blijvend letsel heeft overgehouden aan de mishandeling.

4.1.    De CSG heeft de aanvraag van [appellant] getoetst aan de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 maart 2017 (hierna: de Beleidsbundel). Volgens paragraaf 1.1.4.1 de Beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden (zoals bij de strafrechter), maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. Deze beoordeling bestaat uit de volgende elementen. In de eerste plaats is de feitelijke geweldshandeling van belang. Daarnaast moet voor de aannemelijkheid ook de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Volgens paragraaf 1.1.4.3 is de eigen verklaring van een slachtoffer onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen.

    Volgens paragraaf 1.1.4.5 kan het zo zijn dat het Schadefonds aanvullende informatie nodig heeft. Dat is ook het geval als er wel aangifte is gedaan, maar wanneer de aangifte van het slachtoffer ook onvoldoende duidelijk is over wat er precies is gebeurd. Het kan zijn dat de verklaring van het slachtoffer vragen oproept of dat er om bepaalde redenen wordt getwijfeld aan zijn verklaring. Ook wanneer deze elementen niet of onvoldoende blijken uit het politieonderzoek of uit een uitspraak van de strafrechter, wordt de aanvraag in beginsel afgewezen. Toekenning van een tegemoetkoming is in zulke gevallen alleen mogelijk als er aanvullende informatie bestaat. Dit geldt ook als de aangifte geen strafrechtelijk vervolg heeft gekregen. Volgens deze paragraaf wordt een aanvraag afgewezen als de opgave van het slachtoffer onvoldoende is onderbouwd met objectieve aanwijzingen.

    Volgens paragraaf 1.1.4.7 kan het feit dat iemand bepaald fysiek of geestelijk letsel heeft, geen uitsluitsel geven over wat er is gebeurd. Medische informatie kan in beginsel niet worden gebruikt om de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond aannemelijk te maken. Medische informatie kan een verklaring van het slachtoffer over de aannemelijkheid slechts in (zeer) beperkte mate ondersteunen.

    Volgens paragraaf 1.4.1 gaat het Schadefonds voor de beoordeling van het eigen aandeel na of het slachtoffer het geweldsmisdrijf had kunnen en moeten voorkomen. Hierbij kijkt het of het slachtoffer zichzelf onnodig in een situatie heeft gebracht waarin hij geweld kon en moest verwachten. Als sprake is van eigen aandeel, kan het Schadefonds een aanvraag volledig afwijzen of op een lager bedrag vaststellen.

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3543 is het aan de aanvrager van een uitkering uit het fonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.

    Niet in geschil is dat [appellant] op 1 december 2015 is mishandeld en daarbij letsel heeft opgelopen. Vaststaat dat hij hiervan diezelfde dag aangifte heeft gedaan bij de politie en dat het Openbaar Ministerie nog geen beslissing heeft genomen over deze aangifte. Uit het besluit van 25 oktober 2016 blijkt dat de CSG de verklaring van [appellant]s zus, die getuige was van dit voorval, heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Omdat zij de zus is van [appellant] en tevens de ex-vriendin is van de verdachte, heeft de CSG haar terecht aangemerkt als een niet-onafhankelijke getuige. Haar verklaring is dan ook niet objectief te noemen.         

        Verder staat vast dat de verdachte aangifte heeft gedaan tegen [appellant] wegens mishandeling en bedreiging met geweld op 1 oktober 2013. De mishandeling van [appellant] door de verdachte vond plaats op 1 december 2015, voorafgaand aan de zitting van de politierechter over de mishandeling van de verdachte door [appellant]. Voorts staat in het proces-verbaal van de verklaring van [appellant]s zus: "Het loopt al sinds 2013 en het moet een keer afgelopen zijn". In het proces-verbaal van [appellant]s verklaring staat dat hij zou hebben gezegd: "Hé [naam 1] (verdachte), laten we na vandaag alles achter ons laten. Je hebt tenslotte twee kinderen van mijn zus, het heeft geen zin meer dat gebakkelei". [appellant] heeft bij zijn aangifte verklaard dat [naam 1] voor de mishandeling heeft gezegd: "Luister [naam 2], je bent echt vies. Je hebt verklaard dat ik op het kamp met een handgranaat heb rondgelopen. Hier heb ik op zitten wachten." Hieruit blijkt niet dat [appellant] zonder aanleiding is aangevallen. Tevens heeft de CSG op grond van het voorgaande mogen aannemen dat er sprake is van een langer lopend conflict tussen [appellant] en de verdachte en dat het incident niet los kan worden gezien van wat daaraan vooraf ging.

        [appellant] wijst op de omstandigheid dat de verdachte uit eigen initiatief in het voordeel van [appellant] wilde getuigen in de strafzaak tegen [appellant]. Uit het proces-verbaal van de zitting van 6 januari 2015 blijkt echter alleen dat de politierechter heeft meegedeeld aan [appellant]: "De bode heeft mij voorafgaand aan de zitting laten weten dat hij [belanghebbende] op de gang tegen u hoorde zeggen dat hij wilde getuigen in uw zaak. Hij deed dat op het moment dat hij de zittingszaal verliet waar net zijn eigen zaak was behandeld en u naar de zittingszaal liep voor de behandeling van uw zaak." Hieruit blijkt niet dat de verdachte in het voordeel van [appellant] wilde getuigen in de strafzaak tegen [appellant]. [appellant] heeft hiermee dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er geen sprake was van problemen tussen hem en de verdachte.

    [appellant] wijst voorts op de medische stukken waaruit blijkt dat hij blijvend letsel heeft overgehouden aan de mishandeling. Op grond van haar beleid heeft de CSG zich terecht op het standpunt gesteld dat medische informatie niet kan worden gebruikt om de aanleiding van het geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. Voorts heeft de CSG het bericht op de site van vlinderscrime.nl terecht buiten beschouwing gelaten, omdat dit niet te verifiëren is.     

    Uit het voorgaande volgt dat de CSG zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanleiding van de mishandeling onvoldoende duidelijk is gebleven en dat het mogelijke eigen aandeel van [appellant] niet duidelijk is geworden op grond van de informatie die zij ter beschikking heeft. Dat de strafzaak tegen [appellant] inmiddels is geëindigd in een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie maakt dit niet anders, nu uit het strafvonnis niet blijkt wat de grond daarvoor was. De CSG heeft aan hem mogen tegenwerpen dat objectieve informatie ter ondersteuning van zijn aangifte ontbreekt. De CSG heeft in het besluit van 7 april 2017 opgemerkt dat het [appellant] vrij staat om, wanneer in beide strafzaken een rechterlijke beslissing of een beslissing van de officier van justitie om niet verder te vervolgen is genomen, de CSG te vragen de beslissing te herzien.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019

97-902.