Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1541

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
201806501/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:2786, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 22 juni 2018 heeft de rechtbank een verzoek van [appellante] om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806501/1/A2.

Datum uitspraak: 15 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 juni 2018 in zaak nr. 18/1212 op een verzoek van [appellante] om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Procesverloop

Bij uitspraak van 22 juni 2018 heeft de rechtbank een verzoek van [appellante] om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.G. Blasweiler, advocaat te Ede, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het verzoek van [appellante] om schadevergoeding terecht heeft afgewezen.

Achtergrond

2.    Op 24 maart 2015 is het rijbewijs van [appellante] ingevorderd wegens het rijden onder invloed van alcohol.

    Bij besluit van 9 april 2015 heeft het CBR [appellante] een onderzoek naar haar alcoholgebruik, bedoeld in artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994, opgelegd. Daarbij is bepaald dat [appellante] € 330,00 aan opleggingskosten en € 726,00 voor het onderzoek naar haar alcoholgebruik moet betalen vóór 18 juni 2015.

    De opleggingskosten heeft [appellante] tijdig voldaan. Het CBR heeft het verzoek van [appellante] om een betalingsregeling voor de onderzoekskosten afgewezen en bericht dat [appellante] deze vóór 3 juli 2015 moet betalen om ongeldigverklaring van haar rijbewijs te voorkomen. Omdat [appellante] niet aan dit vereiste heeft voldaan, is haar rijbewijs bij besluit van 10 juli 2015 ongeldig verklaard.

3.    [appellante] heeft zich op 30 mei 2016 bij het CBR gemeld omdat zij voormeld onderzoek alsnog wilde laten uitvoeren. Zij heeft de hieraan verbonden onderzoekskosten van € 744,00 betaald. Omdat uit het onderzoek is gebleken dat sprake is van alcoholmisbruik, heeft het CBR de ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellante] gehandhaafd bij het besluit van 15 februari 2017. Haar hiertegen gerichte bezwaar is bij besluit van 3 augustus 2017 ongegrond verklaard.

4.    Bij uitspraak van 27 december 2017 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 3 augustus 2017 wegens een motiveringsgebrek gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

5.    Bij besluit van 4 januari 2018 heeft het CBR het bezwaar van [appellante] alsnog gegrond verklaard, het besluit van 15 februari 2017 herroepen en haar geschikt verklaard voor het besturen van motorrijtuigen.

Verzoek om schadevergoeding

6.    [appellante] heeft het CBR bij brief van 21 januari 2018 verzocht de schade ten bedrage van € 2.229,68 te vergoeden die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het onrechtmatige besluit van het CBR van 14 februari 2017 (lees: 15 februari 2017).

7.    Bij besluit van 14 februari 2018 heeft het CBR [appellante] een schadevergoeding van € 332,33 toegekend en het overige afgewezen.

    Dit besluit is niet vatbaar voor bezwaar en beroep, gelet op artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb.

8.    [appellante] heeft de rechtbank bij verzoekschrift van 3 maart 2018, gewijzigd bij brief van 1 juni 2018, op grond van artikel 8:88 van de Awb verzocht het CBR te veroordelen tot een schadevergoeding van € 1.171,35, bestaande uit:

- opleggingskosten onderzoek alcoholgebruik 2015    € 330,00;

- alcoholonderzoek 2016                    € 744,00;

- pasfoto’s rijbewijs 2018                € 13,50;

- aanvragen rijbewijs 2018                € 83,85.

9.    De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] bij uitspraak van 22 juni 2018 afgewezen, omdat de gestelde kosten niet het rechtstreekse gevolg zijn van het onrechtmatige besluit van 15 februari 2017.

Gronden in hoger beroep

10.    [appellante] betoogt dat de rechtbank het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij voert aan dat het CBR het rijbewijs niet had mogen invorderen en vernietigen en het CBR op alle fronten onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Op de zitting heeft zij naar voren gebracht dat de afwijzing in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, ook omdat zij andere schade heeft geleden waarvoor zij geen schadevergoeding heeft verzocht. Zo heeft zij veel stress gehad door toedoen van het CBR en meer dan twee jaar geen baan kunnen krijgen omdat haar rijbewijs ongeldig was verklaard, aldus [appellante].

Beoordeling

11.    Artikel 8:88 van de Awb luidt:

"1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;"

(…)

12.    De door [appellante] gemaakte kosten ten bedrage van € 330,00 en € 744,00 zijn gemaakt om deel te nemen aan het onderzoek naar haar alcoholgebruik. Zij moest deze kosten maken vanwege het besluit van 9 april 2015, waarbij is bepaald dat zij aan dit onderzoek moet deelnemen.

    De in 2018 door [appellante] gemaakte kosten ten bedrage van € 13,50 en € 83,85 om het nieuwe rijbewijs aan te vragen, zijn het rechtstreekse gevolg van de ongeldigverklaring van het rijbewijs bij besluit van 10 juli 2015.

    Het voorgaande betekent dat de door [appellante] gestelde schadeposten niet in een rechtstreeks oorzakelijk verband staan met het onrechtmatige besluit van 15 februari 2017. Ook als zij bij dat besluit direct een verklaring van rijgeschiktheid van het CBR had gekregen, had [appellante] de gestelde kosten moeten maken, gelet op de hieraan voorafgaande besluiten van 9 april 2015 en 10 juli 2015. Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft [appellante] geen beroep ingesteld tegen die besluiten. Dit heeft tot gevolg dat die besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden en van de rechtmatigheid daarvan moet worden uitgegaan. Het verzoek van [appellante] om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb als gevolg van een onrechtmatig besluit stuit dus reeds hierop af. De rechtbank heeft de verzochte schadevergoeding daarom terecht afgewezen. Dat [appellante] de afwijzing als onrechtvaardig ervaart, laat onverlet dat de schade niet het gevolg is van het besluit van 15 februari 2017. 

    Het betoog faalt.

13.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019

615.