Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
201808966/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:8199, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2018 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] om een permanente parkeervergunning afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808966/1/A3.

Datum uitspraak: 15 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2018 in zaak nr. 18/940 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2018 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] om een permanente parkeervergunning afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2018 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen, aan [wederpartij] een permanente parkeervergunning verleend en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.E. van Veeren, mr. H. Barendregt en C.G.J. Jonkergouw, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [wederpartij] woont in het [complex] in de [locatie] te Rotterdam. Hij heeft op 7 januari 2018 verzocht om een permanente parkeervergunning voor bewoners.

Besluitvorming

2.    Bij het besluit van 11 januari 2018 heeft het college de afwijzing van de aanvraag van [wederpartij] om een permanente parkeervergunning voor bewoners gehandhaafd. Het heeft hieraan ten grondslag gelegd dat bij het complex waar [wederpartij] woont, een parkeervoorziening hoort.

    Bij het besluit van 1 februari 2018 heeft het college aan [wederpartij] een tijdelijke parkeervergunning voor bewoners verstrekt, die geldig was tot en met 31 januari 2019.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat het college de aanvraag van [wederpartij] ten onrechte heeft afgewezen. Volgens de rechtbank heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat de parkeergarage in het complex ook duurzaam beschikbaar is voor de bewoners van het complex. Nergens in de bouwvergunning is vermeld dat (een deel van) de parkeergarage bestemd is voor de bewoners van het complex en dit blijkt evenmin uit de feitelijke informatie. [wederpartij] heeft derhalve recht op een permanente parkeervergunning die de rechtbank zelf voorziend heeft verleend.

Hoger beroep

Ontvankelijkheid

4.    In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft [wederpartij] toegelicht dat het college niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het niet met aanvullende feiten komt en de rechtbank de genoemde feiten in haar beoordeling heeft meegenomen. Door hoger beroep in te stellen, belast het college volgens [wederpartij] onnodig de rechterlijke macht met alle kosten voor de gemeenschap van dien. De Afdeling ziet hierin geen grond het college niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling gronden

5.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het de aanvraag van [wederpartij] om een permanente parkeervergunning ten onrechte heeft afgewezen. Het voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat uit de door het college overgelegde stukken volgt dat het complex een bijbehorende parkeervoorziening heeft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k, van het Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2017. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat uit dat artikel volgt dat de parkeervoorziening duurzaam beschikbaar moet zijn voor de bewoners van het complex waartoe de parkeervoorziening behoort, aldus het college.

5.1.    Wat betreft de uitleg van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k, van het Uitvoeringsbesluit heeft de rechtbank terecht overwogen dat taalkundig uit deze definitie volgt dat slechts sprake is van een "bijbehorende parkeervoorziening" als de volgende drie deelvragen bevestigend zijn beantwoord:

- beschikt de parkeervoorziening over een gezamenlijke toegang?

- blijkt uit een omgevings(bouw)vergunning of enig ander document dat de parkeervoorziening behoort bij of toegewezen is aan het gebouw of gebouwencomplex?

- is de parkeergelegenheid bestemd voor het parkeren van motorvoertuigen van personen, die wonen of werken in het gebouw of waaraan deze voorziening is toegewezen?

In hoger beroep is in geschil of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de derde deelvraag ontkennend moet worden beantwoord.

5.2.    De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de parkeergarage bestemd is voor het parkeren van motorvoertuigen door bewoners van het complex. Hiertoe overweegt de Afdeling dat uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k, van het Uitvoeringsbesluit niet kan worden afgeleid dat de parkeervoorziening duurzaam beschikbaar moet zijn voor de bewoners van het complex waarbij de parkeervoorziening hoort. De rechtbank heeft dit ten onrechte in deze bepaling ingelezen. Van belang hierbij is dat, zoals het college heeft toegelicht, een dergelijke uitleg van de derde deelvraag het systeem van het Uitvoeringsbesluit en daardoor van het daarin neergelegde parkeervergunningenbeleid doorkruist. Dit systeem houdt naar het oordeel van de Afdeling in dat een bijbehorende parkeervoorziening in beginsel moet voorzien in parkeerplaatsen voor bewoners van een complex en dat in gevallen waarin een bewoner tijdelijk feitelijk niet over een parkeerplaats kan beschikken een tijdelijke parkeervergunning kan worden afgegeven op grond van artikel 5, achtste lid, van het Uitvoeringsbesluit. Uit de door [wederpartij] overgelegde brief van de beheerder van de parkeervoorziening van 16 januari 2018 volgt weliswaar dat op dat moment geen parkeerplaatsen meer beschikbaar waren en dat geen gebruik wordt gemaakt van een wachtlijst, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de bewoners van het complex in beginsel niet in aanmerking zouden komen voor een parkeerplaats. Het college heeft bovendien ter zitting te kennen gegeven dat [wederpartij] op grondslag van artikel 5, achtste lid, van het Uitvoeringsbesluit in aanmerking komt voor een tijdelijke parkeervergunning. De rechtbank heeft ten onrechte aan de omstandigheid dat in de bouwvergunning niet is vermeld dat een deel van de parkeergarage in het complex bestemd is voor bewoners en dit evenmin zou blijken uit de feitelijke situatie het oordeel verbonden dat geen sprake is van een voor bewoners bestemde parkeergelegenheid, waarmee aanspraak zou bestaan op een permanente parkeervergunning. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte niet onderkend dat de derde deelvraag bevestigend moet worden beantwoord.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het complex beschikt over een bijbehorende parkeervoorziening als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k, van het Uitvoeringsbesluit en [wederpartij] derhalve niet in aanmerking komt voor een permanente parkeervergunning.

5.3.    Het betoog slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] alsnog ongegrond verklaren.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2018 in zaak nr. 18/940;

III.    verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Helder    w.g. Veenboer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019

730.

 

BIJLAGE

 

Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2017

Artikel 1

1. In dit besluit wordt (mede) verstaan onder:

[…]

k. bijbehorende parkeervoorziening:

parkeervoorziening met gezamenlijke toegang, behorend bij of toegewezen aan een gebouw of gebouwencomplex blijkens een omgevings(bouw)vergunning of enig ander document, bestemd voor het parkeren van motorvoertuigen van eigenaren of houders, die wonen of werken in het gebouw of gebouwencomplex waarbij deze voorziening behoort of waaraan deze voorziening is toegewezen. Onder een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening wordt niet verstaan een individuele garagebox, carport of ruimte op een perceel waaraan niet specifiek de bestemming parkeren is toegekend;

[…].

Artikel 5

1. Het college verleent, onverminderd de artikelen 2, 3 en 3a, op aanvraag een bewonersvergunning aan een bewoner, indien:

[…];

b. de aanvrager woonachtig is in een gebouw of gebouwencomplex zonder een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening, en;

[…].

8. In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt uitsluitend een vergunning voor maximaal 12 maanden verleend indien de aanvrager aantoont dat aanvrager op het moment van de aanvraag feitelijk niet over de bij het gebouw of gebouwencomplex behorende of toegewezen parkeervoorziening beschikt of had kunnen beschikken. Hiertoe is een maximaal 6 weken oude schriftelijke verklaring van de eigenaar en/of beheerder van de parkeervoorziening vereist. De verklaring gericht aan de aanvrager en op papier met logo moet ondertekend zijn en tevens verklaren dat de aanvrager op de wachtlijst is geplaatst.

[…].