Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1676

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
201709862/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Van Alcmaerlaan Hoogmade" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709862/1/R3.

Datum uitspraak: 22 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Hoogmade,

2.    [appellant sub 2], wonend te Hoogmade,

3.    [appellant sub 3], wonend te Hoogmade,

en

de raad van de gemeente Kaag en Braassem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Van Alcmaerlaan Hoogmade" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2], [appellant sub 3] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2019, waar zijn verschenen:

-    [appellant sub 1],

-    [appellant sub 2] en [appellant sub 3], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B],

-    de raad, vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw en ing. F.W. van Haastregt.

Tevens is ter zitting gehoord Stichting Woondiensten Aarwoude, vertegenwoordigd door [gemachtigde C].

Daartoe in de gelegenheid gesteld door de Afdeling heeft de raad na de zitting schriftelijk gereageerd op een door [appellant sub 2] en [appellant sub 3] overgelegd nader stuk. [appellant sub 2] heeft daar vervolgens weer een schriftelijke reactie op gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht opnieuw ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 10 sociale huurwoningen mogelijk aan de Van Alcmaerlaan in Hoogmade.

Het plangebied is het noordelijke gedeelte van het terrein van basisschool Ter Does. Het zuidelijke deel van het terrein is bestemd voor een nieuwe Brede School. Daarvoor is eerder het bestemmingsplan "Brede school Hoogmade" vastgesteld.

Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door de Schoollaan en aan de westzijde door een begraafplaats en stiltetuin aan de Kerkstraat.

2.    [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben woningen in bezit aan de Schoollaan en de Van Alcmaerlaan in Hoogmade.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1]

Overvol plangebied

4.     Volgens [appellant sub 1] maken de woningen het plangebied overvol. Het plangebied had onder het voorgaande plan de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" en [appellant sub 1] vindt het onwenselijk dat deze bestemming wordt opgeofferd voor woningbouw. Hij wijst erop dat de woningen beter buiten de kern van het dorp kunnen worden gerealiseerd.

Verder voert [appellant sub 1] aan dat woningbouw op het terrein van de basisschool ongewenst is, omdat deze ruimte in de toekomst ten onrechte niet meer kan worden gebruikt voor buitenonderwijs, natuureducatie of een potentiele uitbreiding van het schoolgebouw.

4.1.    De raad stelt dat de woningen aansluiten bij de bestaande lintbebouwing langs de Van Alcmaerlaan. Van een overvol plangebied is geen sprake, aldus de raad. Volgens de raad is een locatie met voorheen de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" uitermate geschikt voor sociale woningbouw.

De raad stelt verder dat de woningbouw niet leidt tot een beperking van het speelplein of de speelvoorzieningen van de school. De oppervlakte van het schoolplein blijft in de nieuwe situatie hetzelfde en voldoet aan de norm. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat er naast het schoolplein een  trapveldje is en dat er 150 m2 overblijft die als groene ruimte voor de school kan worden ingericht.

4.2.    Niet in geschil is dat het plan voorziet in een toename van het bebouwde oppervlak in Hoogmade. Het plangebied behoort echter tot de kern van Hoogmade en de voorziene bebouwing sluit aan op het bestaande bebouwingslint. Gelet op de bestaande woningen en andere (dorps)functies in de omgeving van het plangebied valt verder niet in te zien dat het plangebied geen geschikte locatie voor woningbouw zou zijn.

Verder acht de Afdeling niet aannemelijk dat het plan ertoe leidt dat voor de Brede School niet meer voldoende buitenruimte overblijft. Niet gebleken is dat de school bezwaren heeft tegen dit plan en de school heeft ook geen beroep ingesteld tegen het plan.

De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plangebied een geschikte plek is om woningbouw mogelijk te maken.

Het betoog faalt.

Groenkern

5.    [appellant sub 1] stelt dat de realisatie van de 10 woningen aan de Van Alcmaerlaan ten koste gaat van de al schaarse groene ruimte in de kern van het dorp. Het bestreden plan is in zoverre in strijd met het beleid van de gemeente, waarin staat dat het dorp Hoogmade is aangewezen als groenkern binnen de gemeente Kaag en Braassem, aldus [appellant sub 1].

5.1.    In de MRSV is Hoogmade aangewezen als groenkern. Op p. 36 staat:

"De bouw van nieuwe woningen in de groenkernen gaan we ontmoedigen. Dit betekent dat we in die kernen alleen willen meewerken aan initiatieven die kwaliteit aan de bestaande woonkern toevoegen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een kleine herstructurering of het toevoegen van een ontbrekend type woning (zoals een woongroep voor ouderen). Bij alle nieuwbouwplannen moet een heldere onderbouwing komen voor het bouwprogramma, zowel kwantitatief als kwalitatief."

5.2.    In de plantoelichting staat in paragraaf 3.5 onder meer:

"Het plangebied ligt in de kern Hoogmade. Deze kern is aangewezen als groenkern. Het verdichten van het bestaand stedelijk gebied met nieuwe woningen is in lijn met de MRSV wanneer sprake is van het kwalitatief uitbreiden van het woningaanbod binnen het bestaand stedelijk gebied. Voorliggend initiatief is aan te merken als kleinschalige transformatie in samenhang met de ontwikkeling van een Brede school, hetgeen in lijn is met de strategische keuzes. Het woningbouwprogramma voor dit plan voorziet in een verdere diversificatie van het woningaanbod in Hoogmade met 100% sociale huurwoningen. De beoogde ruimtelijke kwaliteit is daarmee in voldoende mate aangetoond."

5.3.    Anders dan [appellant sub 1] kennelijk veronderstelt, volgt uit de MRSV niet dat de aanwijzing van Hoogmade als "groenkern" betekent dat het groen dat in plangebied aanwezig is moet worden behouden of belet dat hier woningbouw mogelijk wordt gemaakt. Uit de MRSV volgt dat in het plangebied alleen woningbouw mag worden voorzien als die kwaliteit toevoegt aan de bestaande kern. De raad heeft toegelicht waarom dat naar zijn mening het geval is. De Afdeling ziet geen reden voor het oordeel dat deze toelichting in het licht van de MRSV ontoereikend is. Daarom faalt het betoog.

6.    [appellant sub 1] betoogt verder dat de gevolgde procedure onzorgvuldig is geweest. Er is namelijk onvoldoende ingegaan op zijn zienswijze. Zo is zonder onderbouwing gesteld dat het plan goed doordacht is en van een overvol plangebied geen sprake is.

Verder wijst [appellant sub 1] erop dat in de zienswijzennota staat dat het uitzicht op de kerktoren vanuit zijn appartement blijft bestaan. Het geraamte van het nieuwe schoolgebouw is inmiddels gereed en het zicht op de kerktoren is volgens [appellant sub 1] beperkt. De zienswijzennota is volgens hem daarom misleidend.

Ook is slechts summier ingegaan op de argumenten over het behoud van groen in het dorp. Het is onvoldoende duidelijk wat de raad verstaat onder "voldoende" groen, aldus [appellant sub 1].

6.1.    De raad is van mening dat de zienswijze van [appellant sub 1] afdoende is beantwoord in de zienswijzennota. Dat het zicht op de kerktoren wordt beperkt, maakt niet dat de toren in het geheel niet zichtbaar meer is en daarmee de zienswijzennota misleidend is geweest.

Verder stelt de raad dat, zoals in zienswijzennota ook is verwoord, de nieuwbouwlocatie voldoende groen wordt ingericht. De woningen worden zodanig gepositioneerd dat de achterzijde van de tuinen direct gelegen zijn aan het kerkhof. Tussen het kerkhof en de tuinen ligt een groene buffer. Het kerkhof houdt dus zijn groene omzoming, aldus de raad.

6.2.    In de zienswijzennota wordt als volgt gereageerd op de zienswijze dat het plangebied te vol wordt:

"Het ontwerp voor de Brede School gecombineerd met woningbouw is goed doordacht en zoekt aansluiting met de bestaande omgeving. Op bovenaanzichten is goed te zien dat met het realiseren van woningen de lijn van lintbebouwing langs de Van Alcmaerlaan in feite wordt doorgezet. Deze woningen schermen bovendien het achterliggende gebied af, waardoor er een schoolplein ontstaat met meer beschutting en dus ook veiliger aanvoelt. Van een overvol plangebied is geen sprake."

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee toereikend gemotiveerd waarom hij de zienswijze van [appellant sub 1] over de kwaliteit en de omvang van de bebouwing in het plangebied niet deelt: er is aansluiting gezocht met de bestaande omgeving door de lintbebouwing langs de Van Alcmaerlaan door te zetten. Daarnaast heeft de raad belang toegekend aan het afschermen van het achterliggende gebied door de woningen. Dat de raad het plangebied niet "overvol" vindt, is een waardering die niet verder hoefde te worden onderbouwd.

6.3.    Verder staat in de zienswijzennota:

"Qua aard en schaal wordt er voor de nieuwe bebouwing aansluiting gezocht bij de bestaande bebouwing en het karakter van het gebied. Zoals te zien is op de impressiebeelden, blijven de appartementen aan de Schoollaan zicht houden op de kerktoren. Bovendien wordt er qua bouwstijl en uitstraling (kleur, materiaal, vormgeving) gezocht naar alternatieven die kenmerkend zijn voor het gebied. Deze te realiseren bebouwing is passend binnen de omgeving."

Dat volgens de zienswijzennota "de appartementen aan de Schoollaan zicht houden op de kerktoren" betekent niet dat dat uitzicht niet minder kan worden.

6.4.    Over het groen staat in de zienswijzennota:

"Voor het grootste deel van de inwoners van Hoogmade fungeert het groen in de huidige situatie als kijkgroen; alleen voor de schoolkinderen heeft het ook daadwerkelijk een gebruiksfunctie. De opzet van het huidige ontwerp (woningen en Brede School) is ingevuld met een groot deel aan groen. Tezamen met de groene bufferzone en het naastgelegen parkje (het nabijgelegen kerkhof en het open speelveld iets verderop) blijft er voldoende groen in deze omgeving bestaan. Daarnaast wordt aan de Lior 6.0 [Leidraad Inrichting Openbare Ruimte versie 6.0, ABRvS] zijnde 45m2 groen per woning voldaan."

De conclusie van de raad dat voldoende groen in de omgeving blijft bestaan, behoefde naar het oordeel van de Afdeling geen verdere onderbouwing. Er is immers aangegeven op welke plekken groen blijft bestaan, zodat duidelijk is wat de raad voldoende acht.

6.5.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad toereikend gemotiveerd heeft gereageerd op de zienswijzen van [appellant sub 1].

De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3]

Onjuiste berichtgeving

7.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat de gemeente in het bestemmingsplan, in de regionale pers en in de gemeenteraad heeft toegezegd dat er maximaal 10 woningen van één laag met één kap zullen worden gerealiseerd, met een goothoogte van 3 m en een bouwhoogte van 6 m. Uit de planregels en de verbeelding van het bestreden plan blijkt echter dat de bouw van 10 woningen met twee lagen en één kap wordt toegestaan, waarbij de goothoogte 6 m bedraagt en de bouwhoogte 10 m. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen dat de lager toegezegde goot- en bouwhoogten ten onrechte niet terugkomen in het plan. Deze handelswijze vinden zij misleidend en onzorgvuldig.

7.1.    De raad stelt dat er standaardhoogtes in het bestemmingsplan zijn opgenomen om de flexibiliteit in het plan te behouden. Dat er een hogere goot- en bouwhoogte is toegekend dan er naar waarschijnlijkheid gebouwd zal worden maakt volgens de raad niet dat er sprake is van misleidende communicatie naar derden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de toegekende standaardhoogtes passen binnen de omgeving. Volgens de raad staat in de bekendmaking van het bestemmingsplan evenmin als in de zienswijzennota vermeld dat de goot- en bouwhoogten naar aanleiding van de zienswijzen zouden worden verlaagd.

7.2.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben een krantenartikel overgelegd waarin een wethouder (door de krant geparafraseerd) de hoop uit dat de "Verontruste Hoogmadenaren" tevreden zijn met het plan, omdat "de huizen lager worden en het er minder zijn". Ter zitting hebben zij verder naar voren gebracht dat tijdens een overleg met (medewerkers van) de gemeente ter sprake is gekomen dat mogelijk niet de volledige bouw- en goothoogte in het plan zullen worden benut. Deze uitingen zijn onvoldoende voor het oordeel dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in lagere en bouw- en goothoogten zou voorzien. Uit het raadsvoorstel, de zienswijzennota, de plantoelichting en de overige planstukken blijkt ook niet dat op dit punt verwachtingen zijn gewekt. Daarom heeft de raad het plan niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Ook voor het overige ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in de gekozen bouw- en goothoogten.

Het betoog faalt.

Strijd met gemeentelijk beleid

8.    Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] is het plan in strijd met de Nota Inbreidingslocaties, waaruit volgt dat groene leefbare kernen essentieel zijn voor het toekomstige woongenot in Hoogmade.

Inbreiding op locaties die deel uitmaken van "andere groenvoorzieningen" en "openbare groenvoorzieningen" is op grond van paragraaf 1.3 en paragraaf 3.1 van de Nota niet toegestaan. Volgens [appellant sub 2] en

[appellant sub 3] is het plangebied zo’n locatie.

Zij stellen verder dat uit paragraaf 4.1 van de Nota volgt dat terughoudend moet worden omgegaan met inbreidingsinitiatieven binnen het oude bebouwingslint. Er staat dat het bestaande lint niet verder moet worden verdicht en dat woningbouw alleen is toegestaan wanneer er sprake is van een kwaliteitsverbetering. Ter zitting is namens [appellant sub 2] en

[appellant sub 3] gesteld dat de toelichting van de raad op dit punt niet overtuigend is. De ontwikkeling zou aansluiten bij de aan de overzijde gelegen woningen en voegt zich in het beeld van de erachter gelegen nieuwe Brede School. De school wordt echter aan het zicht onttrokken en het groene lint wordt volgebouwd. Verder is naar voren gebracht dat de karakteristiek van het lint volgens de Nota behouden moet worden, maar dat de woningen uit het bestreden plan welstandelijk (qua korrel, maat en schaal) niet aansluiten bij het lint, maar bij de nieuwbouwwoningen aan de overkant.

8.1.    Het plangebied is geen "andere groenvoorziening" of "openbare groenvoorziening", aldus de raad. Het plangebied had in het voorgaande plan de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" en niet de bestemming "Groenvoorzieningen". Het groen fungeerde voor de inwoners van Hoogmade als kijkgroen en had verder geen gebruiksfunctie. Het inbreiden van 10 woningen doet geen afbreuk aan de kwaliteit van het lint en is volgens de raad niet in strijd met de Nota.

8.2.    In de Nota staat in paragraaf 1.3:

"Deze Nota Inbreidingslocaties is niet van toepassing op:

(…)

•    Inbreidingsinitiatieven die onderdeel uitmaken van belangrijke groenvoorzieningen.

In de kernen zijn verschillende groenvoorzieningen aan te wijzen die niet bebouwd mogen worden. Deze gebieden zijn per kern in kaart gebracht. Naast de in kaart gebrachte gebieden zijn er echter talrijke andere groenvoorzieningen die niet zijn ingetekend. Deze groenvoorzieningen bevinden zich in deelgebieden waar de gemeente een consoliderend beleid voert ten aanzien van inbreidingsinitiatieven. Bebouwing is in deze gebieden daardoor veelal uitgesloten."

Paragraaf 3.1:

"1.    Voorliggende nota heeft betrekking op zelfstandige ontwikkelingslocaties. Bij de ontwikkelingslocaties is sprake van sloop en nieuwbouw (transformatie) of het bebouwen van onbebouwde ruimte binnen de rode contouren van de kernen. De locaties maken geen onderdeel uit van actuele grotere ontwikkelingsgebieden, bedrijfsterreinen, recreatieterreinen/jachthavens of belangrijke openbare groenvoorzieningen."

8.2.1.    Niet in geschil is dat een gedeelte van het plangebied groen is ingericht. In het vorige plan was dit gedeelte bestemd als "Maatschappelijke doeleinden" met de aanduiding "zonder bebouwing". De Afdeling deelt niet het standpunt van appellanten, zoals verwoord ter zitting, dat het feit dat bebouwing was uitgesloten noopt tot de conclusie dat het perceelsgedeelte een groenvoorziening is als bedoeld in de Nota. Hierbij is van belang dat het vorige plan ook de bestemming "Groenvoorzieningen" kende. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor de conclusie dat het plangebied een belangrijke groenvoorziening is als bedoeld in paragrafen 1.3 en 3.1 van de Nota.

8.3.    In paragraaf 4.1 van de Nota staat:

"(…) verdere verdichting van het lint moet worden tegengegaan. Omdat het lint één structuur vormt, betekent dit dat ook in het deel binnen de rode contour (Kerkstraat) terughoudend moet worden omgegaan met inbreidingsinitiatieven. In deze nota worden voor het lint van Hoogmade dan ook geen concrete richtlijnen gegeven, maar dient de beschrijving als handvat voor het beoordelen van inbreidingsverzoeken die leiden tot een kwaliteitsverbetering.

(…)

Het lint heeft een divers en kleinschalig, maar compact karakter waarin onder andere nog oude agrarische complexen zijn opgenomen. De diversiteit komt tevens tot uitdrukking doordat er naast wonen ook diverse andere functies aanwezig zijn. De bebouwing ligt vaak dicht op de openbare weg en het water en staat in een licht verspringende rooilijn parallel aan de weg of het water. Bij nieuwe ontwikkelingen is de kwaliteit van deze randen zeer belangrijk. Zowel aan de weg- als waterkant dienen achter- en zijkant situaties of de aanleg van meerdere parkeerplaatsen voorkomen te worden. Daarnaast moet worden aangesloten bij het kleinschalige karakter van de bestaande bebouwing."

8.3.1.    In de zienswijzennota (paragraaf 7.5, onder verwijzing naar paragrafen 1.1, 1.2 en 1.4) en de plantoelichting (paragraaf 3.4.2) is de raad ingegaan op het uitgangspunt van de Nota dat terughoudend moet worden omgegaan met uitbreidingsinitiatieven in het lint van de kern Hoogmade. Samengevat is de raad van mening dat de voorziene woningen qua aard en schaal aansluiten bij de bestaande (lint)bebouwing en het karakter van het gebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen en is het plan daarom niet in strijd met de Nota. Hierbij wijst de Afdeling erop dat in de Nota uitdrukkelijk is afgezien van het stellen van concrete richtlijnen voor het beoordelen van initiatieven in het lint van Hoogmade.

De welstandsaspecten van de voorgenomen ontwikkeling waarop ter zitting is gewezen, zijn niet in het bestemmingsplan geregeld. Bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal moeten worden beoordeeld of het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand (artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).

8.3.2.    Het betoog over de Nota Inbreidingslocaties faalt.

Parkeren

9.    De raad heeft voor het beoordelen van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling waarin het plan voorziet gebruik gemaakt van een rapport van Goudappel Coffeng van 25 oktober 2016. Daarin is de parkeerbehoefte berekend van de woningbouw in het plangebied zoals die destijds was voorzien in samenhang met de nieuwe locatie voor de school en bijbehorende voorzieningen ten zuiden van het plangebied. Op basis van dit rapport stelt de raad zich op het standpunt dat is voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voorziet het plan echter niet in voldoende parkeerruimte. Zij hebben hiertoe een memo van Antea Group van 7 januari 2019 overgelegd, waarin kritiek wordt geuit op het rapport van Goudappel Coffeng.

Hierna worden de door [appellant sub 2] en [appellant sub 3] naar voren gebrachte punten afzonderlijk besproken.

10.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen dat het parkeerbeleid van de gemeente, waaruit volgt dat er bij nieuwbouwontwikkelingen in parkeerplaatsen op eigen terrein moet worden voorzien, ten onrechte niet door de raad wordt gevolgd. Het aanspreken van de parkeerplaatsen in de buurt vinden zij een ontoereikende en onrechtvaardige oplossing. De parkeerplaatsen op de Van Alcmaerlaan hebben volgens hen een belangrijke bufferfunctie voor een aantal centrale voorzieningen in het dorp en zijn niet bedoeld om het parkeertekort op te vangen.

10.1.    Artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a en b, van de planregels luidt:

"Parkeernormen.

a. Bij de beoordeling van de parkeernorm voor auto parkeerplaatsen worden de volgende kaders gehanteerd:

1. CROW publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' voor de gemiddelde normering;

2. NEN 2443 voor de maatvoering.

b. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub a, indien:

1. aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte redelijkerwijs niet kan worden verlangd of

2. op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen."

10.2.    Naar het oordeel van de Afdeling moet deze planregeling zo worden opgevat dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen in beginsel alleen kan worden verleend als het bouwplan zelf voorziet in voldoende parkeerruimte overeenkomstig CROW-publicatie nr. 317. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken in de omstandigheden genoemd in sub b van artikel 8, lid 8.1. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad deze regeling niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Bij de beoordeling of openbare parkeerplaatsen in aanmerking komen voor het opvangen van de parkeerbehoefte als bedoeld in sub b van artikel 8, lid 8.1, zal de bestaande parkeerdruk betrokken moeten worden.

Het betoog faalt.

11.    Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] is de parkeerbehoefte van het kinderdagverblijf en de naschoolse opvang niet in de berekening van Goudappel Coffeng meegenomen. Er is daarom niet uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan.

11.1.    Op de gronden voor de nieuwe Brede School ten zuiden van het plangebied is het bestemmingsplan "Brede School Hoogmade" van toepassing. Dit plan kent één bestemming: "Maatschappelijk".

Onder de (hoofd)doelomschrijving van deze bestemming valt "het uitoefenen van activiteiten gericht op maatschappelijke voorzieningen" (artikel 3, lid 3.1, onder a, van de regels).

Onder maatschappelijke voorzieningen moet worden verstaan: "educatieve, sociale, medische, culturele, levensbeschouwelijke, sport en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening alsmede soortgelijke voorzieningen, of een combinatie daarvan, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen" (artikel 1.25 van de regels).

11.2.    In paragraaf 2.2 van het rapport van Goudappel Coffeng is de parkeerbehoefte van de Brede School berekend. Voor "basisschool en peuterspeelzaal" gaat het om 23 parkeerplaatsen.

11.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad ervan mogen uitgaan dat in dit geval een basisschool en peuterspeelzaal een representatieve invulling zijn van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan "Brede School Hoogmade". Daarom faalt het betoog.

12.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wijzen erop dat het rapport van Goudappel Coffeng wat betreft de parkeerbehoefte van het halen en brengen bij de basisschool en peuterspeelzaal uitgaat van CROW-publicatie nr. 182. Er is uitgegaan van gemiddelde waarden voor de zogenoemde reductiefactoren voor de parkeerduur en het aantal kinderen per auto. Die gemiddelde waarden zijn echter relatief laag. Als wordt uitgegaan van maximale waarden, dan stijgt het benodigde aantal parkeerplaatsen naar 24,5. Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] was het daarom beter geweest om in dit geval uit te gaan van een worstcasescenario.

12.1.    In het rapport van Goudappel Coffeng is het aantal parkeerplaatsen dat nodig is voor het halen en brengen van kinderen bij de basisschool en peuterspeelzaal (aangeduid als "kiss & ride") aan de hand van CROW-publicatie nr. 182 berekend op 17.

12.2.    Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] aanvoeren dat deze berekening berust op gemiddelde waarden in CROW-publicatie nr. 182 hebben zij naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat deze waarden in dit geval niet representatief geacht kunnen worden. Daarom heeft de raad in dit geval van die waarden uit mogen gaan. Het betoog faalt.

13.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat de ochtendspitsperiode ten onrechte niet als maatgevend is aangemerkt voor de berekening van de maximale parkeerbehoefte. Volgens hen is de invloed van het halen en brengen van kinderen achterwege gelaten. Dit is met name in de ochtendspits in combinatie met de woningen problematisch.

13.1.    In paragraaf 2.4 van het rapport van Goudappel Coffeng staat de parkeerbalans, voorafgegaan door een toelichting. Er staat dat voor de school op een werkdag in de ochtend is gerekend met een aanwezigheidspercentage van 100 procent. Het gaat om 6 plaatsen. In dezelfde periode is voor de woningen (bewoners) gerekend met een percentage van 50 procent. Het gaat om 11 plaatsen.

13.2.    De Afdeling volgt [appellant sub 2] en [appellant sub 3] niet in de stelling dat in de parkeerbalans niet of onvoldoende rekening is gehouden met het halen en brengen van kinderen bij de Brede School. De 6 plaatsen die in de parkeerbalans staan, zijn namelijk de extra plaatsen die volgens het rapport nodig zijn ten opzichte van de huidige situatie. Dit is toegelicht op p. 3 van het rapport. Daaruit blijkt dat rekening is gehouden met het halen en brengen.

Ook is rekening gehouden met de aanwezigheid van een deel van de bewoners, zodat in zoverre de piekbehoefte in de ochtend is berekend. De Afdeling ziet geen redenen om te twijfelen aan het gehanteerde aanwezigheidspercentage van 50 procent. Overigens gaat het rapport van Goudappel Coffeng uit van meer woningen (13 in plaats van 10) dan uiteindelijk in het plan zijn voorzien, terwijl die woningen bovendien merendeels in een zwaardere (parkeer)categorie zijn ingedeeld. In zoverre gaat het rapport dus uit van een hogere parkeerbehoefte dan nodig is.

Het betoog faalt.

14.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wijzen erop dat voor het plan 9 extra parkeerplaatsen zullen worden aangelegd aan de Van Alcmaerlaan. Zij voeren aan dat de aanleg van haakse parkeerplaatsen op deze plek zorgt voor onveilige verkeerssituaties.

Daarnaast stellen zij dat de reeds bestaande parkeerplaatsen aan de Van Alcmaerlaan vallen onder de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" en alleen voor die bestemming mogen worden gebruikt. Ze mogen daarom niet worden meegerekend als beschikbare parkeerplaatsen voor de te realiseren woningen, aldus [appellant sub 2] en [appellant sub 3].

14.1.    De raad stelt dat de Van Alcmaerlaan al haakse parkeervlakken heeft. Uitbreiding van de parkeervlakken leidt niet tot een substantieel ander verkeersbeeld of verkeersonveilige situaties.

De nieuwe parkeerplaatsen zijn niet alleen bedoeld voor de woningen, maar ook voor de school, de kerk en de begraafplaats, aldus de raad.

14.2.    Gelet op de plantoelichting en de toelichting van de raad ter zitting heeft de gemeente het voornemen om het aantal openbare parkeerplaatsen aan de Van Alcmaerlaan te vergroten van 18 naar 27. De betrokken gronden vallen buiten het plangebied van het nu voorliggende plan.

Het rapport van Goudappel Coffeng gaat ervan uit dat 9 extra openbare parkeerplaatsen worden aangelegd aan de Van Alcmaerlaan. Deze omstandigheid is mede bepalend voor de conclusie dat voor de ontwikkeling in het plangebied voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is.

14.3.    Uit de door de raad overgelegde foto van de Van Alcmaerlaan blijkt dat er op dit moment al parkeerplaatsen zijn die haaks aan de weg zijn gesitueerd. De Afdeling acht niet aannemelijk dat het toevoegen van (haakse) parkeerplaatsen aan deze weg niet op verkeersveilige wijze mogelijk is.

14.4.    Verder is niet in geschil dat de betrokken gronden vallen onder het bestemmingsplan "Kernen Woubrugge - Hoogmade" en daarin de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" hebben. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder g, van de voorschriften van dat plan omvat de bestemming mede parkeervoorzieningen ten behoeve van de onder a tot en met f van dat artikellid genoemde maatschappelijke functies. Het aanleggen van nieuwe parkeerplaatsen op deze gronden is dus in beginsel toegestaan. Voor zover aangevoerd wordt dat deze parkeerruimte niet mag worden gebruikt voor het parkeren bij woningen, zal de Afdeling in het midden laten of dat inderdaad het geval is. Indien nodig kan de raad immers hiertoe in een nieuw bestemmingsplan voorzien.

14.5.    Gelet op het voorgaande heeft de raad er bij de vaststelling van het plan van uit mogen gaan dat aan de Van Alcmaerlaan 9 extra parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd die mede ten dienste staan van de woningen in het plangebied.

15.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen dat het gebied dat door de raad op restcapaciteit aan parkeerplaatsen is onderzocht groter is dan de door de raad gesuggereerde 100 m loopafstand tot het plangebied. Ze stellen dat dit een verkeerd beeld geeft van de daadwerkelijk beschikbare parkeercapaciteit in de omgeving. Zij hebben een eigen berekening van de parkeerdruk overgelegd waarin is uitgegaan van deels andere parkeersecties dan die volgens Goudappel Coffeng van belang zijn.

15.1.    In het rapport van Goudappel Coffeng staat dat in Hoogmade een parkeeronderzoek is uitgevoerd om de huidige parkeerdruk vast te stellen. In figuur 3.1 is het onderzoeksgebied omlijnd weergegeven. In figuur 3.2 zijn binnen dit onderzoeksgebied 16 parkeersecties aangemerkt. De helft hiervan ligt volgens het rapport binnen de acceptabele loopafstand van 100 m die geldt voor zowel de school als de woningen.

15.2.    Zoals hiervoor onder 9 is vermeld, zijn in het rapport van Goudappel Coffeng de parkeerbehoeften van de woningen en de school in samenhang beoordeeld. Beoordeeld vanaf de grenzen van het te herontwikkelen terrein acht de Afdeling aannemelijk dat in het rapport alleen parkeersecties relevant zijn geacht die zijn gelegen binnen een loopafstand van ongeveer 100 m.

In de door [appellant sub 2] en [appellant sub 3] naar voren gebrachte alternatieve berekening van de parkeerdruk ziet de Afdeling ook geen grond om te twijfelen aan de selectie van parkeersecties door Goudappel Coffeng. In de alternatieve berekening is bijvoorbeeld geen rekening gehouden met parkeersecties aan de Van Alcmaerlaan (nummers 1 en 3) en de aangrenzende straten (nummers 2 en 4) die op minder dan 100 m loopafstand liggen van het plangebied van het voorliggende plan.

16.    Gelet op het voorgaande biedt hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van Goudappel Coffeng. Daarom heeft de raad ervan uit mogen gaan dat met inachtneming van artikel 8, lid 8.1, sub b, onder 2, van de regels een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend.

Strijd met koopovereenkomst

17.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wijzen erop dat de gemeente de gronden in het plangebied in 2015 heeft gekocht en dat in de koopovereenkomst staat dat het verkochte door koper zal worden gebruikt als basisschool. Zij voeren aan dat de raad deze voorwaarde ten onrechte negeert en de ontwikkeling van de Brede School belemmert door de gronden te (laten) gebruiken voor woningbouw.

17.1.      De raad stelt dat het gebruik van een gebouw of perceel in hoofdzaak wordt geregeld door het bestemmingsplan. De verkoopakte is alleen van juridische waarde tussen de verkopende en aankopende partij. Er bestaat geen privaatrechtelijke belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan, aldus de raad.

17.2.    In de koopovereenkomst staat op p. 2:

"GEBRUIK

Het verkochte zal door koper worden gebruikt als basisschool.

Ten aanzien van dit gebruik van het verkochte heeft verkoper meegedeeld dat hem niet bekend is dat dit gebruik op publiek- of privaatrechtelijke gronden niet is toegestaan."

17.3.    Hiervoor onder 4.2 is al overwogen dat de Afdeling niet aannemelijk acht dat het plan ertoe leidt dat voor de Brede School niet meer voldoende buitenruimte overblijft en dat namens de school ook geen beroep is ingesteld tegen het plan. De verwijzing van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] naar de koopovereenkomst voor de gronden in het plangebied doet hier niet aan af. De Afdeling leest daarin niet dat de gemeente zou zijn overeengekomen dat de gronden voor een school bestemd zullen blijven. Maar zelfs als dit wel het geval was geweest, kan een dergelijke overeenkomst niet leiden tot een verplichting van de raad aan gronden een bestemming te geven die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zou achten (zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9520).

Het betoog faalt.

Onverenigbare functies

18.    [appellant sub 3] betoogt dat de woningen ruimtelijk gezien, in tegenstelling tot wat de raad in de plantoelichting en de zienswijzennota stelt, niet goed aansluiten bij de school, de naastliggende stiltetuin en de begraafplaats. Hij stelt dat er een onverenigbare functieconfrontatie ontstaat. Er is vanaf de achtergevels van de woningen directe inkijk mogelijk op de speelplaatsen en leslokalen van de school en geluid uit de achtertuinen van de woningen verstoort de rust op de begraafplaats. Dit is in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aldus [appellant sub 3].

18.1.    In paragraaf 4.1.4 van de plantoelichting is mogelijke hinder beoordeeld aan de hand van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Er staat:

"Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 10 woningen. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom. Naast het plangebied zijn onder andere een basisschool, een dorpscentrum en een kerk aanwezig. Hierdoor kan het gebied worden getypeerd als 'gemengd gebied'.

Ten westen van het plangebied is een kerk met begraafplaats aanwezig. Voor begraafplaatsen geldt een richtafstand van 0 m in een gemengd gebied. Voor kerken geldt een richtafstand van 10 m in een gemengd gebied. De nieuwe woningen liggen met minimaal 10 en 40 m afstand van respectievelijk de begraafplaats en kerk op voldoende afstand tot deze bestemmingen.

De richtafstand tussen de Brede school en de omliggende woningen bedraagt 10 m in verband met geluid. Tussen de school en de nieuwe woningen is een groenstrook voorzien om de overgang van school naar woningen te markeren. De woningen zijn hierdoor op minimaal 10 m, en dus voldoende afstand gelegen van de Brede School ten zuiden van het plangebied. Voorts zijn de buitenspeelplaatsen van de kinderopvang en basisschool aan de oost- en zuidzijde van de school gelegen. Hierdoor wordt de geluidoverlast voor de nieuwe woningen beperkt. In toelichting paragraaf 4.1.2 wordt nader ingegaan op de geluidbelasting van de basisschool op de nieuwe woningen.

In de directe omgeving van het plangebied zijn verder geen inrichtingen aanwezig waarvan de milieuzonering mogelijk van invloed is op de nieuwe woningen."

18.2.    [appellant sub 3] heeft geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de beoordeling van mogelijke hinder aan de hand van de VNG-brochure.

Verder is van belang dat het plangebied in het vorige bestemmingsplan was bestemd voor "Maatschappelijke doeleinden", waaronder waren begrepen "het openbaar bestuur, de dienstverlening van overheidswege, het sociale en culturele leven al dan niet in combinatie met sportbeoefening, de godsdienstuitoefening, het onderwijs en de volksgezondheid en daarmee gelijk te stellen functies" en (vanwege de aanduiding op de verbeelding) horeca in categorie 5 (een koffie- of theehuis). De Afdeling acht niet aannemelijk dat de voorziene woningen leiden tot meer hinder voor de omgeving.

De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Wijzigingen na zienswijzetermijn

19.    [appellant sub 2] stelt dat het stedenbouwkundig onderzoek, de waterparagraaf, de financiële koppeling met de realisatie van de naastgelegen school, akoestisch onderzoek en een vleermuizenonderzoek ten onrechte pas na de zienswijzetermijn aan het bestemmingsplan zijn toegevoegd. Er kan geen sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als de belangenafweging tijdens de gehele procedure niet op dezelfde uitgangspunten is gebaseerd, aldus [appellant sub 2].

19.1.    De door [appellant sub 2] bedoelde wijzigingen betreffen de plantoelichting en bijlagen daarvan en niet het plan zelf (dat bestaat uit de verbeelding en de regels). Het gaat dus om wijzigingen in de onderbouwing van het plan. De Algemene wet bestuursrecht en de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) staan er niet aan in de weg de onderbouwing van het plan na de terinzagelegging van het ontwerpplan te wijzigen. Daarom faalt het betoog.

Kostenverhaal

20.    B.J van Wieringen en [appellant sub 3] stellen dat ten tijde van het vaststellen van het bestreden plan ten onrechte een exploitatieplan of een anterieure overeenkomst ontbrak. Zij betogen dat hierdoor de kosten en de eventuele planschade ten onrechte en in strijd met de Wro niet door de raad zijn geregeld op het moment dat het bestemmingsplan werd vastgesteld. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarom niet op tijd aangetoond, aldus [appellant sub 2].

20.1.    De raad stelt dat het ten tijde van de vaststelling van het bestreden plan duidelijk was dat er op korte termijn een koopovereenkomst met woningbouwvereniging Stichting Woondiensten Aarwoude gesloten zou worden. De gemeente was op het moment van de vaststelling van het bestreden plan eigenaar van de grond en bevond zich naar eigen zeggen in een vergevorderd onderhandelingsstadium met de woningbouwvereniging. De economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan staat gezien de inmiddels gesloten koopovereenkomst en het grondexploitatieplan niet meer ter discussie, aldus de raad.

20.2.    Artikel 6.12 van de Wro luidt, voor zover hier van belang:

"1. De gemeenteraad stelt een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

2. In afwijking van het eerste lid kan de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan (…) besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen of indien:

a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is;

b. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en

c. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is."

20.3.    Niet in geschil is dat de gemeente ten tijde van de vaststelling van het plan eigenaar was van de gronden in het plangebied. Dit betekent dat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is, aangezien bij de verkoop van de gronden met deze kosten rekening kan worden gehouden. Verder is niet gebleken dat voorwaarden als bedoeld artikel 6.12, tweede lid, onder b en c, van de Wro noodzakelijk zijn. Daarom mocht de raad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen. Het betoog faalt.

Conclusie

21.    De beroepen van zijn ongegrond.

22.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Jacobs

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2019

717-913.