Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1687

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
201902530/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902530/1/V3.

Datum uitspraak: 23 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2019 in zaak nr. NL19.4417 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 25 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling klaagt in grief 1 tot en met 4, in samenhang gelezen, dat de rechtbank ten onrechte, na een belangenafweging, heeft overwogen dat de gebreken tijdens de staandehouding, overbrenging en ophouding, niet maken dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris zo veel fouten heeft gemaakt dat dit gevolgen moet hebben voor de maatregel van bewaring.

2.    De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat de staatssecretaris geen compleet dossier heeft overgelegd, omdat essentiële stukken ontbraken. Uit de overwegingen van de rechtbank volgt daarnaast dat in het later overgelegde proces-verbaal van staandehouding, overbrenging, ophouding van 20 februari 2019 niet is aangekruist dat de mededelingen aan de vreemdeling zijn gedaan, waardoor uit het proces-verbaal niet blijkt dat zij is gewezen op het recht op bijstand door een raadsman, het recht op kennisgeving van de ophouding aan derden en het recht op beroep tegen de ophouding. Ook heeft de rechtbank overwogen dat in voornoemd proces-verbaal is aangekruist dat verlenging van de ophouding niet van toepassing is, terwijl de ophouding juist wel is verlengd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk en de staatssecretaris de reden daarvan ten onrechte niet schriftelijk heeft vastgelegd in het besluit. Ter zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris ten slotte erkend dat het besluit tot verlenging van de ophouding eerst onbevoegd was genomen en dat vervolgens te laat een bevoegd besluit is genomen.

2.1.    Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt dat er een opeenstapeling is van gebreken tijdens de staandehouding, overbrenging en ophouding. Omdat deze opeenstapeling voorafgaat aan de vrijheidsontneming van de vreemdeling weegt dit voor de Afdeling zwaar. Als de staatssecretaris zwaarwegende belangen heeft, is er ruimte de maatregel van bewaring toch rechtmatig te achten (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2814). Daarvan is in dit geval niet gebleken. Daarom valt de belangenafweging in het nadeel van de staatssecretaris uit. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Wat de vreemdeling voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 februari 2019 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. De maatregel van bewaring wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft de vreemdeling recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris, nu de minister van Justitie en Veiligheid, moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2019 in zaak nr. NL19.4417;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag wordt opgeheven;

V.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 7.360,00 (zegge: zevenduizend driehonderdzestig euro) over de periode van 20 februari 2019 tot en met 22 mei 2019, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

VI.    veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.792,00 (zegge: zeventienhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. H.G. Seventer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Ahmady-Pikart

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2019

638-918.