Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
201806535/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:5276, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2017 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om informatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806535/1/A3.

Datum uitspraak: 22 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2018 in

zaak nr. 17/5487 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2017 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om informatie afgewezen.

Bij besluit van 1 augustus 2017 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. I. de Hoop, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] heeft van de gemeente Rotterdam vernomen dat de politie in de periode van 18 september 2008 tot en met 23 november 2016 in totaal 427 keer zijn gegevens uit de Basisregistratie Personen (hierna: de Brp) heeft opgevraagd. Op 24 maart 2017 heeft [appellant] de korpschef verzocht om informatie over wat de redenen zijn dat de politie zijn gegevens uit de Brp heeft opgevraagd, gespecificeerd naar elke opvraging.

2.1.    De korpschef heeft bij besluit van 1 augustus 2017, waarbij hij het besluit van 23 mei 2017 heeft gehandhaafd, het verzoek van [appellant] afgewezen. Daaraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat het politieregistratiesysteem Basis Voorziening Handhaving (hierna: het politiesysteem) gekoppeld is aan de Brp, zodat de juiste naam- en adresgegevens in het politiesysteem worden opgenomen en eventuele wijzigingen in het bedrijfsprocessensysteem van de politie juist worden doorgevoerd. Als een persoon wordt opgevraagd in het politiesysteem dan wel wijzigingen worden aangebracht in de geregistreerde gegevens waaraan een persoon is gekoppeld, worden de naam- en adresgegevens automatisch geverifieerd in de Brp. Er wordt dan geen reden of achtergrond van de verwerking geregistreerd. De door [appellant] verzochte gegevens zijn daarom niet in het politiesysteem geregistreerd en er zijn daarvan dan ook geen documenten beschikbaar. Gelet hierop bestaat zowel op grond van de Wet politiegegevens (hierna: de Wpg) als de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) geen grond om het verzoek van [appellant] om informatie in te willigen, aldus de korpschef. [appellant] kan zich hierin niet vinden.

Hogerberoepsgronden

3.     [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de korpschef terecht zijn verzoek om informatie heeft afgewezen. Hij voert hierover aan dat het 427 keer opvragen van zijn gegevens in de Brp door de politie een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn privacy vormt en dat dit in strijd is met het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel. De rechtbank heeft volgens [appellant] daarbij ten onrechte in aanmerking genomen dat hij verdachte is in een strafzaak. Een opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst en een brigadier bij de politie hebben verklaard dat er geen strafbaar feit is gepleegd, maar het Openbaar Ministerie seponeert de zaak niet om strafbare feiten die zijn gepleegd door ambtenaren van de overheid af te kunnen dekken. Daarnaast stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de stelling van de korpschef heeft gevolgd dat zijn gegevens in de Brp ook automatisch worden gecontroleerd als de gegevens van een andere verdachte in dezelfde strafzaak worden geraadpleegd. [appellant] wijst erop dat de politie is begonnen met het opvragen van zijn gegevens in de Brp op 18 september 2008. Op die dag zou hij artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht hebben overtreden. Daar waren volgens [appellant] geen andere verdachten bij betrokken.

    [appellant] verzoekt de Afdeling te bepalen dat politiegegevens over een langere periode dan vier jaar moeten worden verstrekt, dat de korpschef kenbaar maakt welke verdachten zouden zijn betrokken bij het strafbare feit dat hij op 18 september 2008 zou hebben gepleegd en dat de korpschef een dwangsom van € 1000,00 per dag verbeurt voor elke dag dat hij niet aan voormelde verzoeken heeft voldaan.

Beoordeling

4.    Vaststaat dat de politie 427 keer de persoonsgegevens van [appellant] in de Brp heeft opgevraagd. Deze gegevens heeft de politie in het kader van de politietaak, in dit geval strafrechtelijke onderzoeken, verwerkt. Daarom moeten deze gegevens als politiegegevens worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg.

4.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de korpschef terecht het verzoek van [appellant] om informatie heeft afgewezen, omdat de door hem gevraagde gegevens er niet zijn en daarom ook niet kunnen worden verstrekt op grond van de Wpg. Daaraan heeft de korpschef ten grondslag mogen leggen dat, zoals ook onder 2.1. is weergegeven, het politiesysteem automatisch de gegevens van een persoon in de Brp controleert als een persoon wordt opgevraagd in het politiesysteem of als wijzigingen worden aangebracht in de geregistreerde gegevens waaraan een persoon is gekoppeld. Ook als bijvoorbeeld in het politiesysteem de gegevens van een andere verdachte in hetzelfde strafrechtelijke onderzoek worden geraadpleegd, worden de gegevens van de andere betrokken verdachten automatisch in de Brp geverifieerd. Daarbij wordt geen reden voor of achtergrond van het opvragen van de persoonsgegevens in de Brp geregistreerd, zoals ook blijkt uit de door de korpschef overgelegde schermafdruk van het politiesysteem. Dat betekent dat de door [appellant] verzochte gegevens er niet zijn en daarom niet kunnen worden verstrekt. De automatische koppeling tussen het politiesysteem en de Brp verklaart, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, waarom de politie 427 keer de gegevens van [appellant] in de Brp heeft opgevraagd. [appellant] is, daargelaten of dat terecht is, een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek met meerdere verdachten. Dit betekent dat iedere keer als een wijziging in het politiesysteem wordt aangebracht in het onderzoek, automatisch wordt gecheckt of de gegevens van iedere persoon betrokken bij dat onderzoek overeenkomen met de gegevens in de Brp.

4.2.    De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat, voor zover de Wob van toepassing is, de korpschef eveneens het verzoek van [appellant] om informatie terecht heeft afgewezen. Gelet op wat onder 4.1. is overwogen, zijn de door [appellant] gevraagde gegevens er niet en kunnen deze daarom niet worden verstrekt.

    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.L. Crombach, griffier.

w.g. Borman    w.g. Crombach

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2019

689.

 

BIJLAGE

 

Wet politiegegevens

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. politiegegeven: elk persoonsgegeven dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;

b. politietaak: de taken, bedoeld in de artikelen 3 en 4, eerste lid, van de Politiewet 2012;

c. verwerken van politiegegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot politiegegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van politiegegevens;

d. verstrekken van politiegegevens: het bekend maken of ter beschikking stellen van politiegegevens;

e. ter beschikking stellen van politiegegevens: het verstrekken van politiegegevens aan personen die overeenkomstig deze wet zijn geautoriseerd voor het verwerken van politiegegevens;

f. verantwoordelijke: dit is bij:

1°. de politie: de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

2°. de rijksrecherche: het College van procureurs-generaal;

3°. de Koninklijke marechaussee: Onze Minister van Defensie;

4°. een gemeenschappelijke verwerking van politiegegevens met het oog op een gemeenschappelijk doel door twee of meer organisaties als bedoeld in dit onderdeel: de verantwoordelijke die door de betrokken verantwoordelijken is belast met de feitelijke zorg voor de verwerking en het treffen van de maatregelen, bedoeld in artikel 4;

g. betrokkene: degene op wie een politiegegeven betrekking heeft;

h. het College bescherming persoonsgegevens: het College, bedoeld in artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens;

[…]

p. bestand: elk gestructureerd geheel van politiegegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen.