Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
201902545/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2019 heeft het college [verzoeker] gelast om voor 3 april 2019 het drugsafval in de inrichting op het perceel [locatie] te Haler te laten verwijderen door een erkend afvalverwijderaar en het bewijs hiervan aan het college te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902545/1/A1.

Datum uitspraak: 3 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker], wonend te Haler, gemeente Leudal, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leudal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2019 heeft het college [verzoeker] gelast om voor 3 april 2019:

1.  het drugsafval in de inrichting op het perceel [locatie] te Haler te laten verwijderen door een erkend afvalverwijderaar en het bewijs hiervan aan het college te verstrekken;

2. bodemonderzoek te laten verrichten naar de bodemverontreiniging op het perceel en daar waar nodig het verontreinigde deel te laten saneren en het college in kennis te stellen van het rapport voordat er gesaneerd wordt.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 april 2019, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. C.A.D. Oomes, en het college, vertegenwoordigd door Y. Yeyden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op 10 juni 2017 heeft een ondermijningsteam van de eenheid van de politie Oost-Brabant een amfetaminelab aangetroffen in de voormalige varkensstal op het perceel. Bij brief van 13 juni 2017 heeft het college [verzoeker] meegedeeld dat het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om spoedeisende bestuursdwang toe te passen middels het treffen van maatregelen waaronder het nemen van monsters uit de gierkelders in de voormalige varkensstal. Bij brief van 16 juni 2017 heeft het college [verzoeker] meegedeeld als gevolg van de aangetroffen situatie gebruik te maken van de bevoegdheid tot bestuursdwang door de voormalige varkensstal te sluiten.

2.    Het college heeft zich in het besluit van 20 maart 2019 op het standpunt gesteld dat uit een monstername op 13 februari 2019 van de inhoud van de gierkelders op het perceel en een monstername  op 30 januari 2019 van een plas water op het perceel blijkt dat de inhoud van de gierkelders nog drugsgerelateerde stoffen bevat en de bodem op het perceel is verontreinigd met drugsafval. Gelet hierop heeft het college de last onder bestuursdwang opgelegd.

3.    [verzoeker] voert in bezwaar onder meer aan dat de aan hem opgelegde last onder bestuursdwang voor hem niet is uit te voeren binnen de door het college gestelde termijn. Voorts is de last onder bestuursdwang volgens hem feitelijk niet uitvoerbaar, nu deze specificatie ontbeert over de te reinigen delen. Verder is volgens [verzoeker] geen sprake van spoedeisendheid met betrekking tot handhavend optreden nu het college de situatie bijna twee jaar heeft laten bestaan zonder enige actie en het college bovendien naar derden communiceert dat de situatie geen gevaar voor de volksgezondheid geeft en niet is waar te nemen vanuit de omgeving.

3.1.    Tussen [verzoeker] en het college bestaat discussie over de vraag op welke gierkelders onderdeel 1 van de last betrekking heeft. Ter zitting heeft het college hierover, alsmede over zijn stelling dat [verzoeker] weet welke gierkelders het betreft, onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen. Het college heeft voorts de urgentie met betrekking tot handhavend optreden ten aanzien van de gierkelders, die al zijn afgesloten, niet aannemelijk gemaakt. In de nog te nemen beslissing op bezwaar heeft het college de mogelijkheid onduidelijkheden weg te nemen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om onderdeel 1 van de last te schorsen tot twee weken na het besluit op bezwaar.

    Ter zitting is voorts duidelijk geworden dat niet in geschil is van welke plas op het perceel de monstername heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat sprake is van bodemverontreiniging en op welk deel van het perceel onderdeel 2 van de last betrekking op heeft. Teneinde [verzoeker] in de gelegenheid te stellen te voldoen aan onderdeel 2 van de last zal de begunstigingstermijn met betrekking tot onderdeel 2 worden verlengd tot twee weken na deze uitspraak. 

4.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leudal van 20 maart 2019, kenmerk LE2019UIT/0735, voor zover [verzoeker] daarbij is gelast het drugsafval in de inrichting op het perceel [locatie] te Haler te laten verwijderen door een erkend afvalverwijderaar en het bewijs hiervan aan het college te verstrekken, tot twee weken na het nog te nemen besluit op bezwaar;

II.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leudal van 20 maart 2019, kenmerk LE2019UIT/0735, voor zover [verzoeker] daarbij is gelast bodemonderzoek te laten verrichten naar de bodemverontreiniging op het perceel en daar waar nodig het verontreinigde deel te laten saneren en het college in kennis te stellen van het rapport voordat er gesaneerd wordt, tot twee weken na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leudal tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Leudal aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: hondervierenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Kos

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2019

580.