Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1279

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
201709700/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709700/1/V3.

Datum uitspraak: 18 april 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 10 november 2017 in zaak nr. 17/1332 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 21 december 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr E.J.M. Habets, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdeling heeft eerder een aanvraag om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, ingediend. Bij besluit van 18 december 2015 heeft de staatssecretaris die aanvraag afgewezen omdat volgens hem de relatie tussen de vreemdeling en referent een schijnrelatie was. Met de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2017 is dit besluit in rechte komen vast te staan.

1.1.    De vreemdeling heeft aan zijn nieuwe aanvraag om afgifte van bovenvermeld document ten grondslag gelegd dat hij inmiddels op 23 juni 2016 met referent is gehuwd. Bij besluit van 14 september 2016 heeft de staatssecretaris die aanvraag krachtens artikel 4:6 van de Awb afgewezen omdat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in dat artikel bestaan.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft overwogen dat niet valt uit te sluiten dat inmiddels alsnog een relatie tussen de vreemdeling en referent is ontstaan, maar dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat nu wel sprake is van een daadwerkelijk relatie. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het op 23 juni 2016 voltrokken huwelijk tussen de vreemdeling en referent geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid oplevert. Daaruit blijkt niet dat tussen hen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie omdat de huwelijksvoltrekking slechts een formalisering van de beweerde relatie tussen hen betreft. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling met de door hem overgelegde foto's, getuigenverklaringen, de verklaring van het kinderverblijf […] en medische stukken evenmin heeft aangetoond dat nu wel sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. De door de getuigen ten overstaan van de rechtbank afgelegde verklaringen maken dit niet anders, aldus de rechtbank.

Grieven

3.    Wat de vreemdeling in de grieven 1 en 2 aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

4.    In de overige grieven, in samenhang gelezen en voor zover van belang, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. De vreemdeling voert aan dat, ook nadat eerder is komen vast te staan dat hij met referent een schijnrelatie is aangegaan, na verloop van tijd een oprechte relatie kan ontstaan. De vreemdeling betoogt dat hij met de door hem overgelegde stukken en de op de zitting van de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen, heeft aangetoond dat zijn huwelijk oprecht is en dat dit dan ook een nieuw feit betreft. Indien de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat dit niet het geval is dan had hij, gelet op artikel 35 van de Verblijfsrichtlijn (PB 2004 L 158, met rectificatie in PB 2004 L 229), een individueel onderzoek naar het gesloten huwelijk moeten verrichten waarbij hij ook de rechten van het kind van referent had dienen te betrekken. In het licht hiervan heeft de rechtbank dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar, aldus de vreemdeling.

Beoordeling van de grieven

4.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vreemdeling moet aantonen dat er nu wel een daadwerkelijk relatie tussen hem en referent is. De vreemdeling heeft aangevoerd dat een oprechte relatie met referent is ontstaan nu hij sinds 2015 met haar samenwoont en op 23 juni 2016 met haar is gehuwd. Hij heeft ter staving van de oprechtheid van zijn huwelijk stukken overgelegd, waaronder een verklaring van het kinderdagverblijf van de dochter van referent en verklaringen van getuigen. Ook heeft de rechtbank op verzoek van de vreemdeling enkele van deze getuigen onder ede gehoord. Zowel de verklaring van het kinderdagverblijf als de getuigenverklaringen bevatten aanwijzingen voor de oprechtheid van het huwelijk. Gelet op die aanwijzingen heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zich ten onrechte zonder nader onderzoek naar het oogmerk van het huwelijk, op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling met die verklaringen niet heeft aangetoond dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.2.    De staatssecretaris mag slechts krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien, als op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 14 september 2016 en hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, mede bezien in het licht van hetgeen in rechtsoverweging 4.1. is overwogen, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatsecretaris terecht heeft afgezien van het horen van de vreemdeling.

4.3.    De grieven slagen daarom. Wat de vreemdeling daarin overigens heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 21 december 2016 moet wegens strijd met de artikelen 7:2, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. Dit betekent dat de staatssecretaris met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.

6.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 10 november 2017 in zaak nr. 17/1332;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 december 2016;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.048,00 (zegge: tweeduizend achtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bakker

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2019

395.