Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
201805967/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:4293, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2016 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/647
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805967/1/A2.

Datum uitspraak: 8 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Capelle aan den IJssel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juni 2018 in zaak nr. 17/1626 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2016 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 25 januari 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. P.L. van Herik en R. Kandel, is  verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is eigenaar van een perceel met woning aan de [locatie] te Capelle aan den IJssel. Bij brief van 18 september 2015 heeft hij verzocht om een tegemoetkoming in planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het wijzigingsplan ‘Narcisstraat’ (hierna: het Wijzigingsplan) op 2 december 2010. Dit plan maakt de bouw van nieuwe woningen mogelijk op gronden ten westen en ten noorden van zijn woning. Hij stelt dat daardoor zijn privacy is aangetast, de inval van (zon)licht is afgenomen en dat de overlast is toegenomen, waardoor zijn woning met een bedrag van € 24.000,00 in waarde is verminderd.

2.    Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Wijzigingsplan gold het bestemmingsplan "Schenkel-Zuid" (hierna ook: het oude bestemmingsplan). Dit plan kende aan de gronden ten westen van de woning van [appellant] de bestemming "Woondoeleinden-W", met de aanduidingen "maximaal aantal bouwlagen-2" en "gebied met wijzigingsbevoegdheid III" toe. Aan gronden ten noorden kende dit plan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden-B" met de aanduidingen "Bedrijven t/m categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten - (2)", "Bebouwingspercentage - 50%" en "gebied met wijzigingsbevoegdheid I en II" toe.

3.    Het college heeft de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade voor advies voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). Zij heeft in een advies van september 2016 geconcludeerd dat [appellant] per saldo niet in een nadeliger positie is komen te verkeren.

Het college heeft het advies van de SAOZ ten grondslag gelegd aan het besluit van 1 november 2016. Bij besluit van 25 januari 2017 heeft het college dit gehandhaafd.

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich mocht baseren op het advies van de SAOZ. Zij heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Hij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de conclusie in het advies van de SAOZ, dat per saldo geen nadelig planologisch effect optreedt, onvoldoende is onderbouwd en dat in het advies van de SAOZ van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan.

5.1.    De relevante voorschriften van het oude bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

5.2.    In de overzichtsuitspraak van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) heeft de Afdeling onder 2.1 overwogen dat voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

5.3.    In de overzichtsuitspraak heeft de Afdeling onder 8.3 overwogen dat indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, het bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

5.4.    Uit het advies van de SAOZ blijkt dat zij rekening heeft gehouden met de mogelijkheid om in de nieuwe planologische situatie, op de gronden ten westen van de woning van [appellant], op een afstand van 3 m, een vrijstaande woning te bouwen, bestaande uit twee bouwlagen, met een goothoogte van maximaal 6 m en een kapconstructie met een dakhelling van maximaal 45º en een diepte van 13,5 m. Daarnaast heeft zij rekening gehouden met de mogelijkheid om in de nieuwe planologische situatie, tot aan de tussengelegen perceelsgrens, bijgebouwen, met een totale oppervlakte van maximaal 50 m² en een bouwhoogte van 5 m, en een garage, met een oppervlakte van maximaal 25 m² en een bouwhoogte van 5 m, te bouwen. De SAOZ heeft deze bouwmogelijkheden vergeleken met de mogelijkheid om in de oude planologische situatie aaneengesloten woningen te bouwen. Voor het perceel Goudenregenstraat 70 heeft de SAOZ rekening gehouden met de bouw van een woning, bestaande uit twee bouwlagen, met een diepte van 8 m en een inhoud van 227 m³. Daarnaast heeft de SAOZ rekening gehouden met de bouw van een bijgebouw met een diepte van 12,5 m en een breedte van 2,5 m. Zij is, op grond van deze vergelijking, ten aanzien van de schadefactoren "uitzicht en schaduw", tot de conclusie gekomen dat "de bouwmogelijkheden enigszins zijn verruimd".

Uit het advies van de SAOZ blijkt verder dat zij voor de gronden ten noorden rekening heeft gehouden met de mogelijkheid om in de nieuwe planologische situatie woningen te bouwen met een maximale goothoogte van 6 m en een kapconstructie met een dakhelling van maximaal 45º, op een afstand van 13 m. Zij heeft deze bouwmogelijkheden vergeleken met de mogelijkheid om in de planologische situatie per bedrijfsvestiging één bedrijfswoning te bouwen en om, tot aan de perceelsgrens, (andere) gebouwen te bouwen met, na aanvullende werking van de gemeentelijke bouwverordening, een hoogte van 15 m. De SAOZ heeft, op grond van deze vergelijking, geconcludeerd dat de bouwmogelijkheden op de gronden ten noorden per saldo zijn afgenomen.

5.5.    De rechtbank heeft in het betoog van [appellant], dat het advies van de SAOZ steunt op onjuiste of onvolledige feiten, terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het college niet mocht afgaan op dit advies.

Daartoe overweegt de Afdeling, voor de gronden ten westen van de woning van [appellant], dat niet is gebleken dat het advies van de SAOZ uitgaat van een onjuiste invulling van hetgeen maximaal mogelijk is onder het nieuwe planologische regime. Het advies stemt, wat betreft die bouwmogelijkheden, overeen met de bouwmogelijkheden die [appellant] noemt in zijn aanvullend hogerberoepschrift. Evenmin heeft [appellant] aanknopingspunten naar voren gebracht voor de conclusie dat de SAOZ is uitgegaan van een onjuiste invulling van de maximale mogelijkheden onder het oude planologische regime. Weliswaar heeft [appellant] op zichzelf terecht naar voren gebracht dat door het college niet aannemelijk is gemaakt welke inhoud de (voormalige) woning aan de […] precies had op het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan "Schenkel-Zuid", maar nu niet in geschil is dat de woning ten tijde van die terinzagelegging in ieder geval een inhoud had van 227 m³, heeft de rechtbank met juistheid, gelet op het bepaalde in artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het oude bestemmingsplan, overwogen dat het college, onder verwijzing naar het advies van de SAOZ, terecht deze inhoud bij de planvergelijking heeft betrokken. Voor dit oordeel wordt in aanmerking genomen dat [appellant] het standpunt van het college, dat de woning maximaal een inhoud had van 300 m³ (inclusief uitbouw van 60 m³) niet heeft betwist en dat ingeval van die inhoud zou zijn uitgegaan, het verschil met de nieuwe planologische situatie en daarmee het nadeel juist kleiner zou zijn geweest. Daarmee zou een eventuele tegemoetkoming in de planschade lager zijn geweest. Daarnaast berust het standpunt van [appellant], dat een bijgebouw een diepte mocht hebben van maximaal 2,5 m, op een onjuiste lezing van de voorschriften van het oude bestemmingsplan. Deze diepte gold, ingevolge artikel 9, derde lid, aanhef en onder m, slechts voor aan- en uitbouwen. Ingevolge artikel 9, derde lid, aanhef en onder j, gold voor bijgebouwen een maximale oppervlakte van 30 m². Er was geen maximale diepte voorgeschreven. Uitgaande van een breedte van 2,5 m, is derhalve terecht in het advies van de SAOZ rekening gehouden met een maximale diepte van 12,5 m.

Verder is, wat de gronden ten noorden van de woning betreft, het achter het perceel van [appellant] gelegen pad niet aan te merken als ‘weg’ of ‘pad’ in de zin van de gemeentelijke bouwverordening. Uit de definitie van ‘weg’ in de bouwverordening, waarnaar ook [appellant] verwijst, blijkt dat alleen voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden als ‘weg’ in de zin van de bouwverordening kunnen worden aangemerkt. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het achter het perceel van [appellant] gelegen pad alleen werd gebruikt door het personeel van een gemeentewerf. Deze werf was niet als haal- en brengstation voor omwonenden in gebruik en het pad was met een toegangshek met een slot afgesloten, zodat het pad niet voor openbaar rij- of ander verkeer toegankelijk was. Gelet hierop hoefde, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, de bouwhoogte van 15 m niet te worden gerelateerd aan het laaggelegen pad achter zijn het perceel. Nu het pad niet openbaar toegankelijk was en nu op de gronden, waarop het pad was gelegen, een bedrijvenbestemming rustte, zodat de eigenaar van de gronden kon besluiten om het pad te verleggen, kan het pad evenmin worden aangemerkt als ‘de openbare weg’ in de zin van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de voorschriften van het oude bestemmingsplan. Gelet hierop is bij de planvergelijking, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, terecht rekening gehouden met de bouw van gebouwen, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het oude bestemmingsplan, op de gronden ten noorden met een hoogte van 15 m tot aan de perceelsgrens.

5.6.    Aan [appellant] moet worden toegegeven dat de conclusie in het advies van de SAOZ, dat de bouwmogelijkheden op de gronden ten westen "enigszins" zijn toegenomen, hier niet op zijn plaats is. Deze zijn immers, door de inwerkingtreding van het Wijzigingsplan, met bijna een factor 3 toegenomen. Desondanks heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet mocht afgaan op het advies van de SAOZ. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, heeft de SAOZ in haar advies inzichtelijk gemaakt waarom het nadeel aan de westzijde ruimschoots wordt gecompenseerd door het voordeel dat aan de noordzijde is ontstaan. Uit het advies blijkt dat dit komt omdat de mogelijkheid om op de gronden ten noorden tot aan de perceelsgrens bouwwerken op te richten met een bouwhoogte van 15 m, is komen te vervallen, hetgeen een voordeel betekent en dat de SAOZ dit voordeel groter acht dan het nadeel aan de westzijde. Daarnaast heeft de SAOZ in haar advies uiteengezet dat zij de bouw van de vrijstaande woning op de gronden ten westen in de nieuwe planologische situatie gunstiger acht voor de situeringswaarde, waaronder ook de kwaliteit van het zicht wordt begrepen, dan de bouw van aaneengesloten woningen. Ook het vervallen van de bedrijvenbestemming op de gronden aan de noordzijde acht de SAOZ gunstiger voor de situeringswaarde. Tot slot heeft de SAOZ toegelicht waarom zich voor de privacy, de hinder en de ontsluiting voor zowel de gronden ten westen als de gronden ten noorden van het perceel van [appellant] geen wezenlijk verschil heeft voorgedaan. Gelet hierop heeft de SAOZ geconcludeerd dat [appellant] per saldo niet in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. De rechtbank heeft deze conclusie terecht niet onbegrijpelijk geacht.

[appellant] heeft geen aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusie in het advies van de SAOZ naar voren gebracht. Zijn enkele stelling dat de SAOZ de gevolgen van de toegenomen bouwmogelijkheden heeft onderschat, met name op het punt van de schaduwwerking en de afname van het zonlicht, is daarvoor onvoldoende.

5.7.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college mocht afgaan op het advies van de SAOZ. Zij hoefde dan ook geen deskundige te benoemen als bedoeld in artikel 8.47 van de Awb.

Het betoog faalt.

Eindoordeel

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Nales

Voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2019

680.

 

Bijlage

 

Voorschriften van het bestemmingsplan "Schenkel-Zuid":

Artikel 9 Woondoeleinden (W)

[…]

1. De gronden op de kaart aangewezen voor "Woondoeleinden (W) zijn bestemd voor:

a. woningen met bijbehorende tuinen en erven;

[…].

2. Op de in lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd;

a. hoofdgebouwen;

b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3. Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. de inhoudsmaat van bestaande hoofdgebouwen zoals aanwezig op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan mag niet worden vergroot;

b. de goothoogte van gebouwen genoemd in lid 1 onder a mag niet meer bedragen dan vermenigvuldiging van het op de kaart aangegeven bouwlagen met 3 m, met dien verstande dat de onderste bouwlaag van 3,5 m wordt berekend en dat voor hoofdgebouwen met een platte afdekking de goothoogte tevens de maximale bouwhoogte is;

[…]

j. het gezamenlijk te bebouwen oppervlak aan aan- en uitbouwen bijgebouwen en overkappingen mag ten hoogste 50% van de bij een hoofdgebouw behorende zij- en/of achtererf bedragen met een maximum van 30 m²; met dien verstande dat de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen 50 m² mag bedragen indien het bij het hoofdgebouw behorende zij- en/of achtererf meer bedraagt dan 150 m²;

[…]

m. de diepte van aan- en uitbouwen aan de achtergevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 2,5 m bedragen;

[…]

Artikel 11 Bedrijfsdoeleinden (B)

[…]

1. De gronden op de kaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden-B" zijn bestemd voor bedrijven vallende onder de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede tevens voor:

a. wegen, […]

[…]

2. Op de in lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd:

a. gebouwen;

b. overkappingen;

c. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3. Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. per vestiging is één bedrijfswoning toegestaan;

b. op de gronden gelegen tussen de openbare weg en de op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaande voorgevel van een hoofdgebouw mogen uitsluitend erfafscheidingen, pergola’s en andere vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd.

[…]