Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
201802018/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling ambtshalve voorlopig uitstel van vertrek verleend krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met ingang van 30 maart 2017 tot 30 juni 2017, of zoveel korter als tot de datum waarop is beslist op de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802018/1/V1.

Datum uitspraak: 15 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 februari 2018 in zaak nr. 17/13234 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling ambtshalve voorlopig uitstel van vertrek verleend krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met ingang van 30 maart 2017 tot 30 juni 2017, of zoveel korter als tot de datum waarop is beslist op de aanvraag.

Bij besluit van 3 juli 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 23 december 2016 heeft de staatssecretaris de vreemdeling uitstel van vertrek verleend krachtens artikel 64 van de Vw 2000, met ingang van 7 maart 2016 tot 7 maart 2017. De vreemdeling heeft op 7 maart 2017 opnieuw gevraagd om uitstel van vertrek.

    De staatssecretaris heeft het verleende uitstel van vertrek laten ingaan op 30 maart 2017, omdat hij een advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) nodig heeft voor de door hem naar aanleiding van het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili/België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, te maken beoordeling en pas op die datum de aanvraag compleet was en hij deze kon voorleggen aan het BMA. In geschil is of de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte uitstel van vertrek heeft verleend met ingang van 30 maart 2017, in plaats van 7 maart 2017. Met het besluit van 19 april 2017 is een verblijfsgat ontstaan van 23 dagen. Niet in geschil is dat de staatssecretaris ten tijde van het besluit van 3 juli 2017 nog geen beleid had ontwikkeld naar aanleiding van het arrest Paposhvili.

Toepasselijk beleid van de Vreemdelingencirculaire 2000 op 3 juli 2017 (hierna: de Vc 2000)

2.    Paragraaf A3/7.1.3 van de Vc 2000 luidde:

'De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk alle volgende mededelingen aan de vreemdeling:

• dat uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw;

• de duur van de opschorting van het vertrek. Deze periode vangt aan op de datum van de beschikking waarbij de IND artikel 64 Vw toepast (…).

(…)'

    Paragraaf A3/7.2 van de Vc 2000 luidde:

'(…)

De IND past artikel 64 Vw toe in afwachting van de beslissing op de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als de IND op de datum van de afspraak aan het IND-loket vaststelt dat:

• de vreemdeling een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw heeft ingediend; en

• de vreemdeling voorafgaand aan de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij de schriftelijke kennisgeving alle relevante bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.1 Vc heeft overgelegd op de wijze zoals beschreven in die paragraaf; en

• het advies van het BMA nog niet gereed is.

(…)'

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris een willekeurige ingangsdatum heeft gekozen. Volgens de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat de aanvraag op 30 maart 2017 compleet was en heeft de vreemdeling terecht aangevoerd dat de door haar op 30 maart 2017 overgelegde toestemmingsverklaring van haar behandelaars en een kopie van een geldig paspoort niet relevant waren voor het ambtshalve verlenen van voorlopig uitstel van vertrek in afwachting van nog te vormen beleid. Ook heeft de staatssecretaris met deze ingangsdatum ten onrechte geen aansluiting gezocht bij de datum waarop de vreemdeling de leges heeft betaald, want dat was pas op 4 april 2016 (lees: 4 april 2017), aldus de rechtbank. De rechtbank heeft verder overwogen dat de staatssecretaris geen beleid voert over ambtshalve verlening van uitstel van vertrek in afwachting van definitieve besluitvorming in verband met nog te vormen beleid. Volgens de rechtbank brengt de redelijkheid dan mee dat de staatssecretaris aansluiting zoekt bij de algemene regel dat uitstel van vertrek wordt verleend met ingang van de datum van de aanvraag. Het toepassen van de uitzonderingsregel, zoals neergelegd in paragraaf A3/7.1.3 van de Vc 2000, over een medische inhoudelijke beoordeling, heeft de rechtbank niet redelijk geacht.

Grieven

4.    De grieven van de staatssecretaris zijn gericht tegen de onder 3 weergegeven overwegingen. De staatssecretaris voert aan dat de vreemdeling niet heeft ontkend dat de aanvraag op 30 maart 2017 gecompleteerd is. Verder betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij geen leges heft bij een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris verder niet onderkend dat hij volgens paragraaf A3/7.2 van de Vc 2000 voor ambtshalve verlening van uitstel van vertrek in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, moet vaststellen of de vreemdeling alle relevante bewijsmiddelen zoals genoemd in paragraaf A3/7.1 van de Vc 2000, heeft overgelegd die nodig zijn om bij het BMA een medisch advies op te vragen voor de beoordeling van die aanvraag. De pas op 30 maart 2017 ingediende stukken zijn volgens de staatssecretaris relevant voor de ingangsdatum, omdat hij pas als door het BMA is beoordeeld of het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie, toekomt aan de beoordeling of de vreemdeling gelet op het arrest Paposhvili in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van uitstel van vertrek.

Leges

5.    De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris met de ingangsdatum van 30 maart 2017 geen aansluiting heeft gezocht bij de datum waarop de vreemdeling de leges heeft betaald, namelijk 4 april 2017. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 geen leges heft. Uit artikel 34 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 volgt dat een vreemdeling alleen leges verschuldigd is voor de afdoening van een aanvraag tot verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. Een aanvraag om uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van de Vw 2000 is niet zo'n aanvraag.

Ingangsdatum

6.    De staatssecretaris voert terecht aan dat paragraaf A3/7.2 van de Vc 2000 gaat over de situatie waarin een vreemdeling alle relevante bewijsmiddelen genoemd in paragraaf A3/7.1 van de Vc 2000 heeft overgelegd, maar hij nog geen besluit kan nemen op de aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, omdat er nog geen BMA-advies ligt en dit niet te wijten is aan die vreemdeling. In deze zaak heeft het BMA op 10 april 2017 advies uitgebracht, maar heeft de staatssecretaris desondanks nog geen besluit genomen op de aanvraag omdat hij in afwachting was van het te vormen beleid naar aanleiding van het arrest Paposhvili. De staatssecretaris heeft aansluiting gezocht bij paragraaf A3/7.2 van de Vc 2000. Beide situaties gaan over het ambtshalve verlenen van uitstel van vertrek in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag om uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van de Vw 2000.

6.1.    Omdat de staatssecretaris geen beleid voert over het ambtshalve verlenen van uitstel van vertrek in afwachting van te vormen beleid, moet hij motiveren waarom hij in dit concrete geval, na afweging van alle betrokken belangen, ervoor heeft gekozen aan te sluiten bij paragraaf A3/7.2 van de Vc 2000. De staatssecretaris heeft dit gedaan. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 6 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:390, onder 4.6. De staatssecretaris heeft terecht bij het besluit van 3 juli 2017 betrokken dat het verblijfsgat geheel is toe te rekenen aan het handelen van de vreemdeling, omdat zij de aanvraag pas op 7 maart 2017 heeft ingediend terwijl het eerder verleende uitstel van vertrek de dag ervóór afliep. Ook heeft de vreemdeling niet bestreden dat de aanvraag niet compleet was en pas op 30 maart 2017 gecompleteerd is. De rechtbank heeft dat laatste niet onderkend.

6.2.    Onder die omstandigheden heeft de staatssecretaris de vreemdeling niet tekort gedaan door het tijdelijke uitstel van vertrek per 30 maart 2017 toe te kennen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris het tijdelijke uitstel van vertrek per eerdere datum had moeten toekennen.

    De grieven slagen.

Conclusie hoger beroep

7.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing:

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 februari 2018 in zaak nr. 17/13234;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. De Vink

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019

154-850.