Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1529

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
201707503/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4409, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707503/1/V1.

Datum uitspraak: 14 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 18 augustus 2017 in zaak nr. 17/4492 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 31 januari 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 augustus 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.W.F. Noot, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Met de aanvraag beoogt de vreemdeling verblijf in het kader van nareis bij haar gestelde echtgenoot (hierna: referent) die Nederland in november 2015 is binnengekomen en aan wie de staatssecretaris op 1 april 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend. De vreemdeling stelt op 15 februari 2014 met referent te zijn gehuwd en heeft stukken overgelegd, waaruit blijkt dat het huwelijk na binnenkomst van referent in Nederland is ingeschreven in de Syrische burgerlijke stand en dat een shariarechtbank in Syrië het huwelijk na binnenkomst van referent in Nederland heeft bekrachtigd en de huwelijksdatum heeft bepaald op 15 februari 2014.

2.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat een huwelijk naar Syrisch recht rechtsgeldig is indien het is gesloten voor een kerk of islamitische rechtbank. Het huwelijk is echter in een moskee gesloten, zodat het niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldig huwelijk. Dat het huwelijk na binnenkomst van referent in Nederland wel door een shariarechtbank in Syrië is bekrachtigd en is ingeschreven in de Syrische burgerlijke stand, maakt niet dat het huwelijk op het moment van binnenkomst van referent in Nederland rechtsgeldig was, aldus de rechtbank.

3.    De eerste grief van de vreemdeling is gericht tegen de onder 2. vermelde overwegingen van de rechtbank. De vreemdeling voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat tussen haar en referent wel een rechtsgeldig huwelijk bestond op het moment van binnenkomst van referent in Nederland.

4.    Uit overweging 6 en 6.1 van de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3515, volgt dat de Afdeling uit het thematisch ambtsbericht documenten in Syrië van de minister van Buitenlandse Zaken van 9 oktober 2017 (hierna: het thematisch ambtsbericht) afleidt dat een in Syrië gesloten religieus huwelijk dat is voltrokken of bekrachtigd door een shariarechtbank, in Syrië in beginsel rechtsgeldig is en dat ingevolge artikel 10:31, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek in beginsel moet worden uitgegaan van de rechtsgeldigheid van het desbetreffende huwelijk vanaf de datum die de shariarechtbank heeft bepaald als officiële huwelijksdatum, omdat dat de datum is die volgens het thematisch ambtsbericht voor de Syrische autoriteiten geldt. Gelet daarop, heeft de Afdeling in overweging 3.3 van de uitspraak van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1161, overwogen dat aan het vereiste van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) dat een huwelijk rechtsgeldig moet zijn op het moment van binnenkomst van de desbetreffende referent in Nederland, is voldaan indien een shariarechtbank het desbetreffende religieuze huwelijk dat vóór binnenkomst in Nederland van de desbetreffende referent in Syrië is gesloten, na binnenkomst van die referent in Nederland heeft bekrachtigd en daarbij de officiële huwelijksdatum heeft bepaald op de datum van het religieuze huwelijk. Verder heeft de Afdeling in overweging 3.4 van de uitspraak van 11 april 2019 overwogen dat van de vraag of een rechtsgeldig huwelijk is tot stand gekomen, moet worden onderscheiden de vraag of sprake is van feitelijk gezinsleven.

De staatssecretaris heeft tegengeworpen dat het gestelde feitelijk gezinsleven tussen de vreemdeling en referent ongeloofwaardig is. Dat heeft de staatssecretaris echter slechts tegengeworpen in het kader van de beoordeling of zij op het moment van binnenkomst van referent in Nederland een duurzame en exclusieve relatie hadden en de rechtbank heeft dit dan ook slechts in dat kader getoetst. De staatssecretaris heeft echter niet gemotiveerd waarom de ongeloofwaardigheid van het gestelde feitelijk gezinsleven leidt tot de conclusie dat geen rechtsgeldig huwelijk tot stand is gekomen. Daarnaast heeft de staatssecretaris niet gemotiveerd dat weliswaar sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, maar dat de ongeloofwaardigheid van het gestelde feitelijk gezinsleven leidt tot de conclusie dat de vreemdeling desondanks niet tot het gezin van referent behoort in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000.

De grief slaagt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 31 januari 2017 in stand blijven. Wat de vreemdeling in de tweede, derde en vierde grief aanvoert, blijft buiten bespreking. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 18 augustus 2017 in zaak nr. 17/4492, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 31 januari 2017 in stand blijven;

III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Es

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2019

826.