Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
201708024/1/V2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708024/1/V2.

Datum uitspraak: 30 april 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Veiligheid en Justitie, thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 september 2017 in zaak nr. 16/26296 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 20 september 2017 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.J. van der Graaf, advocaat te Arnhem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling komt uit Syriƫ en heeft de Syrische nationaliteit. De staatssecretaris heeft overwogen dat Rusland voor hem een beschermingsalternatief is, omdat hij in het bezit is van een echt bevonden Russisch paspoort en niet gebleken is dat hij afstand heeft gedaan van de Russische nationaliteit.

2. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris, door in het voornemen van 19 september 2016 te stellen dat op geen enkele wijze is gebleken dat de vreemdeling afstand heeft gedaan van de Russische nationaliteit, onvoldoende heeft aangetoond dat de vreemdeling ten tijde van het besluit van 19 oktober 2016 daadwerkelijk de Russische nationaliteit had. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat niet betwist is dat de vreemdeling nooit in Rusland is geweest, dat zijn Russische paspoort in 2015 is verlopen en dat er, zoals blijkt uit het thematisch ambtsbericht staatsburgerschaps- en vreemdelingenwetgeving in de Russische Federatie van april 2011 (hierna: het ambtsbericht), soms corruptie voorkomt bij het verkrijgen van paspoorten bij een consulaat in het buitenland.

3. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank, door te overwegen dat hij onvoldoende heeft aangetoond dat de vreemdeling ten tijde van het bestreden besluit daadwerkelijk de Russische nationaliteit had, niet heeft onderkend dat, gelet op de informatie uit het ambtsbericht, een paspoort een bewijs van die nationaliteit is.

3.1.

Omdat de vreemdeling een authentiek Russisch paspoort heeft overgelegd en niet heeft gesteld dat hij van de Russische nationaliteit afstand heeft gedaan, is de staatssecretaris bij de beoordeling van de asielaanvraag terecht van die nationaliteit uitgegaan. Daarbij heeft de staatssecretaris terecht betrokken dat de vreemdeling vele jaren gebruik heeft gemaakt van zijn Russische paspoort om Nederland en de Europese Unie in en uit te reizen. De staatssecretaris betoogt verder terecht dat het verlopen van de geldigheid van het paspoort niet betekent dat daarmee ook de onderliggende nationaliteit er niet meer is. Zoals volgt uit de uitspraak van 18 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ0795, had, indien de vreemdeling meent dat het paspoort toch buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het volgens hem op frauduleuze wijze is verkregen, het op zijn weg gelegen dit aannemelijk te maken. Dat er soms corruptie voorkomt bij het verkrijgen van paspoorten bij een consulaat in het buitenland, is onvoldoende om te concluderen dat ook de vreemdeling zijn paspoort door corruptie heeft verkregen. Dat uit het ambtsbericht volgt dat bij ontdekking van corruptie het paspoort wordt ingenomen en de vreemdeling daarmee de Russische nationaliteit verliest, is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet relevant. De vreemdeling heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn Russisch paspoort op clandestiene wijze heeft verkregen. Anders dan de vreemdeling in zijn schriftelijke uiteenzetting betoogt, behoeft de staatssecretaris daarom niet aannemelijk te maken dat hij de Russische nationaliteit niet kan verliezen wanneer hij zich in Rusland wil vestigen. Ook is zijn situatie anders dan de situatie waarover de Afdeling oordeelde in haar uitspraak van 18 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2815. Daarin ging het om controles die zeker zouden plaatsvinden en niet om controles die misschien zullen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling ten tijde van het bestreden besluit, naast de Syrische ook de Russische nationaliteit had.

De grief slaagt.

3.2.

Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 19 oktober 2016 toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, na wat hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

4. In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat al in rechte vaststaat dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), omdat een aangevraagde machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met het oog op toelating op die grond is afgewezen. De vreemdeling heeft betoogd dat het feit dat hij tegen die afwijzing geen bezwaar heeft gemaakt niet betekent dat wat in dat afwijzende besluit staat in rechte vaststaat. Voorts heeft de vreemdeling betoogd dat het enkele feit dat hij zijn asielaanvraag niet binnen drie maanden heeft ingediend na de inwilliging van de asielaanvraag van zijn echtgenote, onvoldoende is om die aanvraag af te wijzen.

4.1.

Het betoog van de vreemdeling over de afwijzing van de mvv-aanvraag kan in deze procedure nergens toe leiden en behoeft daarom geen bespreking. Over het tweede betoog oordeelt de Afdeling als volgt. Aan de echtgenote van de vreemdeling is op 28 februari 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Niet in geschil is dat de vreemdeling niet binnen 3 maanden na verlening van die vergunning zijn asielaanvraag heeft ingediend. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4275.

De beroepsgrond faalt.

5. Verder heeft de vreemdeling betoogd dat met artikel 3.6a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) niet is bedoeld om een toetsing aan artikel 8 van het EVRM achterwege te laten, omdat hij in het verleden Nederland ooit heeft bezocht.

5.1.

Uit artikel 3.6a, derde lid, van het Vb 2000 volgt dat als de vreemdeling zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet binnen zes maanden na zijn eerste inreis in Nederland heeft ingediend, de staatssecretaris ambtshalve uitsluitend een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan verlenen onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden die zijn vermeld in het eerste lid, onder b, van dat artikel.

5.2.

Uit het door de vreemdeling overgelegde Russische paspoort volgt dat hij vanaf juli 2014 diverse keren Nederland is in- en uitgereisd. Op 6 september 2015 heeft hij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vanwege problemen eind 2012 uit Syriƫ is gevlucht. Omdat de vreemdeling zijn asielaanvraag niet binnen zes maanden heeft ingediend nadat hij Nederland voor de eerste keer was ingereisd, heeft de staatssecretaris terecht niet ambtshalve beoordeeld of uitzetting van de vreemdeling in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 september 2017 in zaak nr. 16/26296;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Sevenster w.g. Graat

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2019

307-869.