Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:161

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
201802541/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het college de aanvraag van [appellante] om verlenging van haar voorrangsverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802541/1/A3.

Datum uitspraak: 23 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2018 in zaak nr. 17/5390 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het college de aanvraag van [appellante] om verlenging van haar voorrangsverklaring afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. H. Oldenhof, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.D.P. Guarracino, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] woont met haar partner en zes kinderen in een maisonnette. [appellante] heeft op 26 januari 2010 een voorrangsverklaring aangevraagd voor toewijzing van een passende woning. Omdat zij moeite heeft met traplopen door een cardiale stoornis heeft zij een voorrangsverklaring aangevraagd op sociaal-medische gronden. Het college heeft de GGD-arts om advies verzocht. Uit dit advies bleek dat de woonsituatie medisch en sociaal ontwrichtend is. Het college heeft daarom voor drie maanden een voorrangsverklaring verleend. Deze is voor een portiekwoning of flat zonder lift en dan alleen de onderste woonlaag, een flat met lift of een benedenwoning. [appellante] heeft sinds de voorrangsverklaring is verleend, meermalen verzocht om verlenging van de voorrangsverklaring. Verlenging van de voorrangsverklaring kan in beginsel ten hoogste eenmaal en kan daarna slechts op grond van de hardheidsclausule geschieden. De laatste keer dat het college verlenging heeft verleend was op 3 augustus 2016 voor drie maanden. Op 7 november 2016 heeft het college opnieuw van [appellante] een aanvraag om verlenging van de voorrangsverklaring ontvangen. Deze aanvraag heeft het college afgewezen, omdat zij niet heeft gereageerd op een volgens het college passende woning. Na het door [appellante] gemaakte bezwaar heeft het college zijn standpunt gehandhaafd.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] in de periode dat zij in het bezit was van de laatst verleende voorrangsverklaring heeft nagelaten te reageren op een geschikte woning. Het college heeft de aanvraag om de verlenging van de voorrangsverklaring mogen afwijzen, omdat van [appellante] mocht worden gevergd dat zij adequaat gebruik zou maken van de voorrangsverklaring en zou reageren op geschikt woningaanbod. Niet is gebleken dat [appellante], haar echtgenoot of één van haar inmiddels volwassen kinderen niet op de woning heeft kunnen reageren. Derhalve heeft het college in redelijkheid van toepassing van de hardheidsclausule kunnen afzien, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag om verlenging van de voorrangsverklaring heeft mogen afwijzen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de woning waar zij op had kunnen reageren gezien het zoekprofiel en het inkomensvereiste niet passend was. Daarnaast heeft de rechtbank miskend dat persoonlijke omstandigheden aanleiding gaven tot het toepassen van de hardheidsclausule. De woning werd gepubliceerd toen haar vader op sterven lag. Het gezin was daardoor volledig in beslag genomen. In deze situatie kon niet verwacht worden dat zij op een woningaanbod zou reageren. Dit kon evenmin verwacht worden van de andere gezinsleden, aldus [appellante].

3.1.    In artikel 30 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2015 - 2019 staat:

"1. De in artikel 29 tweede lid bedoelde voorrangsverklaring geldt alleen voor een termijn van drie maanden.

[…]

3. Indien de woningzoekende kan aantonen dat de voorrangsverklaring niet binnen de termijn waarvoor de voorrangsverklaring geldt, kon worden benut én er niet sprake is van een (of meer) weigeringen van een passende woningaanbieding, kan na advies van de toetsingscommissie de duur van de voorrangsverklaring ten hoogste één maal worden verlengd.

[…]"

    In artikel 46 van de Huisvestingsverordening staat:

"Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening."

3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de beschikbare woning paste binnen het zoekprofiel dat op het gezin van toepassing was, aangezien deze woning zes kamers had en zich bevond in een flat met een lift. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU7882)) mag het college van het zoekprofiel uitgaan, aangezien het besluit waarbij dat is vastgesteld niet of niet met succes is bestreden. Het college heeft toegelicht dat de inkomenseis een maximum was dat hoger was dan het inkomen van [appellante], zodat dit geen weigeringsgrond was. [appellante] heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat de woning ondanks het voorgaande niet passend was. Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de woning een passende woning was.

3.3.    Niet in geschil is dat de voorrangsverklaring van [appellante] reeds dertien keer is verlengd sinds het college de voorrangsverklaring heeft verleend in 2010. Desgevraagd heeft [appellante] tijdens de zitting verklaard dat het wonen in de huidige woning gepaard gaat met veel pijn en moeite. Van haar mocht worden verwacht dat zij adequaat gebruik zou maken van de voorrangsverklaring en zou reageren op geschikt woningaanbod. Door te reageren op de woning had [appellante] haar huisvestingsprobleem kunnen oplossen.

    Hoewel het begrijpelijk is dat [appellante] een moeilijke periode had toen de woning beschikbaar was en gepubliceerd werd, omdat haar vader op sterven lag, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit geen aanleiding vormt voor het opnieuw toepassen van de hardheidsclausule. Daarbij is van belang dat de woning reeds was gepubliceerd voor het overlijden toen [appellante] nog in Nederland was en nog niet in Marokko, waar haar vader zou worden begraven. Ook van belang is dat de voorrangsverklaring voor het hele gezin is afgegeven en deze situatie reeds zeven jaren duurde. Uit wat [appellante] aanvoert blijkt niet dat zij of, namens haar, haar partner of één van haar inmiddels volwassen kinderen niet op dit aanbod kon reageren. De woningen die passend zijn voor een gezin van acht mensen zijn schaars. Het meermalen verlengen van de voorrangsverklaring op grond van de hardheidsclausule houdt verband met deze schaarste. Om deze reden mocht van [appellante] te meer verwacht worden dat zij haar voorrangsverklaring goed zou benutten.

3.4.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de aanvraag van [appellante] om verlenging van de voorrangsverklaring mocht afwijzen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019

582-893.