Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1329

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
201805787/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:9420, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het verhogen van het dak van de bestaande aanbouw op het perceel [locatie 1] te Oegstgeest (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2019/8175
JOM 2019/557
AB 2019/311 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
OGR-Updates.nl 2019-0100
JGROND 2019/144 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805787/1/A1.

Datum uitspraak: 24 april 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Oegstgeest,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2018 in zaak nr. 17/8124 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het verhogen van het dak van de bestaande aanbouw op het perceel [locatie 1] te Oegstgeest (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 oktober 2017 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. K. Heede, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door R. Ruitenberg en ing. B.V. Swinkels, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] verschenen.

Overwegingen

1.    Bij het besluit van 2 mei 2017, gehandhaafd bij het besluit van 26 oktober 2017, heeft het college aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet verleend voor het verhogen van het dak van de bestaande aanbouw op het perceel. [appellante] is eigenaresse en bewoonster van het aangrenzende perceel [locatie 2]. Zij kan zich niet verenigen met de verlening van de omgevingsvergunning, onder meer omdat de wijze van afwatering vanaf het verhoogde dak volgens [appellante] inbreuk maakt op haar eigendomsrecht en omdat het uitzicht vanuit haar woning en achtertuin als gevolg van het verhoogde dak zal verslechteren.

De rechtbank heeft het besluit van 26 oktober 2017 vernietigd, omdat de beoordeling in dat besluit en het besluit van 2 mei 2017 niet was gebaseerd op de juiste regels van het ter plaatse van het perceel geldende bestemmingsplan "Oranje Nassau", zoals dat luidde ten tijde van die besluiten (hierna: het bestemmingsplan). Omdat een beoordeling op grond van de juiste planregels volgens de rechtbank niet tot een andere uitkomst leidt, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 26 oktober 2017 in stand gelaten.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank bij haar beoordeling ten onrechte is uitgegaan van de planregels voor een aan- of uitbouw. Volgens [appellante] kan de woning van [vergunninghouder] op het perceel niet worden onderscheiden in twee delen, een hoofdgebouw met daarachter een aanbouw, maar is in zijn geheel sprake van een hoofdgebouw, zodat de planregels voor een hoofgebouw van toepassing zijn. [appellante] wijst in dit verband op een in 2007 voor de woning van [vergunninghouder] verleende bouwvergunning en vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). Hoewel oorspronkelijk op het perceel sprake was van een bedrijfspand, dat in 1992 illegaal is uitgebreid met een aanbouw, zijn die twee delen volgens [appellante] door de verlening van de vrijstelling in 2007 niet meer te onderscheiden en vormen beide delen samen één woning.

Voor zover de planregels voor een aan- of uitbouw wel van toepassing zouden zijn, heeft de rechtbank volgens [appellante] miskend dat er in dat geval niet alleen sprake is van strijd met artikel 12, tweede lid, onder III, aanhef en onder f, van de planregels, waarin de maximaal toegestane hoogte van een aan- of uitbouw is geregeld, maar ook met andere planregels voor een aan- of uitbouw.

2.1.    Voor de vraag of de planregels voor een aan- of uitbouw dan wel de planregels voor een hoofdgebouw van toepassing zijn, zijn de definities van die begrippen in de planregels bepalend. Een aan- of uitbouw is in artikel 1, onder 1, van de planregels gedefinieerd als een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. Een hoofdgebouw is in artikel 1, onder 40, gedefinieerd als een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Toepassing van deze definities leidt er naar het oordeel van de Afdeling toe dat het hoofdgebouw hier wordt gevormd door het voorste deel van de woning van [vergunninghouder], het oorspronkelijke bedrijfspand, dat zich door zijn constructie en afmetingen duidelijk onderscheidt van het daarachter gelegen deel. Dat achterste deel, de in 1992 gerealiseerde aanbouw, is in bouwkundig opzicht te onderscheiden van het hoofdgebouw en is om die reden een aan- of uitbouw. Dat beide delen worden gebruikt voor wonen en daarvoor in 2007 tezamen vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO is verleend, betekent niet, zoals [appellante] veronderstelt, dat als gevolg daarvan ook het achterste deel als deel van het hoofdgebouw is aan te merken. Dat volgt niet uit de hiervoor genoemde definities die, zoals gezegd, bepalend zijn. De rechtbank is bij haar beoordeling dan ook terecht uitgegaan van de planregels voor een aan- of uitbouw.

De rechtbank is er voorts terecht van uitgegaan dat van die planregels in deze zaak enkel artikel 12, tweede lid, onder III, aanhef en onder f, van belang is. Het gaat in deze zaak om een wijziging van een bestaande aanbouw. Die bestaande aanbouw is, zoals ook de rechtbank en het college hebben vastgesteld, als zodanig reeds toegestaan op grond van de in 2007 verleende bouwvergunning en vrijstelling en het bouwplan waarvoor thans omgevingsvergunning is gevraagd en verleend voorziet alleen in verhoging van (een deel van) het dak daarvan. Die verhoging leidt uitsluitend tot strijd met artikel 12, tweede lid, onder III, aanhef en onder f, van de planregels. Voor het afwijken van die bepaling kan in dit geval met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 1°, van de Wabo, in samenhang met artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de planregels, een omgevingsvergunning worden verleend.

Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet het bestemmingsplan, maar de in 2007 verleende vrijstelling in deze zaak het kader vormt voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de verhoging van het dak van de aanbouw. Nu de verhoging niet past binnen de vrijstelling en leidt tot een verslechtering van haar uitzicht en woongenot moet volgens [appellante] worden geoordeeld dat voor de verhoging van het dak geen omgevingsvergunning kan worden verleend.

3.1.    Anders dan [appellante] veronderstelt, vormt de in 2007 verleende vrijstelling niet het kader voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de verhoging van het dak van de aanbouw. Het kader voor die beoordeling wordt gevormd door de Wabo en het bestemmingsplan. Zoals hiervoor is overwogen, kan voor de verhoging van het dak van de aanbouw een omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 1°, van de Wabo, in samenhang met artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de planregels. De toepassing daarvan betreft een bevoegdheid van het college. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo mag de verhoging van het dak niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het college moet in zoverre een belangenafweging maken, waarbij het beleidsruimte heeft. Dat de verhoging van het dak van de aanbouw niet past binnen de in 2007 verleende vrijstelling is daarbij niet van belang. Dat de verhoging van het dak tot enige aantasting van het uitzicht en woongenot van [appellante] leidt is wel van belang, maar de rechtbank heeft terecht overwogen dat die aantasting niet zodanig is dat het college zich bij afweging van de belangen van [vergunninghouder] en [appellante] niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich in zoverre geen strijd met een goede ruimtelijke ordening voordoet.

Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een evidente privaatrechtelijke belemmering in de weg stond aan verlening van de omgevingsvergunning. Zij wijst er in dit verband op dat de goot van het verhoogde dak boven haar perceel komt te hangen en dat wordt afgewaterd op haar perceel, hetgeen volgens haar in strijd is met artikel 5:52, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW).

4.1.    Ingevolge artikel 5:52 van het BW is een eigenaar verplicht de afdekking van zijn gebouwen en werken zodanig in te richten, dat daarvan het water niet op eens anders erf afloopt.

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2527), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze belemmering een evident karakter heeft.

Een privaatrechtelijke belemmering is evident, indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het bouwplan voorzien is op grond die in eigendom is aan een ander en die ander niet in realisering ervan berust en er niet in hoeft te berusten (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0377).

4.3.    De rechtbank heeft overwogen dat het bouwplan voorziet in verlenging van een reeds bestaande dakgoot en dat tussen partijen in geschil is of de in het bouwplan voorziene dakgoot leidt tot afwatering op het perceel van [appellante]. Dit maakt volgens de rechtbank dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

4.4.    De Afdeling stelt vast dat het bouwplan voorziet in plaatsing van een dakgoot boven het perceel van [appellante]. Reeds dit levert naar het oordeel van de Afdeling, los van de vraag hoe de afwatering plaatsvindt, een evidente privaatrechtelijke belemmering op. Duidelijk is immers dat [appellante] als eigenaar niet berust in de plaatsing van een dakgoot boven haar perceel. Dat met de plaatsing van de dakgoot een reeds aanwezige dakgoot wordt verlengd, kan verder geen reden zijn om te oordelen dat [appellante] zou moeten berusten in de plaatsing. De reeds aanwezige dakgoot hangt namelijk niet boven het perceel van [appellante], maar boven percelen van andere buren van [vergunninghouder]. Vaststaat dat met het bouwplan voor het eerst wordt voorzien in plaatsing van een dakgoot boven haar perceel.

Hier komt bij dat blijkens de in hoger beroep ingebrachte stukken en het verhandelde ter zitting bij de Afdeling tussen partijen niet (langer) in geschil is dat het bouwplan leidt tot afwatering op het perceel van [appellante]. De stelling van het college dat het mogelijk is om met wijzigingen van ondergeschikte aard in het bouwplan afwatering op haar perceel te voorkomen, doet er niet aan af dat het bouwplan zoals thans vergund tot afwatering op dat perceel leidt. [appellante] berust daar als eigenaar niet in en hoeft daar niet in te berusten. Gelet op het bepaalde in artikel 5:52, eerste lid, van het BW is ook in zoverre sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit in stand blijven.

Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Afdeling sluit niet uit dat het mogelijk is om de evidente privaatrechtelijke belemmeringen weg te nemen met wijzigingen van ondergeschikte aard in het bouwplan. Dit zal het college moeten beoordelen bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Voor zover [appellante], gelet op de bij het door haar ingevulde proceskostenformulier overgelegde factuur, heeft verzocht om vergoeding van de werkelijk door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand, overweegt de Afdeling dat daarvoor geen ruimte bestaat. De vergoeding voor kosten van rechtsbijstand moet worden vastgesteld met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, dat in zoverre een forfaitair vergoedingenstelsel bevat. Van bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit stelsel rechtvaardigen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2018 in zaak nr. 17/8124, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit in stand blijven;

III.    bepaalt dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.036,90 (zegge: duizendzesendertig euro en negentig cent), waarvan € 1.024,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2019

462.