Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
201809931/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809931/1/V3.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 november 2018 in zaak nr. NL18.20961 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij mondelinge uitspraak van 29 november 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. de Schutter, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag of het wetsdecreet van de Italiaanse autoriteiten van 24 september 2018 ertoe leidt dat de staatssecretaris ten aanzien van Italië ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat, heeft de Afdeling bij uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, volgt dat de grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 7 november 2018 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3.    In beroep betoogt de vreemdeling dat de staatssecretaris de behandeling van zijn asielaanvraag krachtens artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) aan zich had moeten trekken. Daartoe voert hij aan dat hij na zijn inreis in Italië aan zijn lot werd overgelaten. Ook was er volgens hem geen sprake van opvang of van de mogelijkheid om een asielaanvraag in te dienen. Verder betoogt de vreemdeling dat uit het rapport "Country Report: Italy (2017 update)" van de Asylum Information Database (hierna: het AIDA-rapport) van 21 maart 2018 volgt dat Dublinclaimanten die op grond van een fictief claimakkoord terugkeren naar Italië via de grote luchthavens van Milaan en Rome reizen. Die luchthavens zijn volgens de vreemdeling vaak ver verwijderd van de plaats waar de asielaanvraag moet worden ingediend, waardoor die plaats niet tijdig kan worden bereikt en het onmogelijk is om een zorgvuldige asielprocedure te krijgen. Hij heeft in dit verband verwezen naar de stukken die hij bij de zienswijze op het voornemen heeft overgelegd.

3.1.    De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 7 november 2018 terecht op het standpunt gesteld dat de Italiaanse autoriteiten met het fictieve claimakkoord hebben gegarandeerd de asielaanvraag van de vreemdeling in behandeling te zullen nemen. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken volgt weliswaar dat de situatie van Dublinclaimanten en asielzoekers in Italië zorgelijk is, maar hieruit volgt niet dat in Italië systematische tekortkomingen bestaan in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen (vergelijk de uitspraak van 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454 en de onder 1. genoemde uitspraak van 19 december 2018). Verder heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling zich bij voorkomende problemen in Italië kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Italië dan wel geëigende instanties en dat niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. Hoewel Dublinclaimanten die op grond van een fictief claimakkoord terugkeren naar Italië hun asielaanvraag dikwijls moeten indienen in een plaats die ver verwijderd is van de luchthaven van aankomst, blijkt uit het AIDA-rapport ook dat in sommige gevallen door de luchthavenpolitie tickets aan Dublinclaimanten worden verstrekt, zodat zij de plaats waar zij hun asielaanvraag moeten indienen tijdig kunnen bereiken. Gelet hierop heeft de staatssecretaris in redelijkheid geen toepassing hoeven geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

    De beroepsgrond faalt.

4.    Tot slot betoogt de vreemdeling dat de staatssecretaris in zijn geval ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is uitgegaan, omdat hij vanwege zijn medische klachten is aan te merken als een kwetsbare asielzoeker. Gelet hierop is het cruciaal dat hij opvang en medische zorg zal krijgen, aldus de vreemdeling.

4.1.    De vreemdeling heeft eerst in de gronden van beroep gewezen op zijn medische situatie, zodat de staatssecretaris daar bij de besluitvorming geen rekening mee heeft kunnen houden. Ter zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat ook in Italië behandeling mogelijk is voor de medische klachten van de vreemdeling. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zonder aanvullende individuele garanties onvoldoende gewaarborgd is dat hij na zijn overdracht naar Italië adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1258). Uit de onder 1. genoemde uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018 volgt bovendien dat de staatssecretaris de Italiaanse autoriteiten in overeenstemming met artikel 32 van de Dublinverordening zal informeren over de medische omstandigheden van de vreemdeling, zodat ervan kan worden uitgegaan dat in zijn behoefte aan medische zorg wordt voorzien.

    De beroepsgrond faalt.

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 november 2018 in zaak nr. NL18.20961;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

644.