Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2019
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
201804840/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:3798, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2016 heeft DNB het verzoek van [appellante] om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) informatie te verstrekken, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/288 met annotatie van J.A.F. Peters
PJ 2019/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804840/1/A3.

Datum uitspraak: 17 april 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2018 in zaak nr. 16/8137 in het geding tussen:

[appellante]

en

De Nederlandsche Bank N.V.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2016 heeft DNB het verzoek van [appellante] om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) informatie te verstrekken, afgewezen.

Bij besluit van 18 november 2016 heeft DNB het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

DNB heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. E.F. van Hasselt, advocaat te Amsterdam, en DNB, vertegenwoordigd door mr. C.A. Geleijnse, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De in deze uitspraak aangehaalde regelgeving is in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak, opgenomen.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat DNB niet verplicht is op grond van de Wob de door [appellante] verzochte informatie te verstrekken. De uitzondering in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (hierna: het BbWW) op het uitgangspunt van de Wob, dat bestuursorganen openbaarheid moeten betrachten, ziet enkel op vertrouwelijke informatie over de uitvoering van het toezicht op individuele financiële instellingen. Deze uitzondering is terug te voeren op de geheimhoudingsplicht in artikel 1:89 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: de Wft). In de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet transparant toezicht financiële markten, waarbij de Wft en de Wet toezicht accountantsorganisaties is gewijzigd, wordt het belang van transparantie bij toezichthouders benadrukt. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat ook informatie die niet specifiek ziet op onder toezicht van DNB staande instellingen, onder de uitzondering van het BbWW valt.

Daarnaast ziet het verzoek op informatie over de financiering van DNB. Dat is informatie die betrekking heeft op de uitvoering van de Wet bekostiging financieel toezicht (hierna: de Wbft). In artikel 1, aanhef en onder b, van het BbWW wordt de Wbft niet genoemd. Ook de 22 wetten waarvan de Wbft de bekostiging regelt, zijn niet genoemd in het BbWW. Ook daaruit volgt dat de verzochte stukken over de bekostiging van DNB niet onder de uitzondering op de Wob in het BbWW vallen, aldus [appellante].

2.1.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1 van het BbWW blijkt dat de reikwijdte van artikel 1, aanhef en onder b, van het BbWW wordt bepaald door het door DNB gehouden toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor genoemde wettelijke regelingen. In aansluiting op artikel 4 van de Bankwet 1998 worden deze regelingen niet specifiek benoemd. DNB valt als bestuursorgaan voor zover het belast is met het toezicht op financiële instellingen derhalve onder artikel 1, aanhef en onder b, van het BbWW, ook al zijn de specifieke regelingen waarin dit toezicht wordt geregeld niet genoemd in het BbWW. [appellante] heeft ter zitting bevestigd dat het verzoek van [appellante] ziet op de bekostiging van het toezicht op financiële instellingen. De tekst van artikel 1 van het BbWW en de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel geven geen aanknopingspunt voor de stelling, dat de uitzondering van artikel 1, aanhef en onder b, van het BbWW beperkt is tot documenten die zien op individuele instellingen of slecht tot documenten met informatie die onder de geheimhoudingsplicht van artikel 1:89 van de Wft valt. In artikel 1 van het BbWW wordt DNB als bestuursorgaan uitgezonderd voor zover DNB belast is met de uitvoering van taken die voortvloeien of samenhangen met het onder b van dat artikel genoemde toezicht. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen typen documenten. Alle documenten over de uitoefening van de genoemde taken of met informatie die voortvloeit of samenhangen met die taken vallen dus onder de uitzondering. De financiering en bekostiging van toezichtstaken van DNB vloeien voort, dan wel houden verband met het toezicht op financiële instellingen waarvoor DNB als bestuursorgaan is uitgezonderd van de Wob. De Wob is derhalve ook niet van toepassing op documenten over de financiering en bekostiging van deze toezichtstaken.

Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft afgezien DNB te verzoeken de door [appellante] verzochte informatie aan de rechtbank toe te zenden als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Om te kunnen beoordelen of de stukken onder de uitzondering vallen, had de rechtbank deze stukken moeten beoordelen, aldus [appellante].

3.1.    In beginsel vallen stukken waar in een Wob-verzoek om wordt gevraagd onder de op de zaak betrekking hebbende stukken. DNB heeft echter geweigerd stukken openbaar te maken de verzochte stukken niet onder de Wob vallen. Zoals hiervoor, onder 2.1, is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de uitzondering in artikel 1 van het BbWW van toepassing is op de stukken waarom [appellante] heeft verzocht. De Wob is dus voor DNB niet van toepassing op deze stukken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat kennisneming van de inhoud van specifieke documenten niet vereist is om de vraag te beantwoorden of de uitzondering uit het BbWW op het verzoek van toepassing is. Nu geoordeeld is dat de uitzondering van toepassing is, kan het overleggen van de verzochte documenten niet tot een ander oordeel leiden.

Het betoog faalt.

3.2.    [appellante] betoogt tenslotte dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op het verbod op willekeur en haar beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen. De door de rechtbank veronderstelde ruimte voor DNB om los van de Wob naar aanleiding van een verzoek informatie te verstrekken, leidt tot willekeur, aldus [appellante].

3.3.    Zoals hiervoor , onder 3.1, is overwogen, is de Wob wat de verzochte documenten betreft niet van toepassing op DNB. Dat DNB onverplicht en niet op grond van de Wob toch informatie heeft verstrekt, leidt reeds omdat dit onverplicht is, niet tot willekeur of strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Rietberg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2019

725.

Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 1a

1. Deze wet is van toepassing op de volgende bestuursorganen:

(...)

d. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

(...)

Artikel 3

1. Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tol een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

(...)

Besluit bestuursorganen WNo en Wob

Artikel 1

Als bestuursorgaan als bedoeld in (…) artikel 1a. eerste lid. onderdeel d, van de Wet openbaarheid van bestuur, zijn uitgezonderd:

(...)

b. de Nederlandsche Bank N.V., voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken op grond van de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 3 van de Bankwet 1998, en haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het notarisambt, de Wet financiële markten BES en de Wet op het financieel toezicht, alsmede, voor zover nog van toepassing op grond van de artikelen 2a. 5, 8, 17, 18, 19, 20a, 22, 25a, 46 en 49 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, de Pensioen- en spaarfondsenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling zoals deze luidden op 31 december 2006;

c. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover belast met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wet toezicht financiële verslaggeving, de Wet financiële markten BES, de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet op het notarisambt.

Bankwet 1998

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

(...)

Artikel 4

1. De Bank heeft tot taak:

a. het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen;

(...)

Wet bekostiging financieel toezicht

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald,

verstaan onder:

(…)

c. de toezichthouder: Autoriteit Financiële Markten of de Nederlandsche Bank, ieder voor zover betrokken bij de uitvoering van taken ingevolge:

1° de Invoerings-en aanpassingswet Pensioenwet;

2° de Pensioenwet;

3° de Pensioenwet BES;

4° de Sanctiewet 1977;

5° de Wet bekostiging financieel toezicht;

6° de Wet financiële markten BES;

7° de Wel giraal effectenverkeer;

8° de Wet handhaving consumentenbescherming;

9° de Wet inzake de geldtransactiekantoren:

10° de Wet op het financieel toezicht:

11° de Wet op het notarisambt:

12° de Wet privatisering ABP;

13° de Wet privatisering FVP;

14° de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;

15° de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES;

16° de Wet toezicht accountantsorganisaties;

17° de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

18° de Wet toezicht financiële verslaggeving;

19° de Wet toezicht trustkantoren;

20° de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

21° de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;

22° EU-rechtshandelingen;

(...)

Wet financieel toezicht

Artikel 1:89

1. Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van ingevolge deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die ingevolge deze wet dan wel ingevolge titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn verstrekt of verkregen of van een persoon of instantie als bedoeld in artikel 1:90, eerste lid, onderscheidenlijk 1:91, eerste lid, zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

2. In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.

3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die betrokken zijn of zijn geweest bij de vervulling van enige taak ingevolge deze wet, dan wel anderszins de beschikking verkrijgen over gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid.

4. In afwijking van het derde lid kunnen personen als bedoeld in het derde lid mededeling doen van gegevens of inlichtingen met betrekking tot de toepassing van hoofdstuk 3A.2, indien de noodzaak tot mededeling voortvloeit uit toepassing van dat hoofdstuk en mededeling geschiedt in zodanige vorm dat het niet kan worden herleid tot afzonderlijke personen of met de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de Nederlandsche Bank.