Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1470

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
201706892/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitvaartfaciliteit Hoendiep" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706892/1/R3.

Datum uitspraak: 8 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Groningen,

2.    Re-spectrum Crematoria B.V., gevestigd te Hooghalen, gemeente Midden-Drenthe, en anderen (hierna: Re-spectrum en anderen),

3.    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud te noemen: [appellant sub 3]), beiden wonend te Groningen,

4.    Ecologische Tuinvereniging ‘De Tuin’ (hierna: de vereniging), gevestigd te Groningen,

5.    [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud te noemen: [appellant sub 5]), beiden wonend te Groningen,

en

de raad van de gemeente Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitvaartfaciliteit Hoendiep" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3], de vereniging en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging hebben nadere stukken ingediend.

Algemeen Belang Uitvaartverzorging en -verzekering en DELA Uitvaartverzorging N.V. (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: Dela) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2019, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. C.S.G. de Lange, advocaat te Groningen, Re-spectrum en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen, [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door drs. G.C.H.J. van den Vorstenbosch en J.M. van Uhm, zijn verschenen. Voorts is Dela, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en mr. T.F.M. Wijgergans, beiden advocaat te Eindhoven, [gemachtigde D] en [gemachtigde E], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan maakt de verplaatsing van een bestaand uitvaartcentrum zonder crematorium aan de Esdoornlaan 187 te Groningen naar de westkant van Groningen aan het Hoendiep mogelijk. Aan de nieuwe locatie wordt een crematorium toegevoegd dat Dela zal gaan exploiteren. [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3], de vereniging en [appellant sub 5] zijn tegen de komst van het uitvaartcentrum en hebben daarom beroep ingesteld tegen het plan. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en enkele appellanten die behoren tot Re-spectrum en anderen wonen in de nabijheid van het plangebied en vrezen voor negatieve gevolgen voor hun woon- en leefklimaat. Re-spectrum Crematoria B.V. is eigenaar van een uitvaartcentrum aan de Borchsingel 47 te Eelderwolde, gemeente Tynaarlo. Zij vreest met name dat de komst van het uitvaartcentrum aan het Hoendiep leidt tot nadelige gevolgen voor de exploitatie van haar uitvaartcentrum. De vereniging is gevestigd aan het Hoendiep 151, waar haar leden zich bezig houden met de teelt van onbespoten, biologische gewassen in een moestuin. De vereniging is tegen de komst van het uitvaartcentrum, omdat zij onder andere vreest dat crematie-as in de gewassen terecht zal komen. [appellant sub 5] verhuurt bedrijfsruimtes en een woning aan het [locatie 1] en [locatie 2]. Hij vreest dat de komst van het uitvaartcentrum de verhuurbaarheid van die bedrijfsruimtes en die woning negatief beïnvloedt.

Intrekking

2.    Respectrum en anderen hebben ter zitting hun beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], ingetrokken.

[appellant sub 1] en Respectrum en anderen hebben verder ter zitting hun beroepsgronden over de mogelijke aantasting van de Natura-2000 gebieden Leekstermeergebied en Zuidlaardermeergebied, de uitvoerbaarheid van het plan in verband met de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb), de milieueffectrapportage, de gemeentelijke Groenstructuurvisie "Groene Pepers" (hierna: de Groenstructuurvisie) en de gevolgen van het plan voor de verkeersveiligheid en de verkeersdrukte in de omgeving ingetrokken. Tevens heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgrond over de emissie van luchtverontreinigende stoffen door het verkeer ter zitting ingetrokken.

Procedurele aspecten

Kennisgeving

3.    [appellant sub 5] betoogt dat hij ten onrechte niet in kennis is gesteld van het ontwerpplan.

3.1.    De Afdeling stelt vast dat de kennisgeving van het ontwerpplan heeft plaatsgevonden in de Staatscourant en in een huis-aan-huisblad. De Afdeling overweegt dat in zoverre is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wet ruimtelijke ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp van een bestemmingsplan. Het lag op de weg van [appellant sub 5] om zich op basis van het ontwerpplan op de hoogte te stellen van de beoogde nieuwe ontwikkelingen in het plangebied.

Materiële aspecten

Relevante planregels

4.    Artikel 4, lid 4.1 van de planregels luidt: "De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. bermen en beplantingen;

c. recreatieve voorzieningen;

d. fiets- en voetpaden;

e. nutsvoorzieningen;

f. waterlopen en waterpartijen;

g. agrarisch medegebruik;

h. additionele voorzieningen."

Artikel 5, lid 5.1 van de planregels luidt: "De voor ‘Maatschappelijk - Uitvaartfaciliteit’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. uitvaartcentrum;

b. crematorium;

c. urnenmuren en urnentuinen;

d. strooivelden;

e. parkeervoorzieningen;

f. groenvoorzieningen;

g. wegen en paden;

h. water;

i. kunstwerken, zoals duikers, bruggen etc.;

j. kunstobjecten;

k. agrarisch medegebruik;

l. additionele voorzieningen."

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

De Ladder voor duurzame verstedelijking

Uitvaartactiviteiten Esdoornlaan en Laddertoets

6.    [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is vastgesteld, omdat de komst van het uitvaartcentrum leidt tot leegstand van het uitvaartcentrum van Re-spectrum Crematorium B.V.. Volgens hen heeft de raad ten onrechte alleen de toevoeging van een crematorium aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) getoetst. Zij wijzen erop dat op de locatie van het bestaande uitvaartcentrum aan de Esdoornlaan 187 te Groningen nog altijd een uitvaartcentrum is toegestaan en dat niet publiekrechtelijk is verzekerd dat het gebruik van deze gronden voor een uitvaartcentrum wordt beëindigd. De omstandigheid dat volgens de raad met betrekking tot deze gronden sprake is van een koopovereenkomst waarin staat dat de komende 30 jaar op deze locatie geen uitvaartactiviteiten mogen plaatsvinden, is volgens hen niet toereikend. Daarbij wijzen zij erop dat zij alleen bekend zijn met een concept van deze overeenkomst en een dergelijke overeenkomst voor derden niet afdwingbaar is. De raad was volgens hen dan ook gehouden ook de toevoeging van een uitvaartcentrum aan de Ladder te toetsen. waardoor het door de raad gehanteerde uitgangspunt dat de Ladder alleen voor het toevoegen van een crematorium hoeft te worden toegepast onjuist is.

6.1.1.    De raad stelt dat er geen nieuw uitvaartcentrum aan de Esdoornlaan mag worden gevestigd. De raad wijst in dat kader erop dat het uitvaartcentrum van Dela aan de Esdoornlaan is verkocht en dat in de koopovereenkomst een beding is opgenomen waarin staat dat de komende 30 jaar op deze locatie geen uitvaartactiviteiten mogen plaatsvinden. Aan deze bepaling is een boetebeding gekoppeld tot een bedrag van € 1.000.000,-.

6.1.2.    Artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro, zoals deze gold ten tijde van belang, luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld."

6.1.3.    In paragraaf 3.1 van de plantoelichting is ingegaan op de behoefte aan een uitvaartcentrum gecombineerd met een crematorium in de stad Groningen. Daarin staat dat de Ladder niet voor het uitvaartcentrum hoeft te worden doorlopen, omdat sprake is van een verplaatsing van het uitvaartcentrum. Wel is volgens de plantoelichting de behoefte aan een crematorium onderzocht, omdat deze aan het nieuwe uitvaartcentrum wordt toegevoegd.

6.1.4.    De raad heeft erop gewezen dat Dela het bestaande uitvaartcentrum aan de Esdoornlaan heeft verkocht aan een derde partij. In de koopovereenkomst is een bepaling opgenomen, die inhoudt dat partijen overeenkomen dat de betrokken locatie tot dertig jaar na levering niet meer gebruikt mag worden ten behoeve van activiteiten die gerelateerd zijn aan uitvaarten. Aan deze bepaling is een boetebeding gekoppeld tot een bedrag van € 1.000.000,-. Verder heeft de raad ter zitting aangegeven dat de koper op deze locatie woningbouw wil ontwikkelen.

Voor zover [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging erop hebben gewezen dat bij hen alleen een conceptvariant van de genoemde koopovereenkomst bekend is, hebben de raad en Dela ter zitting verklaard dat er inmiddels een definitieve versie van deze overeenkomst is, waarin de bepaling dat op de betrokken locatie aan de Esdoornlaan de komende dertig jaar geen uitvaartactiviteiten mogen plaatsvinden alsmede het genoemde boetebeding zijn opgenomen.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitvaartactiviteiten aan de Esdoornlaan zullen verdwijnen. Derhalve is de raad bij de toets aan de Ladder terecht uitgegaan van een verplaatsing van een uitvaartcentrum.

Omvang voorziene uitvaartcentrum en Laddertoets

6.2.    [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging betogen verder dat het voorziene uitvaartcentrum meer ruimte heeft om mensen te ontvangen in vergelijking met het bestaande uitvaartcentrum. Hierdoor vindt volgens hen een uitbreiding van het aanbod aan uitvaartcentra plaats, die volgens hen eveneens ten onrechte niet aan de Ladder is getoetst.

6.2.1.    De raad stelt dat het plan weliswaar voorziet in meer flexibel in te delen ruimtes, maar dat betekent volgens de raad niet dat de reële capaciteit om meer uitvaarten te bieden daadwerkelijk wordt vergroot. Volgens de raad betekent het feit dat er wordt voorzien in meerdere, flexibel in te delen ruimtes dat er een kwalitatief betere uitvaart kan worden geboden. Daarnaast wijst de raad erop dat Dela wil voorkomen dat diverse groepen elkaar tegengekomen tijdens uitvaarten, zodat in de nieuwe situatie pas wordt aangevangen met een uitvaart als de vorige volledig ten einde is.

6.2.2.    De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter onder overweging 3.4 van zijn uitspraak van 6 juli 2018 het volgende heeft overwogen: "De raad heeft toegelicht dat weliswaar meerdere, flexibele in te delen ruimtes worden gerealiseerd, maar dat dit gebeurt met het oog op het kunnen accommoderen van overledenen en nabestaanden met uiteenlopende wensen. Het nieuwe gebouw is noodzakelijk om een kwalitatief beter product te leveren, niet om meer uitvaarten te bieden. De voorzieningenrechter acht dit niet onaannemelijk". De Afdeling deelt dit oordeel. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van een uitbreiding van het aanbod aan uitvaartcentra uit had moeten gaan.

Uitvaartcentra zonder crematieoven en Laddertoets

6.3.    [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging voeren aan dat bij het bepalen van de regionale behoefte binnen het verzorgingsgebied van het voorziene uitvaartcentrum ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het aanbod en de vraag naar uitvaartfaciliteiten die losstaan van een bijbehorende crematieoven. Daarbij wijzen zij erop dat alleen rekening is gehouden met de uitvaartfaciliteiten van Yarden in Groningen en van Re-spectrum in Eelderwolde, terwijl ook de uitvaartfaciliteiten van Hulzebus Uitvaartverzorging Groningen en Uitvaartzorg Boerhaavelaan binnen hetzelfde verzorgingsgebied liggen.

6.3.1.    Voor zover [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging betogen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het aanbod van en de vraag naar uitvaartcentra zonder crematieoven, is de Afdeling van oordeel dat de raad dergelijke uitvaartcentra niet bij het onderzoek hoefde te betrekken, omdat, zoals hiervoor is overwogen, sprake is van een verplaatsing in plaats van een toevoeging van het aanbod.

Kwantitatieve behoefte

6.4.    [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging betogen dat er geen regionale (kwantitatieve) behoefte is aan een uitvaartcentrum met crematorium. Zij voeren aan dat bij het bepalen van die behoefte in het document "Onderbouwing ladder voor duurzame verstedelijking uitvaartfaciliteit Hoendiep" van het Bureau Stedelijke Planning van 9 november 2016, (hierna: de ladderonderbouwing) dat aan het plan ten grondslag is gelegd, uitgegaan is van onjuiste aannames met betrekking tot de capaciteit van de crematieovens van Yarden in Groningen en van Re-spectrum in Eelderwolde. Ter onderbouwing van hun betoog hebben [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging een rapport ingediend van Responsum van 6 november 2017.

Volgens hen is in de ladderonderbouwing ten onrechte geen rekening gehouden met crematies zonder uitvaartplechtigheid, de zogenoemde technische crematies.

Verder is volgens hen de realistische capaciteit van de crematoria onderschat. Zij vinden dat de realistische capaciteit per crematorium moet worden bepaald op vijf crematies per oven per dag. In de ladderonderbouwing is volgens hen in dat verband bovendien geen rekening gehouden met de omstandigheid dat Yarden over twee crematieovens beschikt. Verder wijzen zij op gegevens van de Landelijke Vereniging voor Crematoria, waaruit naar voren komt dat Yarden in 2017 meer dan 1.200 crematies, namelijk 1.754, heeft verzorgd.

Voorts is volgens hen in de ladderonderbouwing ten onrechte geen rekening gehouden met de overlap van verzorgingsgebieden van de crematoria te Drachten, Appingedam en Assen, waardoor de vraag naar crematies te hoog is ingeschat. Gelet op een en ander stellen zij dat de bestaande crematoria van Yarden en Re-spectrum Crematorium reeds voldoende voorzien in de kwantitatieve behoefte aan uitvaartcentra met crematorium.

Re-spectrum en anderen betogen tevens dat een rendabele exploitatie van een uitvaartcentrum in Eelderwolde niet meer mogelijk is bij de komst van het voorziene uitvaartcentrum en hebben ter staving van dit standpunt onder andere een financiële analyse overgelegd. Omdat ter plaatse van het uitvaartcentrum te Eelderwolde een maatbestemming voor een crematorium is opgenomen, zal de komst van het voorziene uitvaartcentrum volgens hen leiden tot structurele leegstand van dat crematorium.

6.4.1.    De raad stelt dat er wel een kwantitatieve behoefte is aan het voorziene uitvaartcentrum.

6.4.2.    Aan het plan is de ladderonderbouwing ten grondslag gelegd, waarin in het kader van de vraag of er een actuele regionale behoefte is aan het voorziene uitvaartcentrum onder andere is ingegaan op de kwantitatieve behoefte. Daarbij is het onderzoeksgebied bepaald op basis van onderzoek naar reistijden die nabestaanden acceptabel vinden om naar een uitvaart te reizen. Volgens de ladderonderbouwing heeft een reguliere uitvaartfaciliteit een verzorgingsgebied ter grootte van een cirkel met een straal van ongeveer 15 km. Verder is vermeld dat de ladderonderbouwing betrekking heeft op de periode 2017-2027, omdat dit aansluit op de planperiode van tien jaar. Aan de hand van deze uitgangspunten is in de ladderonderbouwing geconcludeerd dat er in het peiljaar 2027 een vraag van 2.530 crematies zal zijn tegenover een aanbod van 2.400 crematies, zodat volgens de ladderonderbouwing in 2027 een behoefte bestaat aan 130 crematies in het onderzoeksgebied. Bij het bepalen van het aanbod is in de ladderonderbouwing uitgegaan van een realistische capaciteit van vier crematies per oven per dag.

6.4.3.    Voor zover [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging stellen dat bij het bepalen van de kwantitatieve behoefte geen rekening is gehouden met technische crematies, heeft de raad toegelicht dat enkel een volledige uitvaartdienst ruimtelijk relevant is, vanwege het grote aantal bezoekers dat dan van en naar de uitvaartfaciliteit gaat. Verder heeft de raad erop gewezen dat een technische crematie niet tegelijkertijd met een volledige uitvaartdienst kan plaatsvinden. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onjuist is te achten.

6.4.4.    Ten aanzien van het standpunt van [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging, onder verwijzing naar het rapport van Responsum, dat de realistische capaciteit van de crematoria is onderschat, heeft de raad toegelicht dat Dela wil voorkomen dat verschillende groepen elkaar tegenkomen tijdens een uitvaart. Het is daarom noodzakelijk om minstens twee uur per uitvaart te plannen. Op een werkdag van acht uur zijn dit volgens de raad maximaal vier crematies dan wel uitvaarten. Deze werkwijze is door Dela ter zitting bevestigd. Verder heeft de raad erop gewezen dat Yarden weliswaar beschikt over twee crematieovens, maar dat het simultaan gebruik hiervan wordt beperkt door de duur van een uitvaartplechtigheid, het feit dat er maar één invoerruimte is en uitvaartcentra alle nabestaanden de mogelijkheid willen bieden om aanwezig te zijn bij het invoeren van de kist. Om die reden geldt volgens de raad ook voor Yarden een realistische capaciteit van vier crematies per oven per dag. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel deze toelichting door de raad niet aannemelijk te achten.

Voor zover door [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging erop is gewezen dat Yarden in het jaar 2017 1.754 crematies heeft verzorgd, is namens Dela ter zitting erop gewezen dat het aantal crematies bij Yarden in dat jaar deels door Dela is verzorgd. Met de komst van het voorziene uitvaartcentrum zal het aantal crematies bij Yarden volgens de raad dan ook dalen naar ongeveer 1.200 per jaar, omdat Dela haar crematies in het voorziene uitvaartcentrum zal verzorgen. Dit standpunt is door [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging niet gemotiveerd weersproken. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de realistische capaciteit van de crematoria is onderschat.

6.4.5.    Ten aanzien van het standpunt van [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging dat in de ladderonderbouwing geen rekening is gehouden met de overlap van verzorgingsgebieden van crematoria buiten het betrokken verzorgingsgebied, heeft de raad erop gewezen dat sprake is van een zeer beperkte uitstroom van personen die een crematie buiten het onderhavige verzorgingsgebied willen laten verzorgen, maar ook sprake is van een instroom van personen buiten het verzorgingsgebied die een crematie door het voorziene uitvaartcentrum willen laten verzorgen. Bovendien is de overlap met de door appellanten genoemde crematoria zeer beperkt en zijn de gebieden die elkaar overlappen dunbevolkt. De raad heeft daarom de overlap van verzorgingsgebieden niet bij de toets aan de Ladder betrokken. Gelet op de toelichting van de raad acht de Afdeling dat niet onredelijk.

6.4.6.    Ten aanzien van het standpunt van Re-spectrum en anderen dat een rendabele exploitatie van een uitvaartcentrum in Eelderwolde niet meer mogelijk is bij de komst van het voorziene uitvaartcentrum, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft toegelicht dat crematoria in de regio met fors lagere aantallen dan de gestelde realistische capaciteit van 1.200 crematies per jaar rendabel te exploiteren zijn. Volgens de raad heeft Dela aangegeven dat het aantal van 500 crematies op jaarbasis afdoende is om een rendabele exploitatie van het voorziene uitvaartcentrum te halen. De raad heeft verder in dit kader gewezen op het Distributie Planologisch Onderzoek crematorium Tynaarlo van september 2014 (hierna: het DPO), waarin staat dat bij ongeveer 400 crematies per jaar en een groeiende vraag naar het aantal crematies de bouw van een nieuw crematorium rendabel kan zijn, en op een ongedateerde aanvullende notitie met betrekking tot voornoemd DPO, waarin staat dat ook bij de komst van het voorziene crematorium het verzorgingsgebied voldoende groot is voor het crematorium in Eelderwolde om het effect hiervan te kunnen opvangen.

Ter zitting is namens Re-spectrum en anderen toegelicht dat vanwege de stijging van bouwkosten en gewijzigde marktomstandigheden, waardoor de gemiddelde omzet van crematoria 15% lager ligt dan aanvankelijk was geprognosticeerd, haar crematorium 900 crematies per jaar moet verzorgen om te komen tot een rendabele exploitatie. Desgevraagd hebben zij echter bevestigd dat deze gestelde omstandigheden pas zijn opgetreden na de vaststelling van het plan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten tijde van de vaststelling van het plan niet kon uitgaan van de bevindingen in het DPO. Derhalve ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het voorziene uitvaartcentrum niet leidt tot structurele leegstand van het crematorium te Eelderwolde.

Bestaand stedelijk gebied

6.5.    [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging voeren aan dat het plangebied is gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied. Volgens hen is daarom ten onrechte geen beschrijving opgenomen van de mogelijkheid om binnen het bestaand stedelijk gebied te voorzien in deze ontwikkeling.

6.5.1.    Artikel 1.1.1, van het Bro luidt:

1. In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…];

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

[…]".

6.5.2.    Zoals is overwogen in de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, dient bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, onder h, van het Bro beoordeeld te worden of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakte, en of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorend geheel van openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. (uitspraken van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1340 (Veghel) en van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1581 (Papendrecht)).

6.5.3.    De raad heeft in het verweerschrift gesteld dat het plangebied kan worden gekwalificeerd als stedelijk groen en daarom moet worden beschouwd als bestaand stedelijk gebied. De raad heeft in dat kader erop gewezen dat de locatie aan de oostkant is begrensd door de woonwijk Vinkhuizen en dat aan de noordwestkant van het Westpark de nieuwbouwwijk De Held fase III zal worden gebouwd. Verder ligt volgens de raad ten zuiden van het plangebied het bedrijventerrein Hoogkerk-Oost, dat in de huidige situatie is bebouwd met bedrijfsruimten en enkele woningen. Alleen aan de westzijde van het Westpark liggen volgens de raad gronden met de bestemming "Agrarisch". De raad stelt verder dat de betrokken locatie in de provinciale Omgevingsverordening Groningen ook is aangeduid als bestaand stedelijk gebied.

6.5.4.    De Afdeling stelt vast dat aan het plangebied in het vorige bestemmingsplan "Westpark" de bestemming "Recreatie" was toegekend. Op grond van artikel 7, lid 7.1 van de planregels van dat bestemmingsplan waren op deze gronden dagrecreatieve voorzieningen en sportvoorzieningen toegestaan. Verder was aan een groot deel van de betrokken gronden een bouwvlak toegekend, zodat bebouwing ten behoeve van deze voorzieningen mogelijk was. Gelet op de omstandigheid dat het vorige plan ter plaatse van de betrokken gronden dagrecreatieve voorzieningen en sportvoorzieningen met bebouwing toestond in combinatie met het gegeven dat in de nabijheid van het plangebied veel woningen liggen en ten zuiden van het plangebied een bedrijventerrein, is de Afdeling van oordeel dat de raad in dit geval terecht heeft geconcludeerd dat het plangebied is te kwalificeren als stedelijk groen. De raad behoefde derhalve in de plantoelichting niet een beschrijving op te nemen waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien.

6.6.     Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld. Het betoog faalt.

Natuur

7.    [appellant sub 3] en de vereniging voeren aan dat het plangebied in de nabijheid ligt van de Natura-2000 gebieden Leekstermeergebied en Zuidlaardermeergebied. Volgens hen is in het aan het plan ten grondslag gelegde rapport "Natuurtoets gemeente Groningen van 22 september 2016" (hierna: de natuurtoets) ten onrechte geconcludeerd dat het plan geen gevolgen heeft voor de in deze gebieden aanwezige habitattypen en soorten, zoals de kwartelkoning. Gelet hierop is het plan volgens hem in strijd met de Wet natuurbescherming (Wnb).

Verder voeren zij aan dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, omdat uit het aan het plan ten grondslag gelegde rapport ‘Natuurtoets uitvaartlocatie Hoendiep’ (hierna: de Natuurtoets) blijkt dat nader onderzoek nodig is naar de impact van het plan op de poelkikker en vleermuissoorten. Daarbij hebben zij gesteld dat de Natuurtoets niet uitsluit dat de poelkikker dan wel vleermuissoorten schade ondervinden van de gevolgen van het plan.

7.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept".

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

7.2.    Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] en de vereniging dat het plan in strijd is met de Wnb vanwege de gevolgen voor Natura 2000-gebieden, overweegt de Afdeling het volgende. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, overweegt de Afdeling dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De woning van [appellant sub 3] en de moestuin van de vereniging liggen op een afstand van meer dan 2 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Leekstermeergebied en liggen daarmee niet in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat er geen duidelijke verwevenheid bestaat tussen de individuele belangen van [appellant sub 3] en de vereniging en de algemene belangen die de Wnb ten aanzien van de Natura 2000-gebieden beoogt te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat hetgeen [appellant sub 3] en de vereniging in zoverre hebben aangevoerd op grond van artikel 8:69a van de Awb niet zal kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

7.3.    Voor zover [appellant sub 3] en de vereniging zich beroepen op normen uit de Wnb die strekken tot bescherming van de poelkikker en de vleermuissoorten, stelt de Afdeling vast dat de woning van [appellant sub 3] en de moestuin van de vereniging direct naast het plangebied liggen. De bepalingen in de Wnb over de bescherming van soorten strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3238, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de goede kwaliteit van de directe leefomgeving van [appellant sub 3] en de leden van de vereniging direct verband houdt met de bescherming van de volgens hen in het plangebied levende poelkikker en vleermuissoorten. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre dan ook niet aan een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit in de weg.

7.4.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze vrijstelling of ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

7.5.    Aan het plan is het rapport "Natuurtoets Uitvaartlocatie Hoendiep" van Stadsingenieurs gemeente Groningen van 22 september 2016 ten grondslag gelegd (hierna: de natuurtoets).

Uit deze natuurtoets volgt dat tijdens onderzoek in de Hoentocht de poelkikker is aangetroffen. Binnen het plangebied is volgens de natuurtoets voortplantingswater en landhabitat aanwezig en zijn er mogelijk ook overwinteringslocaties. Er zijn volgens de natuurtoets negatieve effecten voor de poelkikker te verwachten bij het dempen van (delen van) sloten, het aanleggen van dammen in de Hoentocht en aanliggende slootdelen, ingrepen die leiden tot wijzigingen in waterkwaliteit, het wegnemen van grotere oppervlakken ruigere grazige vegetatie en het wegnemen van ruiger begroeide plaatsen ten noorden van de Hoentocht. Het dient daarom volgens de natuurtoets aanbeveling om met name de inrichting zo aan te passen dat het dempen van sloten, het aanleggen van dammen en ingrepen die leiden tot wijzigingen in de waterkwaliteit worden vermeden. Ten aanzien van het wegnemen van grotere oppervlakken ruigere grazige vegetatie en het wegnemen van ruiger begroeide plaatsen ten noorden van de Hoentocht, vermeldt de natuurtoets dat vervangende inrichting relatief eenvoudig is in te passen.

Ten aanzien van vleermuizen vermeldt de natuurtoets dat de Hoentocht een relatief brede maar beschutte watergang betreft, waardoor deze kan worden gebruikt als vliegroute door de watervleermuis en eventueel enkele andere vleermuissoorten. Ook de watergang die de oostgrens van het plangebied vormt is hiervoor geschikt. Indien aantasting van de vliegroute volgens de natuurtoets niet kan worden uitgesloten, dient voor het uitvoeren van de plannen ontheffing te worden aangevraagd. Er zijn volgens de natuurtoets negatieve effecten voor vleermuizen te verwachten bij het dempen van (delen van) de Hoentocht of de kruisende watergang, het aanleggen van dammen in de Hoentocht of de kruisende watergang en het aanbrengen van verlichting op het terrein die uitstraalt op de Hoentocht of de kruisende watergang.

7.6.    De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 6 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2261, onder overweging 6.4 onder meer het volgende heeft overwogen: "De raad heeft ter zitting toegelicht dat in het plangebied gelegen watergangen grotendeels behouden zullen blijven en dat in ieder geval de Hoentocht in stand zal blijven. Voorts is aangegeven dat het inrichtingsplan zoveel mogelijk rekening houdt met de aanwezigheid van de genoemde beschermde diersoorten. Om die reden heeft de raad het standpunt ingenomen dat de Wnb niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. De voorzieningenrechter acht dit standpunt aannemelijk."

De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om ten aanzien van deze beroepsgrond anders te oordelen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 3] en de vereniging niet aannemelijk hebben gemaakt dat de natuurtoets zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich daarop niet mocht baseren. Het betoog faalt.

MER

8.    [appellant sub 3] en de vereniging betogen dat de raad ten onrechte niet de procedure ten aanzien van de vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft gevolgd die het met ingang van 7 juli 2017 gewijzigde Besluit milieueffectrapportage voorschrijft.

Verder betwijfelen zij of de vormvrije m.e.r.-beoordeling die integraal in de plantoelichting is opgenomen, afdoende is. Daarbij wijzen zij erop dat vanwege de ligging van de hierboven genoemde Natura-2000 gebieden Leekstermeergebied en Zuidlaardermeergebied en daarin levende soorten die gevoelig zijn voor stikstofdepositie, de raad kritischer had moeten beoordelen of een m.e.r-beoordeling had moeten worden uitgevoerd.

8.1.    De raad stelt dat het ontwerp van het plan ter inzage heeft gelegen van 12 januari 2017 tot en met 22 februari 2017. Gelet hierop stelt de raad dat het bestreden besluit is ingeleid vóór 16 mei 2017 en dat hij daarom het oude recht en niet de procedure hoefde te volgen die het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage voorschrijft.

8.2.    Ten aanzien van het standpunt van [appellant sub 3] en de vereniging met betrekking tot de vormvrije m.e.r.-beoordeling en het effect van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura-2000 gebieden, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 3] en de vereniging niet aannemelijk hebben gemaakt dat de door hen genoemde factoren, zoals de ligging van de genoemde Natura-2000 gebieden, zouden leiden tot een andere uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling (vergelijk de uitspraak van 15 maart 2017 ECLI:NL:RVS:2017:694). Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de stikstofdepositie in de vormvrije m.e.r.-beoordeling is beoordeeld.

Ten aanzien van het standpunt van [appellant sub 3] en de vereniging over de gevolgde procedure ten aanzien van de vormvrije m.e.r.-beoordeling, overweegt de Afdeling het volgende. Daargelaten de door de raad opgeworpen vraag of in dit geval toepassing mocht worden gegeven aan het oude recht, is er in dit geval naar het oordeel van de Afdeling aanleiding om een eventueel gebrek met toepassing van artikel 6:22 te passeren, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden er niet door zijn benadeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in paragraaf 3.5.5. van de plantoelichting inzichtelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteiten niet zullen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en [appellant sub 3] en de vereniging voor het overige deze beoordeling niet inhoudelijk hebben bestreden.

Geur

Omgevingsvisie Groningen

9.    [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3], en de vereniging voeren aan dat het plan in strijd met het geurbeleid uit de Omgevingsvisie provincie Groningen (hierna: de Omgevingsvisie) is vastgesteld.

9.1.    De raad stelt dat rekening is gehouden met het geurbeleid uit de Omgevingsvisie. Volgens de raad is het beleid waarop [appellant sub 1], Respectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging doelen in dit geval niet van toepassing, omdat dit beleid alleen betrekking heeft op bedrijven waarvoor er een provinciaal bevoegd gezag is.

9.2.    De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid. De raad dient wel met dit beleid rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

In paragraaf 20.2.2 van de Omgevingsvisie Groningen is het geurbeleid van de provincie verwoord. Daarin staat dat het provinciebestuur voor het grondgebied van de provincie 30% minder geurklachten wil en dat dit bestuur ernstige geurhinder wil voorkomen door het geurbeleid toe te passen bij bedrijven waarvoor er een provinciaal bevoegd gezag is. Gelet hierop heeft de raad terecht gesteld dat uit het geurbeleid van de provincie volgt dat dit beleid alleen van toepassing is op bedrijven waarvoor zij het bevoegd gezag is. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit beleid onvoldoende in haar belangenafweging heeft betrokken. Het betoog faalt.

Handhaafbaarheid Inspectierichtlijn Lijkbezorging

10.    [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging voeren aan dat in de plantoelichting is ingegaan op de richtlijn van het Besluit op de lijkbezorging en dat de plantoelichting vermeldt dat deze richtlijn niet toestaat dat geur geëmitteerd wordt. Het is volgens hen niet duidelijk welke richtlijn hiermee wordt bedoeld. Gelet hierop betwijfelen zij of deze regel handhaafbaar is.

10.1.    De raad heeft toegelicht dat de Inspectierichtlijn Lijkbezorging sinds 2010 niet meer geldt en dat deze richtlijn abusievelijk in paragraaf 3.5.3 van de plantoelichting is vermeld. Volgens de raad zijn onderdelen van de richtlijn sindsdien opgenomen in de Handleiding Opgraven en Ruimen 2010 van de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen en zijn er regels in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer opgenomen ter voorkoming en beperking van milieugevolgen van crematoria. Volgens de raad zijn deze regels handhaafbaar en is het opnemen van regels in het plan niet noodzakelijk. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de regels omtrent de emissie van geur niet handhaafbaar zijn. Het betoog faalt.

VNG-brochure en geur

11.    [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging voeren aan dat in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) voor een uitvaartcentrum voor het aspect geur een richtafstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten wordt aanbevolen.

11.1.    De raad stelt dat de crematoriumoven niet dichterbij dan op 155 m van de bestaande bebouwing kan worden gebouwd. De raad stelt dat hiermee voldaan wordt aan de richtafstand uit de VNG-brochure.

11.2.    De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 5, lid 5.2.2, van de planregels gebouwen op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Uitvaartfaciliteit" uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak mogen worden gebouwd. De kortste afstand tussen dat bouwvlak en het dichtstbijzijnde geurgevoelig object bedraagt 155 m. Aan de richtafstand van 100 meter uit de VNG-brochure wordt dus ruimschoots voldaan. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat er regels gelden ter beperking van geurhinder ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat wat betreft het aspect geur onaanvaardbare hinder voor omwonenden ontstaat. Het betoog faalt.

Landschappelijke inpassing

Voorwaardelijke verplichting

12.    [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging betogen dat het plan ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting bevat die borgt dat de volgens hen noodzakelijke landschappelijke inpassing van het uitvaartcentrum zal worden gerealiseerd.

12.1.    De raad stelt dat de landschappelijke inpassing niet noodzakelijk is voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. De raad wijst er verder op dat in de koopovereenkomst met de ontwikkelaar is vastgelegd dat deze in overleg met het gemeentebestuur zal zorgdragen voor een parkachtige inrichting.

12.2.    Artikel 5, lid 5.2.2, van de planregels luidt:

"Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

b. Het bebouwingspercentage mag maximaal het op de verbeelding aangegeven bebouwingspercentage bedragen.

c. De bouwhoogte mag maximaal de op de verbeelding aangegeven bouwhoogte bedragen."

12.3.    In paragraaf 2.1.3 van de plantoelichting staat dat het plangebied ligt in de groene zone tussen Groningen en Hoogkerk. Grootschalige bebouwing is volgens de plantoelichting niet wenselijk in dit gebied en het is van belang bij verdere ontwikkelingen rekening te houden met de groene zone. Verder is vermeld dat de voorziene ontwikkeling op een verantwoorde manier wordt ingepast in de bestaande omgeving. Dat betekent dat er rekening gehouden wordt met de aanwezige cultuurhistorische en ruimtelijke waarden en de aanwezige groenstructuren, de aanwezigheid van het Westpark en de omliggende woningen. Het uitgangspunt is volgens de plantoelichting een enkel solitair gebouw in het groen. Met de keuze voor een uitvaartcentrum aan de voet van het Westpark wordt volgens de plantoelichting aangesloten op het groene karakter van het park. Ten opzichte van de grote maat van de locatie is de bebouwing beperkt. Daarmee wordt aangesloten op de wens om de identiteit van Hoogkerk ten opzichte van de stad te handhaven en te versterken, aldus de plantoelichting.

12.4.    De Afdeling stelt vast dat aan een relatief groot deel van het plangebied de bestemming "Groen" is toegekend. Er is daarbij onder meer voorzien in een groenstrook aan weerszijden van de voorgevel van het hoofdgebouw. Voorts staat het plan op grond van artikel 5, lid 5.2.2, aanhef en onder b, in samenhang met de verbeelding, aan de gronden waar het bouwvlak ligt een bebouwingspercentage van 40% toe. Gelet op de wijze waarop de bestemmingen op de verbeelding zijn vastgelegd en gezien het genoemde bebouwingspercentage, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het plan voldoende rekening is gehouden met de landschappelijke inpassing van het uitvaartcentrum in de in de plantoelichting genoemde groene zone tussen Groningen en Hoogkerk en het groene karakter van het Westpark.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een voorwaardelijke verplichting ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het uitvaartcentrum niet noodzakelijk is. Het betoog faalt.

Bouwhoogte

13.    [appellant sub 1], [appellant sub 3] en de vereniging voeren aan dat het noordelijke deel van het plangebied, waaraan tevens een bouwvlak is toegekend, hoger ligt dan het zuidelijke deel. Zij wijzen erop dat op de gronden waaraan het bouwvlak is toegekend een bouwhoogte is toegestaan van maximaal 7 m. Volgens [appellant sub 1] ontbreekt in het plan een onderbouwing waarom deze bouwhoogte in relatie tot de verhoging van het terrein passend is gelet op de bestaande open structuren van het landschap.

13.1.    De Afdeling overweegt dat de raad een hoogtekaart heeft overgelegd van de omgeving van het plangebied. Uit deze hoogtekaart blijkt dat het gebied achter het plangebied hoger ligt dan het plangebied zelf. De raad stelt dat vanwege het hogere achterliggende gebied de effecten die uitgaan van de bouwhoogte van het hoofdgebouw deels worden weggenomen. Gelet hierop vindt de raad de toegestane maximale bouwhoogte van het uitvaartcentrum aanvaardbaar. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege de maximaal toegestane bouwhoogte van de voorziene bebouwing sprake is van een goede inpassing in de omgeving.

Het betoog faalt.

Uitzicht en open karakter van het betrokken gebied

14.    [appellant sub 3] voert aan dat het uitzicht op en het open karakter van het gebied verloren gaan door de komst van het uitvaartcentrum.

14.1.    De Afdeling overweegt dat enige aantasting van het uitzicht en het open landschap, gelet op het feit dat de gronden waar het uitvaartcentrum is voorzien thans onbebouwd zijn, niet uit te sluiten is. De raad heeft dit erkend maar heeft dit acceptabel geacht vanwege het belang dat met de nieuwe ontwikkeling gemoeid is. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht en dat het vorige bestemmingsplan ook bebouwing op de betrokken gronden toestond. Het betoog faalt.

Groenstructuurvisie

15.    [appellant sub 3] en de vereniging voeren aan dat het plan in strijd met de Groenstructuurvisie "Groene Pepers" (hierna: de Groenstructuurvisie) is vastgesteld. Volgens hen ligt het plangebied binnen gebied dat in de Groenstructuurvisie is aangemerkt als "stedelijk ecologisch waardevol gebied". Verder is het plangebied volgens hen gelegen in het aandachtsgebied "Westpark" uit de Groenstructuurvisie en is met de uitgangspunten voor dat aandachtgebied volgens hen onvoldoende rekening gehouden.

15.1.    De raad heeft toegelicht dat de aanduiding "stedelijk ecologisch waardevol gebied" uit de Groenstructuurvisie gedateerd is, omdat in 2014 een nieuwe kaart is vastgesteld voor de Stedelijke Ecologische Structuur van Groningen. Op deze kaart ligt het plangebied buiten de Stedelijke Ecologische Structuur, zodat aan het plangebied in die zin geen bescherming toekomt. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om dit standpunt voor onjuist te houden.

Wat betreft het standpunt van [appellant sub 3] en de vereniging dat het Westpark is aangemerkt als aandachtsgebied, heeft de raad toegelicht dat het hier gaat om een aandachtsgebied waarbinnen, zoals in de Groenstructuurvisie is vermeld, initiatieven op het gebied van woningbouw, bedrijvigheid en voorzieningen moeten worden gerelateerd aan de aanwezige (groen)kwaliteiten met synergie en stedelijke meerwaarde als doel. Verder wordt beoogd wandel- en fietsstructuren beter te ontsluiten, mogelijk in combinatie met faunapassages. De raad heeft erop gewezen dat het terrein van het uitvaartcentrum een openbaar karakter krijgt waardoor een betere ontsluiting voor fietsers en voetgangers van het Westpark wordt gerealiseerd. Gelet op deze toelichting van de raad is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan in overeenstemming is met de Groenstructuurvisie. Het betoog faalt.

Structuurvisie "Stad op scherp"

16.     [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging betogen dat het plangebied in strijd met de gemeentelijke Structuurvisie "Stad op Scherp" is vastgesteld. Zij voeren aan dat in de Structuurvisie staat dat de stad niet uitbreidt ten koste van het landschap. Het plan maakt volgens hen evenwel de uitbreiding van de stad ten koste van het landschap mogelijk. Zij wijzen in dat kader erop dat aan de gronden van het plangebied in het voorheen geldende bestemmingsplan "Westpark" een sport- en recreatiebestemming was toegekend, waarbij tot 250 m² mocht worden gebouwd, terwijl nu in een bedrijfsgebouw is voorzien met een oppervlakte van maximaal 3.200 m².

16.1.    De raad stelt dat op de gronden van het plangebied in het voorheen geldende bestemmingsplan "Westpark" al stedelijke functies waren toegestaan en dat het plangebied daarmee behoort tot het bestaand stedelijk gebied.

16.2.    Onder verwijzing naar overweging 6.5.4 is de Afdeling van oordeel dat de raad terecht heeft gesteld dat plangebied kwalificeert als bestaand stedelijk gebied. Gelet hierop heeft de raad terecht gesteld dat de stad niet uitbreidt ten koste van het landschap en dat het plan daarom in overeenstemming is met de Structuurvisie "Stad op scherp". Het betoog faalt.

Verkeer

Verkeersdrukte en verkeersveiligheid

17.    [appellant sub 3] en de vereniging betogen dat de komst van het uitvaartcentrum leidt tot onaanvaardbare verkeershinder. Zij voeren in dat kader aan dat het Hoendiep een intensief gebruikte weg is met 7.000 auto’s per etmaal en deze weg tijdens de bietencampagne nog intensiever wordt gebruikt. De komst van het uitvaartcentrum leidt volgens hen tot ernstige verkeersdrukte en verkeersonveiligheid, omdat grote groepen auto’s van bezoekers het nabijgelegen kruispunt tussen het Hoendiep met de U.T. Delfiaweg tegelijk zullen belasten. Zij achten het aan het plan ten grondslag gelegde memo "Simulatie verkeersituatie crematorium Hoendiep" van BonoTraffics bv van 19 juli 2016 (hierna: de verkeersmemo) onzorgvuldig, omdat in dat onderzoek niet is uiteengezet wat de theoretische capaciteit van het Hoendiep is en hoe die zich verhoudt tot de toename van het verkeer als gevolg van de komst van het uitvaartcentrum.

[appellant sub 3] en de vereniging voeren verder aan dat in de verkeersmemo wordt geadviseerd om een opstelstrook te realiseren voor het verkeer uit westelijke richting en dat in de plantoelichting wordt beschreven dat zal worden voorzien in een ontsluiting met opstelruimte en middengeleider zodat het verkeer uit westelijke richting in twee fasen kan oversteken. Deze maatregelen zijn volgens hen ten onrechte niet geborgd in de planregels.     [appellant sub 3] en de vereniging betogen voorts dat het aantal verkeersbewegingen van en naar het uitvaartcentrum te laag is ingeschat,

17.1.    De raad stelt dat de komst van de uitvaartfaciliteit leidt tot een stijging van 200 tot 220 voertuigen per etmaal op het Hoendiep. Volgens de raad is deze toename van het autoverkeer op het Hoendiep acceptabel.

17.2.     In paragraaf 2.2 van de plantoelichting staat dat bij de berekeningen van de verkeerstoename is uitgegaan van 5 crematies per dag, waarbij de verwachting is dat het uitvaartcentrum 40 à 45 autobewegingen per crematie zal aantrekken. Volgens de plantoelichting zal het uitvaartcentrum gelet hierop dagelijks ongeveer 200 tot 220 autobewegingen, verspreid over de dag, aantrekken. Op het Hoendiep rijden volgens de plantoelichting ongeveer 7.000 motorvoertuigen per etmaal en tijdens de bietencampagne ongeveer 8.500 motorvoertuigen per etmaal. Om te bepalen hoe de ontsluiting van het uitvaartcentrum vormgegeven dient te worden, zijn volgens de plantoelichting verkeerssimulaties uitgevoerd. Daarbij zijn diverse scenario’s doorgerekend, variërend van een zo realistisch mogelijke situatie tot een ‘worst case’ scenario. Volgens de plantoelichting is de conclusie van deze simulaties dat, gelet op de doorstroming, in alle scenario’s volstaan kan worden met een eenvoudige aansluiting op het Hoendiep in de vorm van een voorrangskruispunt. Er ontstaan volgens de plantoelichting geen onacceptabel lange wachtrijen, terwijl het verkeer op het Hoendiep nauwelijks hinder zal ondervinden van de extra aansluiting.

17.3.    De Afdeling stelt vast dat in de verkeersmemo twee vormgevingsvarianten zijn gesimuleerd, waarbij bij beide vormgevingsvarianten de verkeerskundige effecten daarvan in beeld zijn gebracht. Daarbij is gebruik gemaakt van tellingen, waarbij ook de verkeersgeneratie van het uitvaartcentrum en de bietencampagne is meegenomen. Geconcludeerd is dat het doorgaande verkeer op de hoofdrijbaan niet of nauwelijks hinder zal ondervinden van het verkeer dat van en naar het crematorium gaat. Dat geldt voor beide onderzochte vormgevingsvarianten en voor de twee toegepaste scenario’s. Verder is geconcludeerd dat het realiseren van een opstelstrook voor linksaf in de meeste gevallen resulteert in een kortere wachtrij op de westelijke tak. Het verkeer dat vanuit het westen naar het crematorium gaat, kan veelal niet direct de noordelijke rijstrook kruisen. Tijdens de simulatie is niet gebleken dat verkeer vanaf het crematorium veel moeite zal hebben het Hoendiep op te rijden. [appellant sub 3] en de vereniging hebben geen concrete gegevens overgelegd waaruit naar voren komt dat de bevindingen in de verkeersmemo zodanige gebreken en leemtes in kennis vertonen, dat de raad zich daarop niet heeft kunnen baseren.

Voor zover [appellant sub 3] en de vereniging betogen dat het aantal verkeersbewegingen van en naar het uitvaartcentrum te laag is ingeschat, overweegt de Afdeling dat in de verkeersmemo gebruik is gemaakt van verkeerstellingen en dat in de verkeersmemo bovendien is uitgegaan van een worst case scenario.

Voor zover [appellant sub 3] en de vereniging stellen dat in het onderzoek niet is ingegaan op de theoretische capaciteit van het Hoendiep, heeft de raad in het verweerschrift gesteld dat het Hoendiep is aangewezen als een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom, met een toegestane snelheid van 60 km/h. Behalve een functie voor doorgaand verkeer heeft het Hoendiep ook een functie voor het ontsluiten van aanliggende percelen, aldus de raad. Door de komst van het uitvaartcentrum, stelt de raad naar het oordeel van de Afdeling terecht, dat niet meer en niet minder dan een erfontsluiting wordt toegevoegd.

Ten aanzien van het standpunt van [appellant sub 3] en de vereniging dat ten onrechte geen waarborg in het plan is opgenomen voor de in de verkeersmemo geadviseerde verkeersmaatregelen, heeft de raad terecht gesteld dat de gemeente het nieuwe kruispunt zelf zal aanleggen en dat het uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid niet noodzakelijk is deze maatregelen in het plan te borgen.

Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare verkeersdrukte en verkeersonveiligheid.

Milieuhinder door verkeer

18.    [appellant sub 3], de vereniging en [appellant sub 5] betogen dat de toename van het verkeer als gevolg van het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij voeren aan dat het plan leidt tot een toename van de emissie van luchtverontreinigende stoffen door verkeer. [appellant sub 3] en de vereniging voeren daarnaast aan dat zij ernstige geluidsoverlast ter plaatse van hun woning en de moestuin zullen ondervinden vanwege afremmend en aanrijdend verkeer ter hoogte van de voorziene ontsluiting van het uitvaartcentrum.

18.1.    De raad stelt dat de toename van het verkeer als gevolg van het uitvaartcentrum weliswaar leidt tot extra emissie, maar deze emissie binnen de daarvoor geldende luchtkwaliteitsnormen blijft. De raad stelt verder dat door de inrichting van het kruispunt de doorstroom van het verkeer zo weinig mogelijk wordt gehinderd, waardoor er geen sprake zal zijn van extra geluidoverlast door optrekkend en afremmend verkeer.

18.2.    In paragraaf 3.5.2 van de plantoelichting staat dat de geringe toename van het verkeer niet zal leiden tot een relevante toename van het geluidsniveau. De Afdeling stelt vast dat de percelen van [appellant sub 3] en de vereniging op een afstand van ongeveer 230 m van de voorziene ontsluiting liggen. Het perceel van [appellant sub 5] ligt op een nog grotere afstand van de voorziene ontsluiting. Gelet op deze afstanden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant sub 3], de vereniging en [appellant sub 5] ter plaatse van hun percelen geen onaanvaardbare geluidhinder afkomstig van optrekkend en afremmend verkeer op de voorziene ontsluiting zullen ondervinden.

Wat betreft de gestelde toename van emissie van luchtverontreinigende stoffen door verkeer, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting staat dat in Groningen overal wordt voldaan aan de luchtkwaliteitsnormen. Dit in aanmerking genomen en mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de omvang van de te verwachten toename aan verkeer die het uitvaartcentrum genereert, acht de Afdeling in dit opzicht geen reden aanwezig voor het oordeel dat de raad van de vaststelling van het plan had moeten afzien.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van het verkeer niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 3], de vereniging en [appellant sub 5]. Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid fietsers

19.    [appellant sub 3] en de vereniging voeren aan dat het plan leidt tot verkeersonveiligheid voor fietsers, terwijl in het uitvoeringsprogramma fietsstrategie Groningen 2015-2025 het streven is uitgesproken om knelpunten aan hoofdfietsroutes weg te nemen.

19.1.    De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat het inherent is aan een stedelijke ontwikkeling dat er situaties kunnen ontstaan die extra kruisingssituaties meebrengen. De raad stelt dat fietsers voorrang op het verkeer krijgen dat het terrein van het uitvaartcentrum op- en afrijdt. Verder krijgt het bestemmingsverkeer tussen de hoofdrijbaan van het Hoendiep en het fietspad opstelruimte om op het kruisende fietsverkeer te wachten. De raad stelt dat gelet hierop de veiligheid van het fietsverkeer toereikend wordt beschermd. Dit acht de Afdeling aannemelijk.

De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege verkeersonveiligheid voor fietsers niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

Parkeren

20.    [appellant sub 1], Re-spectrum en anderen, [appellant sub 3] en de vereniging betwijfelen of het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Zij stellen in dat kader dat de gehanteerde parkeernorm voor een crematorium uit de gemeentelijke Beleidsregels Parkeernormen 2012 van de gemeente Groningen (hierna: het parkeerbeleid) volstrekt ontoereikend is om de ten gevolge van het voorziene uitvaartcentrum ontstane parkeerbehoefte af te wikkelen en vinden daarom de verwijzing naar deze beleidsregels in artikel 12, lid 12.1.4, van de planregels onvoldoende rechtszeker. Daarbij wijzen zij erop dat in de verkeersmemo rekening wordt gehouden met 125 auto’s per uitvaart in het voorziene uitvaartcentrum, terwijl de beleidsregels parkeren uitgaan van 25 auto’s per uitvaart.

20.1.    De raad stelt dat de ontwikkelaar 125 parkeerplaatsen wil realiseren op het terrein van het uitvaartcentrum en dat om die reden ruimschoots in de parkeerbehoefte wordt voorzien.

20.2.    Artikel 5, lid 5.1, luidt: "De voor "maatschappelijk - uitvaartfaciliteit" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…];

e. parkeervoorzieningen;

[…]".

Artikel 12, lid 12.1.1, luidt: "Een omgevingsvergunning voor het bouwen of verbouwen van gebouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat ten behoeve van de betreffende functie in voldoende mate is voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto’s in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat hij dat gebouw behoort".

Lid 12.1.4 luidt: "Burgemeester en wethouders passen deze bouwregels toe met inachtneming van de door hen vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning".

20.3.    In paragraaf 2.2 van de plantoelichting staat dat het uitgangspunt van het gemeentelijk parkeerbeleid is dat de initiatiefnemer van een bouwplan verantwoordelijk is voor het realiseren van parkeerruimte op eigen terrein. Dit voorkomt volgens de plantoelichting een toename van de parkeerdruk in de omgeving. De betreffende parkeernormen zijn volgens de plantoelichting vastgelegd in het parkeerbeleid. Voor een uitvaartcentrum bedraagt de parkeernorm 25 parkeerplaatsen per uitvaart. In dit geval heeft de ontwikkelaar volgens de plantoelichting een hogere norm gehanteerd op basis van ervaringen elders in het land. In totaal worden 125 parkeerplaatsen gerealiseerd, wat voldoende is voor zowel het personeel als de bezoekers van het uitvaartcentrum.

20.4.    De raad heeft beoogd een planregeling vast te stellen die ertoe leidt dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor bouwen wordt getoetst aan het parkeerbeleid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer onder overweging 3.5 in haar uitspraak van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:607, is een dergelijke regeling - met een zogenoemde dynamische verwijzing - toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling volgt duidelijk uit artikel 12, lid 12.1.4, dat de beleidsregels die gelden op het moment dat de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, daarop van toepassing zijn. Onder verwijzing naar overweging 17.3.1 van de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:437, ziet de Afdeling verder geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de beoordeling van de parkeersituatie met deze planregel ten onrechte heeft doorgeschoven naar de fase van de omgevingsvergunningverlening. De vraag of Dela voldoende parkeerplaatsen zal aanleggen om te voorzien in de parkeerbehoefte die als gevolg van de uitvoering van het plan zal ontstaan, kan in het kader van de procedure van de inmiddels verleende omgevingsvergunning voor bouwen aan de orde komen. Daarbij betrekt de Afdeling dat het plan ruimte biedt voor de realisering van 125 parkeerplaatsen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege het aspect parkeren niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

21.    [appellant sub 1] en [appellant sub 3] voeren aan dat zij vanuit hun woningen en tuin direct zicht hebben op het crematorium en de uitstrooivelden. Volgens hen zullen zij gelet op de afstand tussen hun woningen en het crematorium en de uitstrooivelden, worden geconfronteerd met rouwende mensen. Verder vrezen zij dat zij geluidshinder zullen ondervinden van Surinaams-Creoolse buitenplechtigheden.

[appellant sub 3] voert verder aan dat in de nabijheid van zijn tuin een opgehoogde parkeerplaats zal worden gerealiseerd en dat hij hierdoor overlast zal ondervinden van uitlaatgassen van auto’s. Verder stelt hij dat op de gronden met de bestemming "Groen", in de nabijheid van zijn tuin, bomen en heesters kunnen worden geplant. Volgens [appellant sub 3] zal dit leiden tot onaanvaardbare schaduwwerking op zijn tuin.

21.1.    De kortste afstand tussen het perceel van [appellant sub 1] en dat van [appellant sub 3] en de gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Uitvaarfaciliteit", waar uitvaartactiviteiten kunnen plaatsvinden, bedraagt blijkens de verbeelding onderscheidenlijk 35 en 50 m. Gelet op deze afstanden en het beperkte aantal uitvaartplechtigheden dat dagelijks zal kunnen plaatsvinden, is de Afdeling van oordeel dat de aanwezigheid van rouwende mensen niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en [appellant sub 3].

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 3] vrezen geluidhinder te ondervinden van Surinaams-Creoolse buitenplechtigheden, heeft de raad toegelicht dat deze buitenplechtigheden incidenteel van aard zijn en dat ook tijdens deze plechtigheden sprake is van een ingetogen sfeer. De Afdeling acht dit aannemelijk.

Voor zover [appellant sub 3] stelt dat hij onaanvaardbare overlast zal ondervinden door uitlaatgassen van auto’s, stelt de Afdeling vast dat de kortste afstand tussen de gronden waar het plan parkeervoorzieningen toestaat en het perceel van [appellant sub 3] ongeveer 50 m bedraagt. Gelet op deze afstand heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hinder als gevolg van auto’s verwaarloosbaar is.

Ten aanzien van het standpunt van [appellant sub 3] dat het plan zal leiden tot onaanvaardbare schaduwwerking op zijn perceel vanwege de aanplant van bomen en heesters, stelt de Afdeling vast dat in het plangebied aan gronden ten noorden van het perceel van [appellant sub 3] de bestemming "Groen" is toegekend. De raad heeft gesteld dat bij het maken van het definitieve ontwerp voor de terreininrichting overleg zal worden gevoerd met de omwonenden waarbij ook de positie van de nieuwe bomen zal worden besproken. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het mogelijk zal zijn te voorzien in een uitvoering van het plan waarbij de beplanting zo kan worden gesitueerd dat de nadelige effecten voor bezonning of schaduwwerking beperkt zullen zijn. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet leidt tot onevenredig bezwarende gevolgen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals hiervoor is overwogen onder 12.4 sprake is van een gebied met stedelijk groen.

21.2.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en [appellant sub 3].

Het betoog faalt.

Asverstrooiing

22.    [appellant sub 1], [appellant sub 3] en de vereniging voeren aan dat bij ceremonies as wordt uitgestrooid en dat deze as zal neerkomen op hun percelen. Het plan bevat volgens [appellant sub 1], [appellant sub 3] en de vereniging ten onrechte geen voorziening die voorkomt dat deze as zal neerdalen op hun percelen. De vereniging stelt verder dat het plan ten onrechte geen beperkingen oplegt aan het aantal asverstrooiingen per jaar. Uit een brief van Dela aan de raad van 19 juni 2017 komt volgens de vereniging naar voren dat meer asverstrooiingen zullen plaatsvinden. [appellant sub 3] wijst er verder op dat de strooivelden in de nabijheid van de openbare watervoorziening zullen worden gerealiseerd, waardoor volgens hem dit water niet meer bruikbaar is.

22.1.    De raad stelt dat niet het bestemmingsplan maar het Activiteitenbesluit milieubeheer het instrument is om het aantal asverstrooiingen te regelen.

22.2.    De Afdeling stelt vast dat in het plan geen maximum is gesteld aan het aantal toegestane asverstrooiingen. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 3] en de vereniging hebben aangevoerd, heeft de raad daartoe ook geen aanleiding hoeven zien. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat in de Wet op de lijkbezorging, paragraaf 4.8.9 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en paragraaf 4.8.8 van de Activiteitenregeling milieubeheer voorschriften zijn opgenomen ter voorkoming en beperking van milieugevolgen van crematoria en strooivelden. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid geen voorziening in het plan hoeven op te nemen die voorkomt dat as zal neerdalen op nabijgelegen percelen en heeft hij in redelijkheid kunnen afzien van een planregel die het aantal asverstrooiingen per jaar reguleert.

Het betoog faalt.

Vertrouwensbeginsel

23.    De vereniging voert aan dat ten tijde van een executieveiling van de percelen in 2013, door het college van burgemeester en wethouders is gemeld dat op de percelen waar het uitvaartcentrum is voorzien, niet gebouwd zou worden.

[appellant sub 3] voert aan dat het gemeentebestuur met betrekking tot de gronden van het plangebied andere belangstellenden voor de aankoop van deze gronden heeft misleid. Hij stelt dat het gemeentebestuur hem in 2013 heeft ontraden tot aankoop van de gronden over te gaan, omdat de destijds aan deze gronden toegekende recreatiebestemming niet zou worden gewijzigd.

23.1.    De Afdeling begrijpt het betoog van de vereniging en [appellant sub 3] zo dat zij vinden dat de raad met de vaststelling van het plan het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, omdat het gemeentebestuur in het verleden te kennen heeft gegeven dat de gronden van het plangebied onbebouwd zullen blijven. [appellant sub 3] en de vereniging hebben in dit verband niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het planologisch regime voor de gronden in het plangebied niet zou worden gewijzigd. De raad heeft het plan reeds daarom niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

Waardevermindering woning

24.    [appellant sub 5] voert aan dat de komst van het uitvaartcentrum leidt tot een ernstige waardevermindering van zijn woning.

24.1.    Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 5] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.

Zienswijze herhaald en ingelast

25.    Voor zover [appellant sub 5] voor het overige verzoekt de inhoud van zijn zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in het document "Zienswijzenverslag ontwerpbestemmingsplan Uitvaartfaciliteit Hoendiep", behorende bij het bestreden besluit, hierop is ingegaan. [appellant sub 5] heeft niet nader onderbouwd waarom de weerlegging hiervan onjuist zou zijn.

Conclusie

26.    De beroepen zijn ongegrond.

27.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.

w.g. Pans    w.g. Tieleman

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2019

817.