Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
201809430/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2017 heeft het college aan GroenLeven zonne-energie een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de realisatie van het zonnepark Jumaheerd van ongeveer 7,7 hectare aan de oostzijde van Kollum grenzend aan het bedrijventerrein Jumaheerd op het perceel kadastraal bekend gemeente Kollum, sectie E, nummers 541, 769, 770 en 791 gedeeltelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/8098
JOM 2019/628
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809430/1/A1.

Datum uitspraak: 8 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kollum, gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 oktober 2018 in zaak nr. 18/41 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Kollumerland en Nieuwkruisland.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2017 heeft het college aan GroenLeven zonne-energie een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de realisatie van het zonnepark Jumaheerd van ongeveer 7,7 hectare aan de oostzijde van Kollum grenzend aan het bedrijventerrein Jumaheerd op het perceel kadastraal bekend gemeente Kollum, sectie E, nummers 541, 769, 770 en 791 gedeeltelijk.

Bij uitspraak van 19 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en GroenLeven zonne-energie hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.F. Verheijen, advocaat te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Tilstra en mr. M. Friesema, zijn verschenen. Voorts is GroenLeven zonne-energie, vertegenwoordigd door [gemachtigden], ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het perceel is gelegen aan de oostzijde van Kollum grenzend aan het bedrijventerrein Jumaheerd. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" de bestemming "Agrarisch met waarden - open gebied" met de aanduiding "vrijwaringszone - radar grondstation burum". De aanvraag om omgevingsvergunning ziet op het plaatsen van ongeveer 26.500 zonnepanelen en is in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het zonnepark. De zonnepanelen hebben een hoogte van 1,75 m boven het maaiveld. Het maaiveld waar het zonnepark wordt opgericht ligt ongeveer 0,50 meter lager dan het maaiveld in de omgeving waardoor de zonepanelen ten opzichte van het maaiveld in de omgeving een hoogte van 1,25 meter zullen hebben.

    [appellant] woont op het perceel [locatie] te Kollum. Op dit perceel is een bedrijfspand gevestigd met op de eerste verdieping een bedrijfswoning waarin [appellant] woont. Het perceel van [appellant] grenst aan het perceel waarop het zonnepark zal worden gerealiseerd. [appellant] vreest dat zijn woon- en leefklimaat zal verslechteren ten gevolge van de realisering van het zonnepark.

2.    De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met het bestemmingsplan, is een bevoegdheid van het college. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Gevolgen van transformatorstations

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college voor de gevolgen van geluidhinder van de te realiseren transformatorstations ten onrechte uitsluitend heeft beoordeeld of voldaan wordt aan de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure). Volgens [appellant] is ten onrechte geen akoestisch onderzoek gedaan naar de geluidhinder ten gevolge van de transformatorstations en is onduidelijk of voldaan wordt aan de geluidscontouren uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

3.1.    In de ruimtelijke onderbouwing staat dat eventueel geluidhinder ten gevolge van de transformatorstations zou kunnen ontstaan en dat de transformatoren vergelijkbaar zijn met transformatoren in woonwijken en voor dergelijke transformatoren geldt volgens de VNG-brochure een richtafstand van 30 m. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is de afstand van een transformatorstation tot de dichtstbijzijnde woning 130 m.

    De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de door het college verrichte belangenafweging ten aanzien van de gevolgen van de transformatorstations niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat tussen partijen niet in geschil is dat is voldaan aan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand en dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de transformatorstations van het zonnepark zodanig veel geluidsoverlast zullen veroorzaken dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het college heeft, anders dan [appellant] stelt, terecht geen aanknopingspunten gezien voor een verdergaand onderzoek naar de door hem gestelde geluidhinder. Daarbij heeft het college van belang kunnen achten dat het geluid van de transformatoren gering is, dat de transformatoren zelden hoorbaar zijn op meer dan enkele meters afstand en dat de gestelde overlast in ieder geval nooit in de avond- en nachturen zal optreden als geen elektriciteit wordt gewonnen.

    Het betoog faalt.

Gevolgen reflectie

4.    [appellant] betoogt dat het op 22 mei 2018 door het college aan de rechtbank gestuurde rapport "Glare Study" van IFB Eigenschenk GmbH van 18 mei 2018 te laat en daarmee in strijd met de goede procesorde is ingebracht.

    Verder betoogt [appellant] dat voldoende duidelijk is gemaakt dat in dit rapport normeringen ontbreken zodat onduidelijk is welke gevolgen aan de resultaten van het onderzoek kunnen worden verbonden. Daarnaast kan volgens [appellant] van hem niet worden verwacht dat hij onderzoek doet naar de gevolgen van reflectie van de zonnepanelen. Het ligt op de weg van het college hier deugdelijk onderzoek naar te doen, aldus [appellant].

4.1.    Het college heeft voorafgaand aan de zitting van de rechtbank van 31 mei 2018 op 22 mei 2018 het voormelde rapport van 18 mei 2018 ingediend. De rechtbank heeft naar aanleiding van dit rapport het onderzoek ter zitting geschorst en [appellant] in de gelegenheid gesteld een contra-expertise te vragen aan een deskundige. [appellant] heeft bij brief van 14 juni 2018 aan de rechtbank te kennen gegeven geen contra-expertise in te winnen ten aanzien van de geconstateerde feiten.

    Weliswaar is het rapport van 18 mei 2018 pas kort voor de zitting bij de rechtbank ingediend, maar [appellant] is na de zitting voldoende gelegenheid geboden om op dit rapport te reageren van welke gelegenheid hij geen gebruik heeft gemaakt. Gelet hierop heeft de rechtbank het rapport in redelijkheid niet wegens strijd met de goede procesorde buiten behandeling hoeven laten. Niet is gebleken dat [appellant] op enige wijze in zijn belangen is geschaad door de handelwijze van de rechtbank.

4.2.    De rechtbank heeft overwogen dat in het rapport van 18 mei 2018 staat dat aan één zijde van de bovenverdieping 4929 lichtinvallen gedurende een jaar in de ochtend voorkomen en 828 lichtinvallen ten aanzien van de andere zijde. Naar het oordeel van de rechtbank volgt echter afdoende uit het rapport dat bij het merendeel van de lichtinval directe zonnestraling van de lage zon simultaan het gebouw treft vanuit dezelfde richting als de reflectiestraal. Doordat deze natuurlijke zonnestraling aanzienlijk groter is dan de reflectie-impact van het geplande zonnepark, kan daarom de hinder van reflectie grotendeels overstemd worden door, of opgaan in, de hinder van de directe zonnestraling.

    Verder is de rechtbank van oordeel dat overige reflecties richting de bovenverdieping van het gebouw dusdanig beperkt zijn, daarbij in acht nemende dat deze uitsluitend in de ochtend plaatsvinden en totaal (na berekening van de bewolktheidskans) niet meer dan 7,35 uur per jaar bedraagt, dat hierdoor geen dusdanige hinder zal optreden voor [appellant] dat van het verlenen van de omgevingsvergunning had moeten worden afgezien.

4.3.    [appellant] heeft niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat ten gevolge van reflectie van de vergunde zonnepanelen. Evenmin heeft [appellant] de resultaten van de onderzoeken weersproken. Hij stelt uitsluitend aan de orde dat een normering voor de gevolgen van een zonnepark ontbreekt. De rechtbank is, zoals hiervoor weergegeven, gemotiveerd ingegaan op de gevolgen van de reflectie en in hetgeen door [appellant] in hoger beroep is aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Voor zover [appellant] ter zitting van de Afdeling vraagtekens heeft geplaatst bij het indienen van een Engelstalig rapport wijst de Afdeling er op dat tijdens de zitting van de rechtbank is besproken dat een vertaling van het rapport niet nodig is volgens partijen. De Afdeling ziet in deze omstandigheid evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college niet deugdelijk zou hebben gemotiveerd waarom het omgevingsvergunning heeft verleend.

    Het betoog faalt.

Belangenafweging

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Volgens hem is onvoldoende betekenis gehecht aan zijn belangen bij het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Daartoe voert hij aan dat zijn uitzicht zal verslechteren en niet duidelijk is voor welke periode de zonnepanelen zullen worden geplaatst. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in de ruimtelijke onderbouwing verschillende alternatieve locaties worden genoemd, maar dat niet deugdelijk en begrijpelijk is onderbouwd waarom de andere locaties zijn afgevallen. [appellant] betoogt daarnaast dat het zonnepark niet voldoet aan de in de "Verordening Romte" opgenomen indicatieve afstanden. Volgens [appellant] sluit het zonnepark niet aan op het stedelijk weefsel van Kollum en is niet onderbouwd op welke wijze het zonnepark past in de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.

5.1.    Het college dient te beslissen aan de hand van de aanvraag zoals die is ingediend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2489, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van planologische medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door gebruikmaking van deze alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze situatie zich voordoet. Daarbij is van belang dat in de aan het besluit ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing van 10 april 2017 in paragraaf 1.4 staat dat een locatiestudie heeft plaatsgevonden waarbij is gekeken naar de technische en landschappelijke geschiktheid, maatschappelijke uitvoerbaarheid en de milieutechnische randvoorwaarden. Aan de hand van deze voorwaarden heeft GroenLeven zonne-energie zich op het standpunt gesteld dat van de drie onderzochte locaties de gekozen locatie de meest geschikte locatie is. Dit is door [appellant] niet aan de hand van concrete gegevens weersproken.

5.2.    Weliswaar zal ten gevolge van de realisering van het zonnepark het uitzicht van [appellant] vanuit zijn bedrijfswoning veranderen, maar de rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de belangen van GroenLeven zonne-energie bij realisering van het zonnepark zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van [appellant]. Daarbij heeft de rechtbank in navolging van het college van belang kunnen achten dat GroenLeven zonne-energie een inpassingsplan heeft ingediend waaruit blijkt dat een deel van het zonnepark aan het zicht zal worden onttrokken door het planten van een haag van ongeveer drie meter hoog. In dit verband heeft de rechtbank er voorts terecht op gewezen dat geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat. De omgevingsvergunning is verleend voor onbepaalde tijd en het college heeft daar bij de belangenafweging ook rekening mee gehouden. Dat de energieopbrengst van zonnepanelen na verloop van tijd afneemt, betekent niet dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

    Het betoog faalt.

5.3.    Voor zover [appellant] betoogt dat het zonnepark niet voldoet aan het in de "Verordening Romte" opgenomen provinciale beleid is dit eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

Stroomopslag batterijen

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de opslag van stroom in batterijen geen onderdeel uitmaakt van de onderhavige procedure. Hij voert hiertoe aan dat het energieopslagsysteem een cruciaal onderdeel van een zonnepark als alternatieve bron van energie betreft.

6.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanvraag om omgevingsvergunning voor de eerste fase niet voorziet in de opslag van zonne-energie. Dit is ter zitting bevestigd door Groenleven zonne-energie. De opgewekte energie zal volgens Groenleven zonne-energie rechtstreeks worden geleverd aan het net. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor vernietiging van het besluit van 11 oktober 2017.

Resterende grond

7.    Het betoog van [appellant] dat het college er in het onderhavige geval voor heeft gekozen om geen mer-beoordelingsbesluit te nemen en dat niet valt uit te sluiten dat het zonnepark nadelige gevolgen voor het milieu met zich zal brengen is eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

Slot en conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Hoogvliet

voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2019

700.