Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
201805160/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:2388, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2015 heeft de burgemeester de aanvraag van [wederpartij] voor een exploitatievergunning voor niet-alcoholverstrekkende horeca aan de [locatie 1] te Eindhoven afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2019/137 met annotatie van A.E.M. van den Berg
AB 2020/76 met annotatie van B. van der Vorm
JOM 2021/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805160/1/A3.

Datum uitspraak: 22 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Eindhoven,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 mei 2018 in zaak nr. 16/2232 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2015 heeft de burgemeester de aanvraag van [wederpartij] voor een exploitatievergunning voor niet-alcoholverstrekkende horeca aan de [locatie 1] te Eindhoven afgewezen.

Bij besluit van 14 juli 2016 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft daartegen beroep ingesteld.

Bij tussenuitspraak van 6 oktober 2017 heeft de rechtbank de burgemeester in de gelegenheid gesteld om het door haar geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.

Bij uitspraak van 17 mei 2018 heeft de rechtbank het door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 juli 2016 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak en de tussenuitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2019, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door B. Timmermans, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. B. Vermeirssen, advocaat te Kattendijke, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk toetsingskader

1.    Voor de toepasselijke bepalingen van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob) verwijst de Afdeling naar de bijlage die onderdeel is van de uitspraak.

Inleiding

2.    [wederpartij], waarvan [vennoot A] en [vennoot B] de vennoten zijn, exploiteerde vanaf 16 september 2014 een bakkerij aan de [locatie 1] te Eindhoven. Zij had de wens om een deel van de bakkerij in te richten als lunchroom. Daarom heeft zij op 6 november 2014 een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning voor niet-alcoholverstrekkende horeca. Bij brief van 9 december 2014 heeft de officier van justitie de burgemeester in overweging gegeven advies te vragen bij het Bureau bibob, hetgeen de burgemeester heeft gedaan. Het Bureau heeft op 28 april 2015 advies uitgebracht. In dat advies is geconcludeerd dat er een ernstig gevaar is dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. De burgemeester heeft deze conclusie overgenomen en de aanvraag afgewezen.

Tussenuitspraak rechtbank

3.    In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat [vennoot A] onherroepelijk is veroordeeld voor het vervalsen van werkgeversverklaringen, die vervolgens zijn gebruikt om een hypotheek af te sluiten ter financiering van de aankoop van verschillende panden in Breda. In het advies van het Bureau bibob is vermeld dat er een ernstig vermoeden is dat [vennoot A] zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het Bureau bibob bevoegd is om eigen bevindingen aan de motivering van een advies ten grondslag te leggen. Dat [vennoot A] niet is veroordeeld voor witwassen omdat de gedragingen destijds niet als witwassen werden gekwalificeerd, leidt niet tot de conclusie dat het Bureau bibob niet het ernstig vermoeden van witwassen als eigen bevinding aan het advies ten grondslag mocht leggen. De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het feit dat het gaat om valse werkgeversverklaringen maakt dat er samenhang is met de uitoefening van een horecabedrijf en het uitoefenen van dit horecabedrijf het plegen van dit strafbare feit mogelijk maakt. De beroepsgrond dat het Bureau bibob ten onrechte een negatief advies heeft uitgebracht slaagt niet, aldus de rechtbank.

3.1.    De rechtbank heeft voorts overwogen dat in de besluiten is vermeld dat rekening is gehouden met de belangen van [wederpartij], maar dat de burgemeester de belangen die hij stelt te hebben meegewogen niet heeft geëxpliciteerd en ook niet hoe die belangen precies zijn gewogen. De enkele vermelding dat aan het algemeen belang meer gewicht toekomt, is niet voldoende. Ook met de nadere toelichting die op de zitting van de rechtbank is gegeven, is geen sprake van een voldoende gemotiveerde belangenafweging. De rechtbank heeft de burgemeester in de gelegenheid gesteld om het door haar geconstateerde gebrek te herstellen. De burgemeester moet alsnog inzichtelijk maken welke belangen van [wederpartij] hij in de belangenafweging heeft betrokken en waarom die belangen al dan niet opwegen tegen het algemeen belang. Meer in het bijzonder moet de burgemeester motiveren waarom weigering van de exploitatievergunning al dan niet evenredig is, gelet op het tijdsverloop sinds de in het bibob-advies genoemde feiten. Ook moet de burgemeester aandacht besteden aan de omstandigheid dat [wederpartij] al een bakkerij heeft en het dus niet gaat om een geheel nieuwe onderneming, maar slechts om uitbreiding van een bestaande onderneming, in relatie tot de ernstige vrees die wordt aangenomen dat een exploitatievergunning zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, aldus de rechtbank in de tussenuitspraak.

Einduitspraak rechtbank

4.    In de einduitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester nog steeds niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom ernstige vrees bestaat dat [wederpartij] de gevraagde exploitatievergunning zal gebruiken om strafbare feiten te plegen. Zij drijft nu ook een onderneming die het plegen van strafbare feiten mogelijk maakt. De bakkerij bestaat op deze locatie al sinds 2010 en in de aanvraag voor de exploitatievergunning is verzocht om een uitbreiding die het mogelijk maakt om eten en drinken dat nu al in de bakkerij wordt verkocht, ter plaatse op te eten. Niet duidelijk is waarom de burgemeester ernstige vrees met de uitbreiding aanwezig acht, aangezien aan het bibob-advies geen feiten ten grondslag zijn gelegd die met de huidige bakkerij zijn gepleegd. Om dezelfde reden is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester ook niet voldoende heeft gemotiveerd dat ondanks het tijdsverloop de tegengeworpen feiten nog steeds relevant zijn en nog steeds sprake is van ernstig gevaar dat de weigering van de vergunning rechtvaardigt. De rechtbank heeft er in dit verband op gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling een bestuursorgaan bij herstel van een gebrek in het kader van een bestuurlijke lus, mede acht moet slaan op inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden en dat dit onder omstandigheden uitzondering kan lijden (uitspraak van 24 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8428). Van dergelijke omstandigheden is in deze procedure geen sprake. Er is inmiddels sprake van een tijdsverloop van bijna acht jaar sinds de feiten die aan het bibob-advies ten grondslag zijn gelegd. Gedurende die tijd heeft [wederpartij] de bakkerij geëxploiteerd zonder dat daarbij strafbare feiten zijn gepleegd, die aan het bibob-advies ten grondslag zijn gelegd. Nog steeds is sprake van een motiveringsgebrek, aldus de rechtbank in de einduitspraak. Daarom heeft zij het besluit van 14 juli 2016 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Hoger beroep burgemeester

5.    De burgemeester voert aan dat de rechtbank in de tussenuitspraak heeft geoordeeld dat het Bureau bibob terecht en op goede gronden heeft geadviseerd dat sprake is van een ernstig gevaar dat de aangevraagde vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten mee te plegen. Ook is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat er samenhang is tussen de strafbare feiten en de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd. In de einduitspraak lijkt de rechtbank op deze oordelen terug te komen, nu zij heeft geoordeeld dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom ernstige vrees bestaat dat [wederpartij] de exploitatievergunning zal gebruiken om strafbare feiten te plegen. Het kan zijn dat de rechtbank met ‘ernstige vrees’ niet heeft gedoeld op het wettelijke criterium ‘ernstig gevaar’. Maar dan heeft de rechtbank een onjuiste invulling gegeven aan het toetsingskader van artikel 3 van de Wet bibob. De aspecten waarover de rechtbank een aanvullende motivering van hem verlangt, zijn reeds betrokken bij de vraag of er sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. Die vraag heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak al bevestigend beantwoord. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte het tijdsverloop tot het moment van het doen van de uitspraak in de beoordeling betrokken. Alleen het tijdsverloop tot het nemen van het besluit van 14 juli 2016 is van belang. De rechtbank had moeten beoordelen of hij dat besluit op dat moment in redelijkheid heeft kunnen nemen, aldus de burgemeester.

5.1.    Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de belangenafweging die op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob moet worden gemaakt, niet inzichtelijk is. Hij heeft de belangen van [wederpartij] wel onderkend, maar daaraan geen doorslaggevend gewicht toegekend. Hij heeft toegelicht waarom het algemeen belang dat met de weigering van de exploitatievergunning wordt gediend, zwaarder weegt dan het financiële belang van [wederpartij]. Dat de onderneming van [wederpartij] reeds bestond, is niet van belang omdat de onderneming toen niet vergunningplichtig was, aldus de burgemeester.

Incidenteel hoger beroep [wederpartij]

6.    [wederpartij] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. In de eerste plaats is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat een van de vennoten zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Het verkrijgen van onroerend goed door middel van het met vervalste loonstroken een hypothecaire lening aangaan, is niet aan te merken als witwassen, althans was dat niet op het moment van het plegen en het doen van de aanvraag. In de tweede plaats heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat er een samenhang is tussen de aangevraagde vergunning en de uitoefening van een horecabedrijf. Als er al hypotheekfraude is gepleegd, dan is dat in de privésfeer gebeurd. Er is geen relatie met de aangevraagde exploitatievergunning. Bovendien valt niet in te zien hoe de vergunning hypotheekfraude in de toekomst opnieuw mogelijk zou maken. In de derde plaats dateren de genoemde handelingen uit het jaar 2000 en de eerste helft van 2001. Dat is inmiddels meer dan 18 jaar geleden, zodat niet aannemelijk is dat er thans een ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, aldus [wederpartij]. Zij verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij wijst erop dat haar aanvraag van 6 november 2014 dateert en er inmiddels meer dan vier jaren zijn verstreken.

Beoordeling

Belang bij inhoudelijk oordeel incidenteel hoger beroep

7.    De burgemeester stelt zich op het standpunt dat [wederpartij] geen belang heeft bij een inhoudelijk oordeel op haar incidenteel hoger beroep, omdat zij de bakkerij niet langer exploiteert. [wederpartij] heeft de gestelde schade niet aannemelijk gemaakt, aldus de burgemeester.

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4276), bestaat belang bij de beoordeling van een beroep indien de betrokkene stelt schade te hebben geleden en tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat hij de schade daadwerkelijk en als gevolg van het bestreden besluit heeft geleden.

7.2.    [wederpartij] heeft de exploitatie van de bakkerij begin 2018 overgedragen aan [bedrijf A] Zij stelt dat zij door de weigering van de exploitatievergunning vermogensschade heeft geleden. Zij heeft deze schade tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt. Met een exploitatievergunning had [wederpartij] haar bakkerij uit kunnen breiden met zitgelegenheid, zodat haar klanten de daar gekochte etenswaren konden nuttigen. Aannemelijk is dat zij met deze uitbreiding meer omzet had kunnen genereren.

Beoordelingsstramien

8.    In hoger beroep staat de uitspraak van de rechtbank ter beoordeling, waarbij de rechtbank de rechtmatigheid van een besluit op bezwaar heeft getoetst. De rechtbank moet dat besluit in beroep toetsen aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar. Met een wijziging in de juridische situatie die zich na die datum heeft voorgedaan, mag de rechtbank derhalve geen rekening houden. Ook de Afdeling kan deze wijziging - gelet op het toetsingskader in hoger beroep - niet in haar beoordeling betrekken.

8.1.    De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 14 juli 2016 een motiveringsgebrek bevat en de burgemeester opgedragen om dit gebrek te herstellen. De burgemeester heeft dit gedaan bij brief van 16 november 2017, waarmee hij de motivering van zijn besluit van 14 juli 2016 heeft aangevuld. De rechtbank heeft in de einduitspraak op zich terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2013, overwogen dat in het algemeen geldt dat het bestuursorgaan bij herstel van een gebrek in het kader van een bestuurlijke lus mede acht dient te slaan op inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. Dit uitgangspunt kan, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, onder omstandigheden uitzondering lijden.

8.2.    De Afdeling beoordeelt in hoger beroep in de eerste plaats of de rechtbank in haar tussenuitspraak terecht heeft geoordeeld dat het besluit van 14 juli 2016 een motiveringsgebrek bevat. Dat moet zij volgens de hiervoor onder 8, weergegeven hoofdregel doen aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. Als de Afdeling tot het oordeel komt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van 14 juli 2016 een motiveringsgebrek bevat, betrekt zij eventuele gewijzigde feiten en omstandigheden die zich voordeden tussen dat besluit en het herstel van het door de rechtbank geconstateerde gebrek wel in haar beoordeling.

Ernstig gevaar

9.    Gelet op hetgeen [wederpartij] aanvoert, ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester zich in het besluit van 14 juli 2016 terecht op het standpunt heeft gesteld dat ernstig gevaar bestaat dat [wederpartij] de gevraagde exploitatievergunning zal gebruiken om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob.

9.1.    De burgemeester heeft aan zijn standpunt het volgende ten grondslag gelegd:

1) Een veroordeling tot betaling van twee geldboetes van € 400,00 wijst erop dat [vennoot A] in 2000 in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen heeft gehandeld. Het feit dat hij een transactievoorstel van € 900,00 heeft geaccepteerd geeft het ernstig vermoeden dat hij ook in 2004 in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen heeft gehandeld.

2) [vennoot A] heeft een aan hem opgelegde naheffingsaanslag  omzetbelasting van € 1.500,00 en een vergrijpboete van € 375,00 betaald. Hieruit volgt het ernstige vermoeden dat hij over het jaar 2010 heeft gehandeld in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen door te weinig omzetbelasting af te dragen.

3) [vennoot A] is in hoger beroep op 18 juli 2013 veroordeeld tot een geldboete van € 20.000,00 subsidiair 135 dagen hechtenis voor het plegen van valsheid in geschrifte. Deze veroordeling is inmiddels onherroepelijk. Het strafbare feit bestond uit het gebruik van valse werkgeversverklaringen, met behulp waarvan hypothecaire leningen zijn afgesloten voor de aankoop van panden aan de [locatie 2] te Waalwijk en de [locatie 3] te Breda. [vennoot A] was van 3 april 2001 tot 12 september 2002 mede-eigenaar van het pand in Waalwijk en van 10 november 2000 tot 1 oktober 2007 van het pand in Breda. De hypothecaire leningen die [vennoot A] heeft verkregen als gevolg van de valsheid in geschrifte zijn onmiddellijk uit die misdrijven afkomstig. Door met de leningen de panden aan de [locatie 3] te Breda en de [locatie 2] te Waalwijk te kopen, heeft [vennoot A] de geleende gelden (onmiddellijk uit misdrijf afkomstig) omgezet in registergoederen (middellijk uit misdrijf afkomstig). Hieruit volgt een ernstig vermoeden dat [vennoot A] zich in de periode van 10 november 2000 tot 1 oktober 2007 schuldig heeft gemaakt aan witwassen, aldus de burgemeester.

9.2.    De burgemeester heeft op 6 augustus 2013 een vergunning verleend aan [bedrijf B], waarvan [vennoot A] ook een vennoot was, voor de exploitatie van de horecaonderneming [bedrijf C] aan de [locatie 4] in Eindhoven. De veroordeling tot betaling van de geldboetes, de naheffingsaanslag en vergrijpboete en de veroordeling voor valsheid in geschrifte waren er op die datum ook al. De burgemeester stelde zich toen, op grond van twee adviezen van het Bureau Bibob van 25 april 2013 en 29 juli 2013, op het standpunt dat geen ernstig gevaar bestond dat de vergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Dat de burgemeester zich nu op een ander standpunt stelt, komt doordat hij de, hiervoor onder 9.1. bij 3), vermelde feiten en omstandigheden inmiddels anders waardeert. Deze feiten en omstandigheden geven volgens hem nu, als gevolg van een verandering in de rechtspraak, een ernstig vermoeden van het plegen van witwassen. De burgemeester heeft aangevoerd dat het verkrijgen van een hypotheek door een misdrijf en de aankoop van panden ten tijde van de besluitvorming over de aanvraag van [bedrijf B] in de rechtspraak als één feitelijke handeling werden gezien, die niet was gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld en daarom niet als witwassen kon worden gekwalificeerd. Dit veranderde volgens de burgemeester door een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juli 2014 (niet gepubliceerd). Vanaf toen werd de aanschaf van een pand met behulp van een hypothecaire geldlening als een complex van opeenvolgende handelingen gezien. De hypothecaire lening die door misdrijf is verkregen, wordt omgezet in een eigendomsrecht op onroerend goed en daarmee wordt de criminele herkomst verhuld. Deze handelingen moeten volgens het gerechtshof als witwassen worden gekwalificeerd.

9.3.    [vennoot A] is door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in 2013 veroordeeld voor het plegen van valsheid in geschrifte. Het gerechtshof achtte wettig en overtuigend bewezen dat hij in de periode van 26 september 2000 tot en met 10 november 2000 en in de periode van 7 februari 2001 tot en met 2 april 2001 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse werkgeversverklaringen om een hypotheek te verkrijgen. Bekend is dat hij met die hypotheken panden aan de [locatie 3] te Breda en de [locatie 2] te Waalwijk heeft aangekocht. [vennoot A] was vanaf 10 november 2000 mede-eigenaar van het pand in Breda en vanaf 3 april 2001 van het pand in Waalwijk. Ten tijde van het verkrijgen van de hypotheek en de aankoop van de panden kende het Wetboek van Strafrecht evenwel geen bepaling waarin witwassen strafbaar is gesteld. Artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht, waarin witwassen strafbaar is gesteld, is pas daarna, op 6 december 2001 in werking getreden. Gelet hierop was er geen grond voor een ernstig vermoeden dat [vennoot A] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De burgemeester heeft dit vermoeden dan ook ten onrechte bij de beoordeling van het gevaar ten tijde van het nemen van het besluit van 14 juli 2016 betrokken. Gelet hierop is niet begrijpelijk waarom de burgemeester de ten aanzien van [vennoot A] opgekomen feiten en omstandigheden anders waardeert dan hij in 2013 deed, toen hij de aanvraag van [bedrijf B] beoordeelde. De burgemeester heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat ernstig gevaar bestond dat de door [wederpartij] aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. De rechtbank is in haar tussenuitspraak ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.

Overschrijding redelijke termijn

10.    [wederpartij] heeft op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden  verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. In de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, heeft de Afdeling overwogen dat in zaken die, zoals in dit geval, uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, in beginsel een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. In niet-punitieve zaken vangt de redelijke termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Dit betekent dat de tijd die daaraan vooraf is gegaan, dat wil in dit geval zeggen de tijd vanaf het moment van het doen van de aanvraag, buiten beschouwing blijft in het kader van de vaststelling van de redelijke termijn van de procedure.

10.1.    [wederpartij] heeft bij brief van 13 oktober 2015 bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van 9 oktober 2015. Dit bezwaar is op 15 oktober 2015 door de burgemeester ontvangen. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift zijn 3 jaar en iets meer dan 7 maanden verstreken. De redelijke termijn is in dit geval dus niet overschreden.

Slotsom

11.    Hiervoor, onder 9 e.v. is overwogen dat de rechtbank in de tussenuitspraak van 6 oktober 2017 ten onrechte heeft geoordeeld dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Het incidenteel hoger beroep van [wederpartij] is daarom gegrond. De tussenuitspraak dient te worden vernietigd. De einduitspraak van 17 mei 2018 wordt gedeeltelijk vernietigd. De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] terecht gegrond verklaard en het besluit van 14 juli 2016 terecht vernietigd. Zij heeft de burgemeester echter ten onrechte opgedragen een nieuw besluit te nemen op het door [wederpartij] tegen het besluit van 9 oktober 2015 gemaakte bezwaar. Daarnaast is de rechtbank ten onrechte niet overgegaan tot het herroepen van het besluit van 9 oktober 2015.

11.1.    Omdat [wederpartij] de exploitatie van de bakkerij inmiddels heeft overgedragen, heeft zij geen belang meer bij een nieuwe vergunning. Zij heeft dus ook geen belang meer bij een nieuw besluit op haar aanvraag van 6 november 2014. De Afdeling zal daarom bepalen dat de burgemeester geen nieuw besluit op de aanvraag hoeft te nemen.

11.2.    De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten van [wederpartij] te worden veroordeeld. Omdat de burgemeester voor de behandeling van het hoger beroep nog geen griffierecht heeft betaald, zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb bepalen dat alsnog griffierecht van hem zal worden geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het incidenteel hoger beroep van [wederpartij] gegrond;

II.    vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 oktober 2017 in zaak nr. 16/2232;

III.    vernietigt de einduitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 mei 2018 in zaak nr. 16/2232, voor zover de rechtbank de burgemeester van Eindhoven daarin heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen op het door [wederpartij] tegen het besluit van 9 oktober 2015, kenmerk H14/21655, gemaakte bezwaar en voor zover de rechtbank heeft nagelaten het besluit van 9 oktober 2015 te herroepen;

IV.    herroept het besluit van 9 oktober 2015;

V.    bepaalt dat de burgemeester van Eindhoven geen nieuw besluit hoeft te nemen op de aanvraag van [wederpartij] van 6 november 2014;

VI.    verklaart het hoger beroep van de burgemeester van Eindhoven ongegrond;

VII.    veroordeelt de burgemeester van Eindhoven tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    bepaalt dat van de burgemeester van Eindhoven een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Binnema

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2019

589.

 

BIJLAGE

 

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Artikel 3

1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

[…]

3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.