Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
201809622/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2017 heeft het college [verzoekster] gelast om binnen vier weken na verzending van het besluit de bewoning van het bijgebouw op het perceel [locatie] te Wijk aan Zee (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden en de inrichting van het bijgebouw zodanig te wijzigen dat geen sprake meer is van een zelfstandige wooneenheid, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per week dat de last niet is uitgevoerd, met een maximum van € 5.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809622/2/A1.

Datum uitspraak: 23 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekster], wonend te Wijk aan Zee, gemeente Beverwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 oktober 2018 in zaak nr. 17/5409 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2017 heeft het college [verzoekster] gelast om binnen vier weken na verzending van het besluit de bewoning van het bijgebouw op het perceel [locatie] te Wijk aan Zee (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden en de inrichting van het bijgebouw zodanig te wijzigen dat geen sprake meer is van een zelfstandige wooneenheid, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per week dat de last niet is uitgevoerd, met een maximum van € 5.000,00.

Bij besluit van 10 oktober 2017, verzonden op 8 november 2017, heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 januari 2019, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. T. van Hooff en mr. B. de Boer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Niet in geschil is dat [verzoekster] het bijgebouw reeds langere tijd aan derden verhuurt voor bewoning. De last onder dwangsom strekt ertoe [verzoekster] ertoe te bewegen de bewoning van het bijgebouw op het perceel te (laten) beëindigen.

3.    [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het bij het besluit van 10 oktober 2017 gehandhaafde besluit van 22 juni 2017 wordt geschorst totdat de Afdeling uitspraak in de bodemprocedure heeft gedaan.

4.    De voorzieningenrechter overweegt dat deze voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor de beantwoording van de in geding zijnde vragen. De beantwoording daarvan dient in de bodemprocedure te geschieden. De voorzieningenrechter zal het verzoek van [verzoekster] daarom beoordelen aan de hand van een belangenafweging.

5.    De voorzieningenrechter ziet in hetgeen van de zijde van [verzoekster] is aangevoerd, bij afweging van alle betrokken belangen, aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter nog dat geen grond bestaat voor het oordeel dat schorsing van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 juni 2017 totdat de Afdeling uitspraak in bodemprocedure heeft gedaan, naar verwachting zal leiden tot onaanvaardbare dan wel onomkeerbare gevolgen. De voorzieningenrechter neemt voorts in aanmerking dat is gebleken dat de Afdeling de bodemprocedure naar verwachting reeds in maart 2019 op zitting zal behandelen, waarna het streven is om binnen zes weken uitspraak te doen.

    De voorzieningenrechter wijst er voorts nog op dat de onderhavige procedure zich niet leent voor onderzoek naar de vraag of de begunstigingstermijn dient te worden verlengd tot na de uitspraak in de bodemprocedure. Dit dient in de bodemprocedure te worden onderzocht.

6.    Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 juni 2017 verbonden begunstigingstermijn met terugwerkende kracht wordt verlengd totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Voerendaal aan [persoon] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Melenhorst

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019

490.