Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201806916/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:4783, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2017 heeft de raad een aanvraag van [wederpartij B] om toekenning van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [wederpartij A] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806916/1/A2.

Datum uitspraak: 29 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2018 in zaak nr. 18/602 in het geding tussen:

[wederpartij A], wonend te [woonplaats],

[wederpartij B], kantoorhoudend te [plaats],

en

de raad.

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2017 heeft de raad een aanvraag van [wederpartij B] om toekenning van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [wederpartij A] afgewezen.

Bij besluit van 18 december 2017 heeft de raad de door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2018 heeft de rechtbank het door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2017 vernietigd en de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad hoger beroep ingesteld.

[wederpartij A] en [wederpartij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2019, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. Doets, en [wederpartij B], vergezeld door mr. S.L.J. Janssen, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De raad heeft op 23 juni 2017 aan [wederpartij B] een toevoeging verstrekt voor het verlenen van 24 uren rechtsbijstand aan [wederpartij A] in een strafzaak. Op 19 juli 2017 heeft [wederpartij B] een aanvraag ingediend om toekenning van 56 extra uren rechtsbijstand. Daarbij heeft [wederpartij B] toegelicht dat er negen medeverdachten zijn, de Officier van Justitie heeft aangegeven dat het dossier op dit punt in de procedure al ruim 40 ordners beslaat, er tientallen getuigenverhoren zullen plaatsvinden, er rechtshulpverzoeken naar de Verenigde Staten van Amerika en Oostenrijk zijn gestuurd en dat er veelvuldig gebruik gemaakt is van tapgesprekken, stelselmatige observatie, doorzoekingen, inbeslagnames en andere opsporingsmiddelen. Verder zal de zaak minimaal één jaar in beslag nemen, waarbij er meerdere pro forma-zittingen en regiezittingen zullen plaatsvinden. Voorts betreft de zaak grootschalige uitvoer van drugs, waarbij veel internationale aspecten een rol spelen. Het Openbaar Ministerie verdenkt [wederpartij A] ervan dat hij een grote rol in het geheel heeft gespeeld. Er vindt ook een onderzoek plaats naar het bestaan van een criminele organisatie. Verder zijn er grondstoffen aangetroffen waarvan de strafbaarheid erg ingewikkeld is. De nog te verrichten werkzaamheden bestaan volgens [wederpartij B] uit het bestuderen van het dossier, het horen van getuigen en medeverdachten, het doen van plaatselijk, dactyloscopisch- en DNA-onderzoek. Voorts zullen er wellicht deskundigen worden benoemd. Verder zal [wederpartij A] vele malen worden gehoord door de Koninklijke Marechaussee en dient [wederpartij B] overleg te voeren met de advocaten van de medeverdachten. [wederpartij B] heeft eveneens een Modelbegroting Straf, een urenstaat en een dagvaarding bijgevoegd.

2.    De raad heeft die aanvraag bij het besluit van 8 augustus 2017, gehandhaafd bij het besluit van 18 december 2017, afgewezen. Aan die afwijzing heeft de raad, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor Bezwaar van de raad, ten grondslag gelegd dat de aanvraag prematuur is ingediend. Ten tijde van het indienen van de aanvraag tekende de zaak zich nog niet af als feitelijk of juridisch complex, doordat bij [wederpartij B] nog onvoldoende bekend was over het verloop van de zaak en de omvang van het einddossier. Er hebben in de zaak nog uitsluitend twee pro forma-zittingen plaatsgevonden en het einddossier is nog niet beschikbaar. Verder behoren de tot dusverre verrichte proceshandelingen tot een normaal verloop van de zaak.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad het besluit van 18 december 2017 onvoldoende heeft gemotiveerd. De raad is in dat besluit niet ingegaan op de door [wederpartij B] in de aanvraag aangedragen omstandigheden die erop wezen dat het waarschijnlijk een complexe zaak betrof. Bovendien heeft de raad de door [wederpartij B] aangedragen omstandigheden niet getoetst aan de Beslisboom in het beleid over feitelijke complexiteit van zaken. Verder heeft de raad nagelaten om - zo mogelijk - navraag te doen bij het Openbaar Ministerie of de Koninklijke Marechaussee om te onderzoeken of - en zo ja - in hoeverre het een complexe zaak betrof.

Hoger beroep

4.    De raad betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het besluit van 18 december 2017 onvoldoende heeft gemotiveerd. Op het moment dat de aanvraag om extra uren werd ingediend was het einddossier nog niet beschikbaar en de tot dan toe verrichte werkzaamheden waren niet uitzonderlijk. Op dat moment tekende de zaak zich dan ook nog niet af als feitelijk complex. Verder is in het besluit van 18 december 2017 voldoende gemotiveerd dat nog niet werd toegekomen aan een toetsing aan de Beslisboom, omdat nog niet kon worden vastgesteld of en zo ja, welke aspecten daadwerkelijk van toepassing zouden zijn op de strafzaak.

4.1.    De toepasselijke regelgeving en het toepasselijke beleid is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4.2.     Uitgangspunt van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr) is dat de zaak binnen het forfait dat voor die zaak is bepaald, wordt afgehandeld. Daarom dient voorop te worden gesteld dat, gegeven dit forfaitaire karakter van het toevoegingenstelsel, niet iedere overschrijding van het aantal verleende uren tot honorering van een verzoek om extra uren behoeft te leiden.

Voorts is voor de beoordeling van het hoger beroep van belang dat bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag ziet op een bewerkelijke zaak, de raad beoordelingsruimte heeft.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 11 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3445) overweegt de Afdeling dat het bij bewerkelijke zaken gaat om toekomstige werkzaamheden en daarom moet worden bezien welke werkzaamheden naar verwachting in redelijkheid nog moeten worden verricht. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de in te dienen begroting en naar het moment van indiening van de aanvraag.

4.3.    De raad heeft de door [wederpartij B] in de aanvraag aangedragen omstandigheden niet getoetst aan de in het beleid van de raad over de feitelijke complexiteit van strafzaken opgenomen Beslisboom. Anders dan de raad desgevraagd ter zitting heeft gesteld, was niet op voorhand duidelijk dat, ondanks het ontbreken van het einddossier, toetsing van de in de aanvraag aangedragen omstandigheden aan de Beslisboom niet tot het oordeel zou kunnen leiden dat de zaak feitelijk complex is. De rechtbank heeft daarom met juistheid overwogen dat de raad ten onrechte heeft nagelaten de aanvraag aan de Beslisboom te toetsen.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen was de raad daarbij evenwel niet gehouden om navraag te doen bij het Openbaar Ministerie of de Koninklijke Marechaussee om te onderzoeken of - en zo ja - in hoeverre het een complexe zaak betrof. Het is aan [wederpartij B], als degene die een aanvraag om extra uren heeft ingediend, om aannemelijk te maken dat sprake is van een bewerkelijke zaak (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:950). De raad is niet verplicht om, los van de daartoe door [wederpartij B] overgelegde stukken, onderzoek te doen naar de complexiteit van de zaak.

4.4.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht, zij het deels op onjuiste gronden, geoordeeld dat de raad het besluit van 18 december 2017 onvoldoende heeft gemotiveerd.

4.5.    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    bepaalt dat van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Beek-Gillessen    w.g. Komduur

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019

809.

 

BIJLAGE

 

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 37

1. Het bestuur verstrekt aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor:

a. de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand.

[…]

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot:

a. het bedrag van de vergoeding en de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

b. de aanvraag van de vergoeding en de besluitvorming daarover;

[…]

Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000

Artikel 22

1. Ten aanzien van strafzaken die in de bijlage zijn aangemerkt als strafrecht verdachten wordt:

a. indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, 0,955 punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd;

[…].

Artikel 31

1. In afwijking van het eerste lid van artikel 28 dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikelen 13 en 22 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

2. Het bestuur stemt geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

[…].

Bij de toepassing van artikel 31 van het Bvr hanteert de raad beleid dat is neergelegd in werkinstructie ‘Eerste aanvraag extra uren’. In paragraaf 2.2 is voor wat betreft de vraag wat onder ‘doelmatig’ moet worden verstaan opgemerkt dat dit criterium is gekoppeld aan de feitelijke en/of juridische complexiteit van de zaak.

Ten aanzien van de feitelijke complexiteit is uiteengezet dat van een bewerkelijk zaak wordt gesproken, als sprake is van een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex, waardoor niet verwacht kan worden dat alle rechtsbijstand binnen de forfaitaire grens kan worden verleend. Feitelijke complexiteit moet objectief vast te stellen zijn in vergelijking met een soortgelijke zaak. Bijvoorbeeld uitvoerige inhoudelijke correspondentie, een bijzonder of langdurig procesverloop met een groot aantal zittingen of noodzakelijk overleg met een deskundige. Geen bewerkelijkheid van de zaak wordt aangenomen als uitsluitend wordt verwezen naar het aantal aan de zaak bestede uren, omvang van het dossier of factoren die herleidbaar zijn tot de persoon(lijkheid) van de rechtzoekende of wederpartij.

In de werkinstructie is verder vermeld dat voor strafrechtelijke zaken een beslisboom beschikbaar is, die snel een indicatie geeft of een zaak mogelijk bewerkelijk is.

De raad voert in aanvulling op de werkinstructie ‘Eerste aanvraag extra uren’ aanvullend beleid dat is neergelegd in de werkinstructie ‘Extra uren in strafrechtzaken’.

In die werkinstructie is vermeld dat voor de doelmatigheidstoetsing en de beoordeling van de begroting bij extra uren in strafrechtzaken de feitelijke complexiteit van een strafzaak nader is ingevuld. De feitelijke complexiteit in een strafzaak wordt aan de hand van de volgende omstandigheden beoordeeld:

1. Omvang van het dossier in relatie tot het aandeel dat verdachte daarin heeft;

2. Omvang van de getuigenverhoren en de daarmee gelijkgestelde werkzaamheden, zoals descente en Osloconfrontatie;

3. Omvang en aard van de feiten op de dagvaarding;

4. Proceshouding verdachte en medeverdachten;

5. Hoeveelheid zittingen waarop de zaak inhoudelijk wordt behandeld;

6. Grootschalige inzet van het opsporingsapparaat;

7. Tenlastelegging lidmaatschap van criminele organisatie;

8. Verzwarende omstandigheden.

Een strafzaak kan feitelijk complex zijn, als drie of meer van de bovenstaande omstandigheden van toepassing zijn. Het is aan de advocaat om dit te motiveren en aannemelijk te maken.

Beslisboom

Er is sprake van feitelijke complexiteit indien er sprake is van:

Ja    Nee

1. een omvangrijk dossier en het aandeel van de verdachte in de strafzaak is aanzienlijk

2. omvangrijke onderzoekshandelingen rechter-commissaris

3. een groot aantal feiten van ernstige aard

4. een ontkennende verdachte én medeverdachten

5. meerdere zittingen, niet zijnde enkel pro-forma zittingen

6. grootschalige inzet van het opsporingsapparaat

7. tenlastelegging van deelname aan een criminele organisatie

8. strafverzwarende omstandigheden

Zijn meer dan 3 van bovengenoemde aspecten met betrekking tot feitelijke complexiteit van toepassing, dan is de zaak mogelijk bewerkelijk.