Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1665

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
201806678/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Lagekerk, Deurne" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806678/1/R2.

Datum uitspraak: 22 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Deurne,

en

de raad van de gemeente Deurne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Lagekerk, Deurne" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2019, waar [appellant], vergezeld van [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.M.E.F.L. van Hoof, bijgestaan door mr. M.J.O. Copier, advocaat te Nijmegen, en J.M. de Wijs van Goudappel Coffeng, zijn verschenen. Voorts is daar verschenen Lagekerk B.V., initiatiefnemer, vertegenwoordigd door [gemachtigde B].

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestemmingsplan maakt de bouw van een appartementencomplex met maximaal 37 gestapelde woningen met parkeerterrein en parkeerkelder mogelijk op een locatie aan de Lagekerk gelegen in het centrum van Deurne. Er dienen minimaal 16 appartementen te worden gerealiseerd als sociale huurwoning en de overige appartementen moeten worden gerealiseerd als sociale koopwoning. Op het grootste deel van het bouwvlak is een maximale bouwhoogte van 10 meter toegestaan en op een klein deel van het bouwvlak is een maximale bouwhoogte van 12 meter toegestaan. [appellant] woont op het adres [locatie] in de directe omgeving van het plangebied.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Voorgeschiedenis

3.    De raad heeft voor de voorziene ontwikkeling van het appartementencomplex al eerder op 11 oktober 2016, het bestemmingsplan "Lagekerk, Deurne" vastgesteld. Over dit bestemmingsplan heeft de Afdeling in de tussenuitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1036, en in de uitspraak 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2753, geoordeeld. In de uitspraak heeft de Afdeling dit bestemmingsplan vernietigd omdat het is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Daartoe heeft de Afdeling verwezen naar de overwegingen 5.3 en 6.2 van de tussenuitspraak waarin is overwogen dat wat betreft 8 van de 45 benodigde parkeerplaatsen, die door middel van een overeenkomst met een huisarts en dubbelgebruik worden ingevuld, niet inzichtelijk is gemaakt dat duurzaam aan de parkeerbehoefte van de voorziene appartementen kon worden voldaan. Daarnaast heeft de Afdeling in de tussenuitspraak geoordeeld dat het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid omdat de uitvoering van het appartementencomplex met een kap, zoals is beoogd, niet in het bestemmingsplan is geborgd. In de uitspraak heeft de Afdeling tevens overwogen dat nu de gebreken niet binnen de geboden termijn zijn hersteld er geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

3.1.    De raad heeft bij het bestreden besluit het bestemmingsplan met betrekking tot de Lagekerk te Deurne opnieuw vastgesteld en beoogd rekening te houden met hetgeen de Afdeling in voorvermelde uitspraken heeft overwogen. Daartoe heeft de raad onderzocht of de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein kan worden opgevangen en zich op het standpunt gesteld dat dit het geval is. Dit betekent dat het parkeren niet meer geschiedt via een overeenkomst met de huisarts en via dubbelgebruik. De raad stelt dat daarmee duurzaam aan de parkeerbehoefte van de voorziene appartementen kan worden voldaan. Voorts is het plan aangepast om de beoogde kap te waarborgen. Daartoe is artikel 6, lid 6.2, van de planregels gewijzigd. Op de verbeelding is de aanduiding "maximum goothoogte" toegevoegd. Tevens zijn aan artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder b, van de planregels een aantal onderdelen toegevoegd. Verder is het plan ongewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpbesluit. Het bestreden besluit is vastgesteld zonder dat daarbij opnieuw afdeling 3.4 van de Awb is toegepast.

Procedureel

4.    [appellant] stelt dat de Afdeling de raad bij brief van 4 december 2018 in de gelegenheid heeft gesteld om tot 2 januari 2019 een verweerschrift in te dienen maar het verweerschrift pas op 1 februari 2019 is binnengekomen. [appellant] betoogt dat nu niet is gebleken dat uitstel is verleend voor het inzenden van het verweer bij de Afdeling het verweer niet-ontvankelijk is dan wel buiten beschouwing moet blijven.

4.1.    Artikel 8:42 van de Awb luidt als volgt:

1. Binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en dient het een verweerschrift in.

2. De bestuursrechter kan de in het eerste lid bedoelde termijn verlengen.

4.2.    De in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb genoemde termijn betreft een termijn van orde. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de Afdeling aan het na de gegeven termijn indienen van het verweerschrift de door [appellant] voorgestane gevolgen moet verbinden. Het betoog faalt.

Afdeling 3.4 van de Awb

5.    [appellant] betoogt dat de voorbereidingsprocedure onjuist is verlopen nu niet (opnieuw) een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Hij betoogt dat hij hierdoor ten onrechte niet in de gelegenheid is geweest om een zienswijze in te dienen. Hij voert aan dat sprake is van een wezenlijk ander plan zodat niet kan worden teruggevallen op de terinzagelegging van het vernietigde bestemmingsplan.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU5143 staat het in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de reeds gevoerde procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waaronder het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op de aard en ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt. Dit is bijvoorbeeld het geval indien ten opzichte van het ontwerpbesluit sprake is van een wezenlijk ander plan of van wijzigingen die niet als van ondergeschikte aard kunnen worden aangemerkt.

5.2.    De bestemmingen zijn ongewijzigd gebleven. Op de verbeelding is de aanduiding "maximum goothoogte" toegevoegd. Tevens zijn aan artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder b, van de planregels een aantal onderdelen toegevoegd en is artikel 6, lid 6.2, van de planregels gewijzigd. Gelet op de wijzigingen in het bestreden besluit ten opzichte van het ontwerpbesluit is in dit geval geen sprake van een wezenlijk ander plan of van wijzigingen die niet als van ondergeschikte aard kunnen worden aangemerkt. Het betoog faalt.

Parkeren

6.    [appellant] betoogt dat het plan niet voldoet aan de Nota parkeernormen Gemeente Deurne 2013 (hierna: de parkeernota) omdat voor 16 huurwoningen is uitgegaan van een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per woning in plaats van de op grond van de parkeernota geldende norm van 1,3. Dit betekent dat ongeveer 3 parkeerplaatsen meer nodig zijn dan de 45 parkeerplaatsen waar de raad vanuit is gegaan. Voorts stelt [appellant] dat volgens de parkeernota zal moeten worden voorzien in 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers in de openbare ruimte en daaraan niet wordt voldaan omdat de voorziene plaatsen voor bezoekers zich niet in de openbare ruimte bevinden. Tevens voert [appellant] aan dat als de raad al kon uitgegaan van 45 parkeerplaatsen, die feitelijk niet op eigen terrein en in de parkeerkelder kunnen worden gerealiseerd. Daartoe betoogt [appellant] dat er ten behoeve van het bouwplan een boom gekapt moet worden en dat indien deze boom behouden zou moeten worden een aantal parkeerplaatsen niet kan worden gerealiseerd. Tevens betoogt hij dat niet aan de afmetingen en maatvoeringen zoals die voor een parkeerterrein en de parkeerkelder zijn voorgeschreven in de parkeernota en de NEN 2443-2013 (hierna: de NEN-norm) wordt voldaan. Daartoe voert hij aan dat de vereiste afstand van 6 meter tussen de slagboom en de openbare ruimte niet in acht wordt genomen. Tevens stelt hij dat de parkeerweg voor tweerichtingsverkeer in de bufferruimte een breedte van 4,80 meter heeft terwijl een breedte van 5 meter is vereist. Volgens [appellant] is de parkeerweg ter hoogte van de slagboom zodanig smal dat er een probleem zal ontstaan met de bediening van de slagboom. [appellant] voert aan dat de wachtruimte voor de helling in de kelder onveilig is en dat een redresseerstrook ontbreekt. [appellant] voert aan dat de ingang van de helling naar de kelder op de erfafscheiding terecht is gekomen waardoor de doorgang ter plaatse maar 4,50 meter in plaats van 4,80 meter is. [appellant] betoogt dat de ruimte in de parkeergarage zo krap is dat het gaat om stallingvakken in plaats van parkeerplaatsen. [appellant] voert aan dat het in- en uitstappen bij bepaalde parkeerplaatsen in de parkeergarage niet mogelijk is. [appellant] voert aan dat de parkeerwegen niet voldoen. [appellant] voert ten slotte aan dat de ruimte naast één van de parkeerplaatsen in de parkeerkelder onvoldoende is en dat de parkeerkelder niet goed verlaten kan worden.

6.1.    De raad stelt dat op grond van de parkeernota voor de 21 sociale koopwoningen (etage; goedkoop) 1,3 parkeerplaats per woning is aangehouden en voor de 16 huurwoningen (etage; midden/goedkoop) 1,1 parkeerplaats per woning. In deze parkeernormen is 0,3 parkeerplaats per woning meegenomen voor bezoekers. De raad stelt dat op grond van de parkeernota de parkeerplaatsen voor bezoekers moeten word gerealiseerd op plaatsen waar de bezoekers gebruik van kunnen maken en dat daaraan zal worden voldaan. De benodigde 45 parkeerplaatsen zullen geheel op eigen terrein in het plangebied, te weten op het parkeerterrein achter het appartementencomplex en in de parkeerkelder onder het appartementencomplex gerealiseerd worden en dat is feitelijk ook mogelijk, aldus de raad.

    De raad heeft verder toegelicht dat hij zorgvuldigheidshalve en ten overvloede Goudappel Coffeng opdracht heeft verstrekt een mogelijke inrichting te maken van de beoogde parkeervoorzieningen en die te toetsen aan de maatvoering en afstandseisen uit de parkeernota en de NEN-norm. Goudappel Coffeng heeft haar bevindingen vastgelegd in een notitie van 14 mei 2018 met tekeningen van een mogelijke inrichting van het parkeerterrein en de parkeerkelder. Naar aanleiding van de beroepsgronden van [appellant] heeft de raad Goudappel Coffeng nogmaals opdracht verstrekt tekeningen te maken van een mogelijke inrichting van het parkeerterrein en de parkeerkelder. Deze tekeningen, waarin een alternatieve inrichting is opgenomen, zijn bij het verweer gevoegd. De raad stelt dat uit de tekeningen van Goudappel Coffeng blijkt dat de parkeerplaatsen feitelijk mogelijk zijn op eigen terrein en dat een inrichting mogelijk is waarbij aan de afmetingen en maatvoering uit de parkeernota en de NEN-norm wordt voldaan.

6.2.    In de parkeernota staat dat voor een huurwoning zijnde een etage, midden/goedkoop in het centrum van Deurne de norm van 1,1 parkeerplaats per woning geldt. Tevens staat in de parkeernota dat voor een huurwoning, sociale huur in het centrum van Deurne de norm van 1,3 parkeerplaats per woning geldt. Voor een koopwoning zijnde etage, goedkoop in het centrum van Deurne geldt de norm van 1,3 parkeerplaats per woning. Bij deze parkeernomen is 0,3 parkeerplaats voor bezoekers meegenomen. In de parkeernota staat dat het bezoekersdeel op openbaar terrein moet worden gerealiseerd. In bijlage 1 van de parkeernota staat over het bezoekersaandeel dat met "aandeel bezoekers" is aangegeven hoeveel parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn voor bezoekers en dat deze parkeerplaatsen in zoverre openbaar dienen te zijn dat bezoekers hiervan gebruik moeten kunnen maken.

     In bijlage 4 van de parkeernota staat dat wat betreft de afmetingen van de parkeerplaatsen en de parkeerwegen wordt uitgegaan van de richtlijnen van de ASVV. In de parkeernota staat dat de aanbevelingen van de NEN van toepassing zijn voor het bepalen van de minimale breedte en minimale lengte van parkeerplaatsen in de parkeergarages. Voor parkeergarages bedraagt de minimumbreedte 2,3 meter bij normaal gebruik en 2,5 meter bij intensief gebruik. De huidige aanbevolen parkeerbreedte is ten minste 2,4 meter. Verder staat in bijlage 4 dat de breedte van de parkeerweg bij gestoken en haaks parkeren bij een parkeervakbreedte van 2,5 meter is gebaseerd op de richtlijnen van de ASVV en dat die bij haaks parkeren 6,0 meter en bij gestoken parkeren 4,0 meter bedraagt.

6.3.    De Afdeling overweegt dat gelet op artikel 6, lid 6.2, van de planregels en hetgeen de raad daarover naar voren heeft gebracht bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt beoordeeld of voldoende is verzekerd dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in de parkeernota, inclusief later vastgestelde aanvullingen.

6.4.    Naar het oordeel van de Afdeling ligt in de onderhavige procedure de vraag voor of op voorhand kan worden gesteld dat niet afdoende kan worden verzekerd dat op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van de in het plan voorziene woningen wordt voorzien.

6.5.    Omtrent het benodigde aantal parkeerplaatsen overweegt de Afdeling als volgt. Niet is bestreden dat voor de 21 koopwoningen (etage; goedkoop) als norm 1,3 parkeerplaats per woning moet worden aangehouden. De initiatiefnemer heeft toegelicht dat de 16 sociale huurwoningen waarvoor de norm van 1,1 parkeerplaats per woning is gehanteerd voldoen aan de criteria van etage, midden/goedkoop omdat sociale huurwoningen appartementen betreffen en in het goedkope segment zullen worden opgericht. Daarmee onderscheiden deze woningen zich van de sociale huurwoningen waar de parkeernorm van 1,3 geldt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voor deze woningen in redelijkheid kunnen uitgaan van de gehanteerde norm van 1,1 parkeerplaats per woning. De raad is dan ook terecht uitgegaan van in totaal 45 parkeerplaatsen.

     De raad heeft zich voorts met juistheid op het standpunt gesteld dat op grond van de parkeernota de bezoekersplaatsen in het openbaar gebied kunnen worden gevonden maar ook op eigen terrein mits bezoekers hiervan gebruik kunnen maken. Hoe dit vorm wordt gegeven betreft de uitvoering van het plan, hetgeen in deze procedure niet aan de orde is. Van strijdigheid met de parkeernota zoals [appellant] heeft aangevoerd is op dit punt geen sprake.

6.6.    De raad heeft aan de hand van de tekeningen van Goudappel Coffeng inzichtelijk gemaakt dat de 45 parkeerplaatsen ook feitelijk op eigen terrein kunnen worden aangelegd en dat daarbij een inrichting van de parkeergarage en parkeerterrein mogelijk is waarbij de maatvoering en afmetingen zoals die in bijlage 4 van de parkeernota zijn opgenomen in acht worden genomen. De raad heeft daarbij ook inzichtelijk gemaakt dat het niet noodzakelijk is om een boom te kappen.

    Voor zover [appellant] ingaat op de exacte invulling van het parkeerterrein en de parkeergarage met parkeerplaatsen betreft dit de uitvoering van het plan hetgeen in deze procedure niet aan de orde kan komen. De meer gedetailleerde beoordeling of wordt voldaan aan de parkeernota dient plaats te vinden in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen.

     Naar het oordeel van de Afdeling kan niet op voorhand worden gesteld dat niet afdoende kan worden verzekerd dat op eigen terrein niet in 45 parkeerplaatsen ten behoeve van de in het plan voorziene woningen kan worden voorzien. Het betoog faalt.

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Kramer    w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2019

224.