Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:158

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
201802585/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:1342, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2016 heeft het college de sluiting bevolen van de woning aan de [locatie] te [woonplaats] (hierna: de woning) voor de duur van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802585/1/A1.

Datum uitspraak: 23 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2018 in zaak nr. 17/3180 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2016 heeft het college de sluiting bevolen van de woning aan de [locatie] te [woonplaats] (hierna: de woning) voor de duur van zes maanden.

Bij besluit van 20 april 2017 heeft het college het door [appellant] tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 18 december 2018 gevoegd behandeld met de zaken nrs. 201802934/1/A1 en 201802635/1/A3. Op deze zitting zijn [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.A.S. Maduro, advocaat te Rotterdam, [eigenaar A], wonend te [woonplaats], [gemeente], bijgestaan door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, verschenen. De Afdeling heeft de zaken na de zitting gesplitst.

Overwegingen

1.    De woning is het eigendom van [eigenaar A] en [eigenaar B] (hierna: de eigenaren). [appellant] huurt de woning sinds 1 oktober 2014 en staat hier vanaf 27 oktober 2014 - vanaf 10 september 2015 als enige bewoner - ingeschreven in de Basisregistratie persoonsgegevens. Op 13 augustus 2016 hebben inspecteurs van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een hennepkwekerij aangetroffen in de woning. Deze is onder toepassing van spoedeisende bestuursdwang onmiddellijk ontmanteld. Bij besluit van 21 november 2016 heeft het college de sluiting van de woning bevolen op grond van artikel 17 van de Woningwet. [appellant] is het met dit bevel niet eens. Hij vindt dat hij ten onrechte als overtreder wordt aangemerkt omdat hij op vakantie was in de periode dat de hennepkwekerij werd opgericht en vervolgens werd ontdekt en ontmanteld. Daarnaast heeft het college er volgens [appellant] onvoldoende rekening mee gehouden dat het moeilijk is om alternatieve woonruimte te vinden en dat zijn minderjarige dochter hem regelmatig bezoekt.

2.    Artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet luidt:

    "Een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt."

Artikel 17 luidt:

    "1. Indien herhaaldelijke overtreding van artikel 1a of artikel 1b naar het oordeel van het bevoegd gezag gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid, kan het bevoegd gezag besluiten dat gebouw, open erf of terrein te sluiten. Het bevoegd gezag kan van de overtreder de ingevolge artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht verschuldigde kosten invorderen bij dwangbevel.

2. Het bevoegd gezag bepaalt in het besluit, bedoeld in het eerste lid, de duur van de sluiting."

3.    Hoofdstuk 5, 'Sluiting', van de Beleidsnotitie gemeente Rotterdam 2014 bestuurlijke boete, beheerovername en sluiting op grond van de Woningwet (hierna: de beleidsnotitie) luidt:

    "(…) Als voor de tweede keer een hennepkwekerij in pand wordt ontdekt, zal dat pand in beginsel worden gesloten. Deze maatregel wordt gerechtvaardigd door de grote negatieve impact van de overtreding op de omgeving.

(…)

Voor de termijn van sluiting wordt aansluiting gezocht bij de termijnen die door het college worden gehanteerd in overig Rotterdams handhavingsbeleid. Dat wil zeggen dat in beginsel een sluiting geldt van zes maanden. Indien de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven kan het college besluiten tot een sluiting van maximaal twaalf maanden. In geval er aanleiding is tot matiging kan de duur van de sluiting worden beperkt tot een periode van drie maanden. In alle gevallen wordt de eigenaar aangesproken op de verantwoordelijkheid voor zijn eigendom. Enkel aangeven wel te willen maar niet te kunnen is geen reden voor matigen.

(…)

Uitgangspunt is dat de eigenaar verantwoordelijk is voor eventuele andere bewoners van het pand. Het sluitingsbesluit is tot hem gericht. Gelet op artikel 8 van het EVRM (recht op ongestoord woongenot) zal bij de voorbereiding van het sluitingsbesluit worden beoordeeld of voor een bewoner vervangende woonruimte moet worden geregeld. Als er kinderen bij betrokken zijn, vraagt het Verdrag van de rechten van het kind extra aandacht. Verder zullen zorginstanties worden ingelicht als er bewoners zijn die zorgbehoevend zijn. Hierover worden met de eigenaar afspraken gemaakt. (…)".

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was op grond van artikel 17 van de Woningwet de woning te sluiten. Hij voert hiertoe aan dat de hennepkwekerij na de ontdekking ervan is ontmanteld en dat hij de woning heeft opgeruimd en schoongemaakt. Ten tijde van het besluit van 21 november 2016 bestond volgens hem dan ook niet langer een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid. Ook is volgens [appellant] geen sprake van een herhaaldelijke overtreding van artikel 1a van de Woningwet. Weliswaar heeft hij eerder een bestuurlijke waarschuwing gekregen voor een hennepkwekerij, maar dat betrof een andere woning en in dit geval was hij niet betrokken bij de aangetroffen hennepkwekerij. Deze is buiten zijn medeweten opgericht door personen die hij tijdens zijn vakantie in de woning liet verblijven, aldus [appellant].

4.1.    De rechtbank heeft onweersproken vastgesteld dat op 25 juli 2014 en op 13 augustus 2016 hennepkwekerijen zijn aangetroffen in de woning en dat de wijze van exploitatie daarvan heeft geleid tot het ontstaan van een gevaar voor de gezondheid en veiligheid van de gebruikers en omwonenden van de woning. Reeds op grond hiervan heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat sprake is van een herhaaldelijke overtreding van artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet.

4.2.    Voor het sluiten van een woning op grond van artikel 17, eerste lid, van de Woningwet is niet vereist dat een onmiddellijk gevaar voor de gezondheid of de veiligheid bestaat. Van belang is dat naar het oordeel van het bevoegd gezag de herhaaldelijke overtreding van artikel 1a of artikel 1b gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid. Die bedreiging kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, bestaan uit een gevaar voor verdere herhaling van de overtreding. De periode van drie maanden tussen de ontmanteling van de hennepkwekerij en het besluit tot sluiting van de woning waarin geen overtreding van de Woningwet is geconstateerd is niet dermate lang dat het college het ervoor moest houden dat er geen gevaar voor verdere herhaling meer was. Opgemerkt wordt dat tussen de ontmanteling van de eerste hennepkwekerij in de woning op 25 juli 2014 en de ontmanteling van de tweede hennepkwekerij op 13 augustus 2016 ruim twee jaar waren verstreken. Daarbij is niet in geschil dat de eigenaren naar aanleiding van de eerste hennepkwekerij een bestuurlijke waarschuwing hebben ontvangen en dus wisten dat bij een volgende overtreding van de Woningwet sluiting van de woning zou volgen. Voorts is eerder in een andere woning van [appellant] in Rotterdam een hennepkwekerij aangetroffen, waarvoor ook hij, op 24 juli 2014, een bestuurlijke waarschuwing heeft ontvangen. Het college heeft in het besluit van 21 november 2016 dan ook in redelijkheid kunnen concluderen dat een gevaar voor verdere herhaling van de overtreding bestond. Dat [appellant], naar hij stelt, niet van de op 13 augustus 2016 aangetroffen hennepkwekerij op de hoogte was, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor het toepassing van artikel 17 van de Woningwet niet van belang is wie de overtreding daadwerkelijk heeft begaan.

    Overigens is in de uitspraak van heden in zaak nr. 201802635/1/A3 vastgesteld dat [appellant] terecht als overtreder is aangemerkt.

4.3.    Gelet op het feit dat sprake is van een herhaaldelijke overtreding van artikel 1a van de Woningwet is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid. Het college was daarom op grond van artikel 17 van die wet bevoegd de woning te sluiten.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij het besluit om de woning gedurende zes maanden te sluiten in redelijkheid het belang van de gezondheid en veiligheid van de omgeving en omwonenden van de woning zwaarder heeft kunnen laten wegen dan zijn belang bij ongestoorde voortzetting van het gebruik van de woning. Hij voert aan dat de beleidsregels het college de mogelijkheid bieden om met alle omstandigheden rekening te houden en dat dat in dit geval niet is gebeurd. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met de woningschaarste en met de omstandigheid dat zijn minderjarige dochter hem regelmatig in de woning bezocht, aldus [appellant].

5.1.    Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid met inachtneming van zijn beleidsnotitie en na afweging van de betrokken belangen, de woning voor de duur van zes maanden heeft kunnen sluiten. Zoals de rechtbank onweersproken heeft overwogen woont de dochter van [appellant] bij haar moeder. Sluiting van de woning betekent dus niet dat zij geen woonruimte had. Hoewel [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft verklaard dat hij door de sluiting van de woning dakloos is geraakt, is niet gebleken dat hij geen mogelijkheden had om zelf onderdak te regelen. Zijn stelling dat woningschaarste bestaat, is daartoe onvoldoende.

    Het betoog faalt.

6.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen belanghebbende is bij het besluit van 6 december 2016, waarbij de kosten van de ontmanteling van de hennepkwekerij op de eigenaren zijn verhaald, faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] geen rechtstreeks bij het besluit van 6 december 2016 betrokken belang heeft. Dat volgens [appellant] in dat besluit ten onrechte ervan wordt uitgegaan dat de Woningwet is overtreden, is daartoe onvoldoende.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Van Dijken

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019

595.