Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1459

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
201902008/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:1897, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 januari 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902008/1/V1.

Datum uitspraak: 6 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2. [de vreemdeling] en [referent],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 februari 2019 in zaak nr. 18/4377 in het geding tussen:

de vreemdeling (lees: de vreemdeling en referent)

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 28 mei 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling en referent gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling en referent ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 mei 2018 vernietigd, het besluit van 11 januari 2016 herroepen, bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 28 mei 2018 en de staatssecretaris opgedragen de vreemdeling binnen vier weken na bekendmaking van de uitspraak in het bezit te stellen van de gevraagde mvv.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling en referent, vertegenwoordigd door mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen Op Zoom, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Incidenteel hoger beroep van de vreemdeling en referent

1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000; hierna de Vw 2000).

Hoger beroep van de staatssecretaris

2.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1174, geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Conclusie

3.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling en referent is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling en referent in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 519,00 (zegge: vijfhonderdnegentien euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. De Keizer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2019

716.