Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
201805878/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:2834, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2017 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn in de Basisregistratie registratie (hierna: Brp) geregistreerde gegevens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805878/1/A3.

Datum uitspraak: 22 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2018 in zaak nr. 18/602 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2017 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn in de Basisregistratie registratie (hierna: Brp) geregistreerde gegevens afgewezen.

Bij brief van 10 januari 2017 heeft [appellant] hiertegen bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het college heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 28 mei 2018 heeft de rechtbank het als beroep doorgezonden bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.V. Teunissen en mr. H.K.C. van Nijnanten, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De van belang zijnde bepalingen uit de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) zijn opgenomen in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    In 2002 zijn van [appellant] de volgende persoonsgegevens ingeschreven op basis van een door hem afgelegde verklaring onder ede: [appellant], [voornaam A], geboren op [1985] te Yantai, China, oudergegevens onbekend.

    [appellant] heeft op 18 november 2016 verzocht om wijziging van deze persoonsgegevens in: [appellant], [voornaam B], geboren op [1983], te Zheijang, China. Zijn vader is [appellant], [voornaam vader], geboren op [1959] en zijn moeder is [appellant], [voornaam moeder], geboren op [1963].

    In het kader van dit verzoek heeft [appellant] de volgende documenten overgelegd:

- een Chinees paspoort, afgegeven op 16 februari 2011 door de Chinese ambassade te Den Haag;

- een notariële verklaring van geboorte, afgegeven op 11 oktober 2011 te China, vertaald en gelegaliseerd;

- een notariële verklaring van woonplaats, afgegeven op 14 april 2016 te China door het Public Security Bureau (hierna: PSB), vertaald en gelegaliseerd;

- een kopie van een Hukou (householdregister), afgegeven op 18 augustus 2010 te China, vertaald en gelegaliseerd;

- een DNA-onderzoeksrapport, opgemaakt op 8 november 2016 door Sanquin Diagnostiek te Amsterdam;

- een gezichtsvergelijkend onderzoek, opgemaakt op 26 september 2016 door het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau;

- een kopie van een Chinees paspoort afgegeven in 1999 te China (origineel niet getoond);

- een aantal documenten over zijn opleiding, waaronder een middelbare schooldiploma en een koksdiploma;

- een kopie van de identiteitskaarten van zijn ouders, niet vertaald en niet gelegaliseerd (origineel niet getoond).

3.    Het college heeft het verzoek van [appellant] afgewezen omdat onvoldoende is aangetoond dat de in de Brp geregistreerde gegevens onjuist zijn en dat de nieuwe identiteit aan [appellant] toebehoort. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte zijn persoonsgegevens niet heeft gewijzigd.

    Daartoe voert hij aan dat ten onrechte niet van de inhoud van het recente paspoort is uitgegaan. De Chinese diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging heeft namelijk zijn identiteit geverifieerd alvorens hij een nieuw paspoort kon krijgen. Dit blijkt zowel uit het Algemeen ambtsbericht China van december 2012 als uit dat van februari 2018.

    Ook is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan de PSB-verklaring. Deze PSB-verklaring is bij notariële akte gelegaliseerd. Deze akte bevat de originele PSB-verklaring en is juist daarom van waarde. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de notaris alleen uitspraak heeft gedaan over de handtekening en de stempel op de PSB-verklaring. Dat is juist de functie van legalisatie van buitenlandse documenten. Voor legaliseren van documenten uit China voor gebruik in Nederland, zo stelt het ministerie van Buitenlandse Zaken, is een PSB-verklaring één van de drie documenten die als brondocument kunnen dienen voor het opmaken van de notariële geboorteakte. De PSB-verklaring is derhalve het aangewezen document dat ten grondslag ligt aan de dubbel gelegaliseerde notariële geboorteakte. Het is onduidelijk waarom het van belang is dat de PSB-verklaring na komst van [appellant] in Nederland is opgemaakt.

    De rechtbank heeft [appellant] in navolging van het college ten onrechte tegengeworpen dat een recent exemplaar van de hukou ontbreekt. Dit is niet vereist voor een wijziging van in de Brp geregistreerde gegevens. Uit landeninformatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat bij langer verblijf buiten China geen actuele hukou hoeft te worden overgelegd. [appellant] verblijft al achttien jaar buiten China.

    Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat bij het overgelegde DNA-onderzoek brondocumenten van voor de komst van [appellant] naar Nederland nodig zijn. Met het DNA-onderzoek kan de link tussen hem en de recente brondocumenten worden gelegd. Hij wijst op de uitspraken van de Afdeling van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2642, en 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:580. Legalisatie van de identiteitsdocumenten van de ouders van [appellant] is niet nodig. De identiteit van de ouders heeft Sanquin bij het DNA-onderzoek vastgesteld conform de voorgeschreven procedure.

    De rechtbank heeft daarnaast miskend dat het gezichtsvergelijkend onderzoek en het koksdiploma onderbouwen dat de brondocumenten betrekking hebben op hem. Niet duidelijk is waarom het gezichtsvergelijkend onderzoek gebaseerd moet zijn op foto’s op brondocumenten van voor de komst van [appellant] naar Nederland. Uit het onderzoek blijkt dat de persoon op het verblijfsdocument van [appellant] dezelfde is als die op het huidige Chinese paspoort en het Chinese certificaat van de beroepsopleiding tot chef. Dit laatste document is opgesteld voor de komst van [appellant] naar Nederland. Hieruit blijkt dat hij ook voor zijn komst naar Nederland bekend stond onder de persoonsgegevens die hij heeft opgegeven bij het wijzigingsverzoek.

    Tot slot wijst [appellant] erop dat bij een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 maart 2003 in rechte is komen vast te staan dat de gegevens in de Brp onjuist zijn. Het overgelegde bewijs bevestigt dat. Hij heeft voldoende aangetoond dat de opgegeven gegevens aan hem toebehoren, aldus [appellant].

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:866), is het doel van de Wet brp dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Het bewijs dat eenmaal in de Brp opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan slechts worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de Brp geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet brp onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

4.2.    [appellant] is destijds in de Brp ingeschreven op basis van een verklaring onder ede als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet brp. Voor het wijzigen van zijn geregistreerde persoonsgegevens heeft hij onder meer een paspoort overgelegd dat door de Chinese ambassade in Den Haag op 11 oktober 2011 is afgegeven. Dit is een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet Brp en derhalve van hogere rangorde dan de verklaring onder ede. Niet in geschil is dat dit paspoort echt is. De vraag is evenwel of het document op [appellant] betrekking heeft. Het college heeft [appellant] weliswaar tegengeworpen dat het paspoort van na de inreisdatum van [appellant] in Nederland is, maar dat doet niet af aan de geldigheid van het paspoort. In beginsel dient van de juistheid van een door de Chinese autoriteiten afgegeven paspoort te worden uitgegaan.

    Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dit paspoort te hebben verkregen op basis van zijn vorige paspoort uit 2006. Dit paspoort heeft hij nog in bezit, zij het dat hiervan een stuk is afgeknipt. [appellant] stelt dat de Chinese ambassade in Den Haag dit paspoort in 2006 heeft afgegeven ter vervanging van zijn paspoort uit 1999 en dat dit is vermeld op het paspoort uit 2006. Van het paspoort uit 1999 beschikt hij alleen nog over een kopie.

    Uit het ambtsbericht uit 2012 waarop [appellant] wijst, blijkt dat Chinese onderdanen die in het buitenland verblijven op basis van een kopie van het oorspronkelijke paspoort of een ander origineel document waaruit de Chinese nationaliteit en identiteit van de aanvrager blijkt een nieuw paspoort kunnen krijgen. Hoewel niet vast staat hoe de Chinese ambassade in dit concrete geval destijds de identiteit van [appellant] heeft onderzocht en vastgesteld, moet er gelet op het ambtsbericht van worden uitgegaan dat dit wel is gebeurd. [appellant] heeft evenwel voor het eerst ter zitting bij de Afdeling het paspoort uit 2006 getoond, waardoor het college de keten van de drie paspoorten, te weten de kopie van het paspoort uit 1999, het ter zitting getoonde paspoort uit 2006 en het paspoort uit 2011 niet tezamen heeft kunnen onderzoeken. Dat neemt echter niet weg dat het paspoort uit 2011 op eigen waarde had kunnen worden beoordeeld omdat het een pasfoto bevat aan de hand waarvan [appellant] kan worden geïdentificeerd.

4.3.    Hoewel het college twijfelt aan de hukou omdat hierin niet is vermeld dat [appellant] is uitgeschreven uit het huishouden na zijn vertrek uit China, neemt dat niet weg dat de gegevens die hierin over hem zijn opgenomen overeenkomen met de gegevens uit zijn paspoort uit 2011. Op de hukou zijn naast de gegevens over [appellant] ook de gegevens van zijn ouders vermeld, te weten [appellant], [voornaam vader] en [appellant], [voornaam moeder]. Uit het overgelegde DNA-onderzoek blijkt dat zij met een grotere zekerheid dan 99,9999% de biologische ouders zijn van [appellant]. Er is geen reden om ervan uit te gaan dat de identiteitscontrole van de ouders van [appellant] door het Nederlandse Consulaat-Generaal te Shanghai onjuist heeft plaatsgevonden.

4.4.    Ten aanzien van de notariële akte van de PSB-verklaring is ter zitting gebleken dat deze in een andere vorm is opgemaakt dan normaliter het geval is, waardoor Bureau Documenten de echtheid van het document niet heeft kunnen nagaan. Ook al stelt [appellant] dat de notariële akte de originele PSB-verklaring bevat, op basis van dit aangeleverde document is de waarde van de PSB-verklaring niet te beoordelen en kan hieraan niet het gewicht worden gegeven dat [appellant] eraan gehecht wenst te zien.

4.5.    In het gezichtsvergelijkend onderzoek zijn foto’s van het koksdiploma, het verblijfsdocument en het paspoort uit 2011 onderzocht. De conclusie van het onderzoek is dat het veel waarschijnlijker is dat de foto’s op het verblijfsdocument en het paspoort uit 2011 dezelfde persoon als de persoon op het koksdiploma betreffen dan dat dit niet zo is. Aan dit onderzoek kan echter niet de waarde worden gehecht die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien, omdat een kopie van het koksdiploma is onderzocht en niet het originele document. Daar komt bij dat in het onderzoeksrapport niets is vermeld over de waarschijnlijkheid dat de persoon op de foto op het verblijfsdocument, waarop de in de Brp geregistreerde persoonsgegevens staan, dezelfde is als de persoon op de foto van het paspoort uit 2011 en er dus ook om die reden geen waarde aan het onderzoek kan worden gehecht.

4.6.    Uit het voorgaande volgt dat het college terecht geen waarde heeft gehecht aan de PSB-verklaring, het gezichtsvergelijkend onderzoek en het koksdiploma, maar dat het ten onrechte geen waarde heeft gehecht aan het paspoort uit 2011. Naast dat dit document op eigen waarde had kunnen worden beoordeeld gelet op de pasfoto erop, komen de erop vermelde gegevens overeen met de gegevens die in de hukou zijn vermeld. Verder is gebleken dat de op de hukou vermelde ouders [appellant]’s biologische ouders zijn. De Afdeling is van oordeel dat het op de weg van het college lag het paspoort uit 2011 nader te onderzoeken. Het college dient dit alsnog te doen, mede aan de hand van de kopie van het paspoort uit 1999 en het ter zitting getoonde paspoort uit 2006. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 5 december 2017 van het college alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het door [appellant] ingediende verzoek nemen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit, indien daartegen met toepassing van artikel 7:1a van de Awb rechtstreeks beroep kan worden ingesteld, dan wel, indien niet van artikel 7:1 van de Awb wordt afgeweken, tegen een daaropvolgend besluit op bezwaar, slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2018 in zaak nr. 18/602;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal van 5 december 2017, kenmerk 2017\14444;

V.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit, indien daartegen met toepassing van artikel 7:1a van de Awb rechtstreeks beroep kan worden ingesteld, dan wel, indien niet van artikel 7:1 van de Awb wordt afgeweken, tegen een daaropvolgend besluit op bezwaar, slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.048,00 (zegge: tweeduizend achtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 423,00 (zegge: vierhonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Borman    w.g. Niane-van de Put

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2019

805.

 

BIJLAGE

 

Wet brp

Artikel 2.8

[…]

2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

[…]

Artikel 2.58

1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen.

[…]